Reisverslag Mexico 2002

door Claudia and PJ Potgieser

 

home

terug

oktober 2002 - april 2003

Nuevo Casas Grande, 24 oktober 2002
De grens was geen probleem, alleen jammer dat aan de Mexicaanse kant de computer niet werkte, dus duurde de import van de auto een paar uur, want alles moest met de hand ingevuld worden en we hadden tien man voor ons.
Gelukkig haalden we voor het donker de camping, waar we twee nachten blijven. De eigenaar maakt van elke bezoeker een foto. Wij waren nummer 9 en de camping is al 2 jaar open. Hij hoopt dat de camping na een jaar of 5 goed gaat lopen....
Vanmiddag hebben we onze eerste ruines bezocht, Pacuimé, maar we vonden de parende bidsprinkhanen eigenlijk veel interessanter.

Creel, 28 oktober 2002
Soms heb je zo'n dag dat alles tegen zit.
De douches op de camping zijn koud (waar heb ik dat meer gehoord?), want de boiler is stuk. En het is hier in de bergen net 6 graden boven nul. Nou, dan nemen we toch een warme douche in de camper, daar hebben we dat ding voor. Oeps, de gasfles leeg. Gelukkig hebben we er twee.
Na een uitgebreide douche wil PJ de watertank bijvullen. Aai, beginnersfoutje: we hebben vergeten te controleren of er wel water uit de kraantjes komt. Nee dus, de camping staat droog. En PJ had al een chloortablet in de tank gegooid, dus dat beetje water wat we over hebben is nu wel erg geconcentreerd.
Het is zondag in Creel dus geen vers brood. Geen probleem, dan bak ik toch pannenkoeken? Nou, ik weet niet hoe het komt, misschien de hoogte (we zitten op 2400 meter) maar de pannenkoeken willen niet gaar worden. Ondanks de appel, kaneel en stukjes spek zijn ze niet echt smakelijk. Maar ze staan wel stevig in de maag.
Op naar het dorp om geld te trekken. Krijg nou wat, de flappentapper accepteert onze kaart niet! Dat hebben we nog nooit meegemaakt. Diesel tanken slokt al de helft van onze contante geld op, maar we mogen wel gratis water tanken. Dus wisselt PJ maar een briefje van 100 dollar. Vervelend dat we onze contante dollars nu al moeten aanspreken.

We zijn nu dus in Creel. Deze plaats ligt in de buurt van acht ravijnen, tezamen de Barances del Copre (koperravijnen) genoemd. De meeste zijn dieper dan de Grand Canyon in de USA (1600 meter), maar dat groter niet altijd beter is, merken we als we 100 kilometer omrijden om in de Unrique Canyon te kunnen kijken.
1879 meter diep, begroeid met pijnbomen, maar we vinden de Grand Canyon veel mooier. De rest van de ravijnen kunnen alleen met een vierwiel aangedreven terreinwagen, te voet of per trein bezocht worden en we vinden het teveel werk om de camperunit eraf te halen.
In deze ravijnen wonen de Tarahumara Indianen. De vrouwen zijn zeer folkloristisch gekleed in wijd uitstaande blouses, klokkende rokken, vaak een paar over elkaar heen, gekleurde hoofddoek om hun platte ronde gezichten en een vrolijke omslagdoek. De mannen schijnen er ook bijzonder uit te zien, maar helaas zien wij alleen mannen met zwarte broeken en witte cowboy hoeden.

   
                                    Tarahumara Indianenvrouwtjes                                      Helaas alleen op ansichtkaart gezien     

Vannacht hebben we 7 kilometer ten zuiden van Creel gekampeerd tussen enorme keien en aan een meer voor maar 3 Euro. Tegen de schemering krijgen we bezoek van drie Indianen kinderen. Het meisje is traditioneel gekleed in een wijde enkellange rok. De twee jongetjes zien er erg armoedig uit.
"Tengo ambre", zegt het meisje.
Ik zoek de woorden op in het woordenboek. "Tengo betekent ik heb, ambre kan ik niet vinden.
We laten hen weten dat we haar niet begrijpen, maar ze blijft hetzelfde zinnetje herhalen. Pas een paar dagen later daagt het PJ.
"Hambre schrijf je met een h!".
Ik blader snel door het woordenboek. "Oh, ze had honger..."

30 oktober 2002
We moeten onderweg dagelijks stoppen bij een militaire wegversperring. Ik vind die militairen allemaal op elkaar lijken: lichtbruine huid, zwart haar, donkerbruine ogen, wangen die nog te jong zijn voor een scheerbeurt en een groen uniform met groene pet. Voorspelbaar is mijn reactie als PJ zegt: "Ik heb die gozer gisteren ook al gezien bij de vorige wegversperring".
PJ stapt uit om voor de militair de camperdeur te openen, zodat hij de camper kan inspecteren. Slechts een paar tellen later zijn ze al terug, allebei breed lachend.
"Het klopt, deze knul heeft gisteren ook onze camper doorzocht".
"Hoe weet je dat dan zeker?", vraag ik verbaasd.
"Nou, ik heb het hem gevraagd".
We zijn net een week in Mexico, PJ heeft pas twee keer naar de Spaanse tapes geluisterd en hij kan al in 't Spaans communiceren?
"Hoe dan?", vraag ik ongelovig.
En PJ doet even een staaltje gebarentaal voor waar je u tegen zegt. "En toen zei die militair 'si' en begon te lachen".
Ik schiet ook in de lach, die PJ, die komt er wel.

Mazatlan, 3 november 2002
We staan vier dagen op een camping aan zee, 15 kilometer ten noorden van Mazatlan. Elk plekje is omgeven door meters hoog bamboe, 'huiskamer' palmen en hoge kokospalmen en heeft een eigen stenen patio in de schaduw. Na een week in de bergen moeten we erg wennen aan de vochtige warmte (30 graden) en we komen vrijwel niet op het strand, maar genieten van onze junglepatio. Vreemd dat we hem pas na drie dagen ontdekken; de prehistorische draak in onze palmboom.
"Clau, kom 'ns kijken, zie ik daar nu een staart?" PJ wijst op een meter lange zwart geel gestreepte slang. En jawel, een prachtige leguaan met een kop en lijf van samen dertig centimeter en een staart van een meter zit op een van de palmbladeren. Op zijn kop en rug zien we een trotse oranje kam, zijn lijf is groen met geel en onder z'n  kin hangt een lel, die hij af en toe schudt. Wat een prachtig gecamoufleerd beest!

               

We proberen hem van alle kanten te fotograferen en ik klim op de camper om een betere hoek te krijgen. Ineens hoor ik geritsel achter me en als ik mij verschrikt omdraai, hangt er nog geen twee meter boven me een andere leguaan in het bamboe. Die is waarschijnlijk net van een palmblad afgevallen! Er zitten zoveel bamboeblaadjes voor hem en de zon staat pal in mijn lens dat ik hem maar met moeite kan fotograferen. Hij kruipt ook steeds verder en hoger.
Als we na een uurtje op het strand in de schaduw van een palmenbos hebben gezeten, terugkomen op de camping, kan ik ze niet meer terugvinden, want ze zijn ongelooflijk goed gecamoufleerd.

Verder zuidelijk langs de kust. In het plaatsje Escuinapa staat voor elk huis een keukentafel buiten met daarop zakken garnalen, een pond voor Euro 1,20. Moeder zit er op een stoeltje naast. De zakken liggen niet op ijs en ook hier is het dertig graden. Het eerste wat ik denk is:"Bederfelijk! Hoe kan dit goed gaan in de brandende zon en hoelang liggen die zakken hier al?".
Als we het dorp uitrijden wordt een gedeelte van het mysterie opgelost, want langs de kant van de weg worden op zeildoeken ongepelde garnalen gedroogd. Ze verkopen in het dorp dus gedroogde garnalen. Maar ik kan het niet nalaten te denken aan de uitlaatgassen, het stof en de insecten die tussen de garnalen doorlopen. Vanavond maar geen paella.

   

Verder naar het zuiden zien we waar orkaan Kenna de kust heeft geraakt. Rond San Blas zien we veel omgevallen bomen, afgebroken takken, daken van huizen en omgewaaide muren. Vooral de plantages met bananenbomen hebben veel te lijden gehad: de bomen zijn als lucifershoutjes omgeknakt. Lang de kust bezoeken we verschillende campings, allemaal even exotisch.

   
                 Boca Beach                                            Miramar                                           Miramar

    
Mexicaanse familie op het strand                      Playa Amor                                           Playa Lupitas


Terug in de bergen in Tepic zien we Huichol Indianen die op een plein hun handwerk verkopen. Ze dragen witte blouses en rokken en de mannen witte broeken en overhemden, maar allemaal met de hand geborduurde vrolijke figuren erop.
" 't is net Volendam, met de in klederdracht geklede mensen", zegt PJ. Ik zie dat toch anders.

   
   Huichol Indiaan                            mooie fresco's

15 november 2002
Nu zitten we nu al een week in La Penita even ten noorden van Rincon de Guayabitos op een echte overwinteraarcamping. Ik tik dit bericht in onze eigen camper op een computer van een van de campinggasten en zal het vanavond versturen. Er hangt hier een sfeertje dat we herkennen van Fish Creek. Iedereen komt hier al jaren en we worden leuk opgenomen in de groep. Elke morgen een uur volleyballen in het zwembad en om vier uur is het Happy Hour; je stoel en je eigen drankje meenemen en tijdens de zonsondergang lekker kwebbelen.

In de stenen muurtjes op de camping zitten tientallen leguanen te zonnen, maar zo mooi als in Mazatlan hebben we ze hier nog niet gezien. De beesten zijn als de dood voor ons en verschuilen zich als we dichterbij komen, hoe groter, hoe banger. Ik merk wel dat met veel geduld het wel mogelijk is ze te fotograferen. Steeds een stapje dichterbij en dan weer vijf minuten wachten en dan kan ik ze tot twee meter naderen.

We worden uitgenodigd bij David (Amerikaan) en Maruca (Mexicaanse) in hun huis om hun collectie papagaaien te komen bekijken. Een prachtig huis en mooie gekleurde vogels, die we fotograferen. Maruca heeft een uitgebreide verzameling Huichol kunst en ik krijg van haar een met kralen beplakte ei voor in de kerstboom. David ontwerpt t-shirts en we krijgen een exemplaar met 'volibol' erop. David en Maruca komen namelijk ook elke morgen naar het zwembad van de camping om te volleyballen.
Morgen trekken we weer een paar kilometer zuidelijk langs de kust naar de volgende camping in Sayulita.


 

Zomaar wat observaties:
een man zit liefdevol zijn hond te wassen in een beekje. Op zich al opmerkelijk, want honden zijn hier geen huisdieren. Daarna gaat hij zichzelf wassen in hetzelfde stroompje.

Drie kinderen lopen langs de weg en slepen op een stok een dode, korte maar polsdikke slang met zich mee. Zou die vanavond op hun bord liggen?

In een dorpje hangt een oud mannetje en een oud vrouwtje allebei in hun eigen hangmat in de schaduw voor hun huis. Als we er drie dagen later weer langs rijden, hangen ze er nog/weer. Zou dit de Mexicaanse variatie zijn van achter de geraniums zitten?

Playa Tenacitita, 27 november 2002
Ik heb een hele nieuwe wereld ontdekt: de onderwaterwereld! Iedereen die snorkelt en al onze vrienden die al jaren hun duikbrevet hebben, zeggen nu:"Nou dat werd tijd Clau".
Op het strand van de gratis camping Playa Tenacitita ligt vol met witte dingen. Als we het van dichtbij bekijken, zien we dat het koraal is. Het hele strandje ligt vol met afgebroken koraal!
Ik besluit meteen mijn snorkelset, die ik al drie jaar meesleep, eens uit te proberen. En er gaat een wereld voor mij open, ´t is net of ik door een aquarium zwem. De bolle paarse vis met lila stippen (trunkfish) is mijn favoriet, maar de zwart wit gestreepte aal en de vis met een rood geel schots ruitje zijn ook erg bijzonder. Ik neem brood mee (bedankt voor de tip, pa) en kan kleine visjes voeren, maar als ik boven een school van die stekelvissen (porcupine fish) zwem, krijg ik het toch wel even benauwd. Helaas krijg ik PJ niet zo ver dat hij ook gaat snorkelen. Hij heeft nu eenmaal niets met water.
"Ik kan maar beter niet weten wat voor een griezels er allemaal in de oceaan zwemmen, anders ga ik nooit de zee meer in".


Het schijnt dat zeeschildpadden op een strandje verderop ´s nachts hun eieren leggen. Het bewijs hiervan zie ik drie dagen later als ik ´s morgens langs het strand loop en een breed spoor door het harde zand zie lopen.
Ik vertel het tegen snowbird Gail en haar antwoord verbaast mij.
"Heb je het spoor uitgewist?".
"Uhh, nee".
"Nou, dan ga ik dat gauw doen, voordat de Mexicanen het ontdekken!" en ze legt gelukkig uit waarom.
Ondanks dat de zeeschildpad met uitsterven bedreigd is, is hij op dit strand blijkbaar niet beschermd. Als de Mexicanen het spoor zien, graven ze de eieren uit en kunnen die voor een hoop geld verkopen. Niet om schildpaddenomelet van te maken, maar blijkbaar zijn er idioten die denken dat het een afrodisie is. De overwinteraars helpen vrijwillig de schildpadden een handje en verwijderen alle sporen.
"Over een dag of 60 komen de eieren uit. Ik zal het op de kalender zetten, dan gaan mijn man en ik tegen die tijd kijken hoe de kleine schildpadjes naar de zee rennen".
Ik kan mij zo voorstellen dat deze snowbirds dan over het strand rent om de meeuwen, pelikanen en zandkrabben weg te jagen.

De volgende dag loop ik samen met Gail langs het strand en we zien weer een schildpaddenspoor.
"Help je mee het uit te wissen?", vraagt Gail.
"Tuurlijk".
Terwijl ik met een stokje over de omgewoelde zandplek ga, kom ik ineens een ei tegen. Het heeft de grootte van een pingpongbal, ik kan het indeuken en het voelt leerachtig aan. Aangezien de eieren op 60 cm diepte gelegd worden, kan dit alleen maar betekenen dat de Mexicanen ons voor zijn geweest en het nest hebben leeggeroofd.
Onbegrijpelijk dat die Mexicanen niet verder denken dan hun neus lang is. Als ze maar de helft van de 150 a 200 eieren stelen, dan zijn er misschien over een aantal jaren nog schildpadden over om eieren te leggen. Op deze manier verzieken ze hun eigen (illegale) handel.
"Kijken of we dit eitje nog een kans kunnen geven", mompelt Gail en ze begint te graven.

Eigenlijk heb ik wel bewondering voor die snowbirds. Ze komen hier vijf, zes maanden overwinteren. Met hun camper van 12 meter, van alle gemakken voorzien zoals een wasmachine, droger, magnetron, airco en natuurlijk douche en toilet, gaan ze op een gratis strandje staan zonder water en elektriciteit. Dus al die luxe dingen kunnen ze niet gebruiken! Wel komt er vaak een ´waterwagen´ langs die grote flessen gefilterd water verkoopt en soms ook een gasauto die de gastank kan vullen.
Omdat het schiereiland Tenacitita op het zuiden ligt hebben we elke dag een zonsondergang EN een zonsopgang vanuit zee. Heel bijzonder.

Zo'n strandje schreeuwt natuurlijk om een hangmat. De onderhandelingen over de prijs beginnen 's morgens en na de siësta pakken we de draad gewoon weer op, maar we komen dezelfde dag nog tot een prijs overeen met het hangmattenmannetje. Helaas staan er op dit strand geen wuivende palmen en moeten we ons behelpen met een paar palen in de volle zon.

 

Van onze jonge buurman op de camping (ja, we ontmoeten ook wel eens jonge mensen: Ryan is 22 jaar oud, heeft een dochter Demi van 5 jaar en zijn vrouw Joany is zwanger van de tweede, nee wij vonden het niet gepast om te vragen of hij de natuurlijke vader is) horen we dat 10 kilometer verderop een rivier met heel veel krokodillen is.
Ik ben een beetje sceptisch, want het staat in geen een van mijn vier reisgidsen. We gaan er naartoe met Mitch en Heather, een Canadees/Brits echtpaar van 53 jaar. Dit stel komen we steeds op allerlei campings tegen. Mitch is altijd vrolijk en kletst de oren van ons hoofd. Heather is wat gereserveerder, maar komt later wel los.
Als we op de bewuste plek aankomen zien we tussen de mangrovebossen door al een paar joekels in het water.
Er is zelfs een loopbrug en vanaf daar hebben goed uitzicht op de tientallen krokodillen die met hun bek wagenwijd open liggen te zonnen. Ik besluit naar de rechterkant van het water te lopen, zodat ik op ooghoogte met de dieren ben.
PJ, Mitch en Heather staan nog op de loopbrug en zien ineens alle krokodillen naar de rechterkant van het meertje zwemmen en ze horen een hoop geplons en lawaai vanuit het mangrovebos.
"Wat zou er aan de hand zijn?", vraagt Mitch zich hardop af.
"Ik weet het niet, Claudia loopt daar ergens", antwoordt PJ een tikkie bezorgd, want het zou niet de eerste keer zijn dat ik bijna op een krokodil ga staan.
Wat zij niet kunnen zien, maar ik wel, is dat een knul grote vellen rog in het water aan het gooien is.
"Momento, por favor", roep ik en ga de anderen snel halen.
Nog geen meter van ons vandaan, slechts gescheiden door een halve meter kippengaas, vechten tientallen krokodillen om een restje vis. De grootste is 3 meter lang en enorm dik. Hij klimt over de anderen heen om de beste stukken te pakken te krijgen. We zien open bekken, scherpe tanden, zwiepende staarten en horen een hoop geplons en sissende geluiden. Wat een sensatie!

   

De kustroute die we gereden hebben van Mazatlan tot aan San Patricio Melaque liep meestal 10 kilometer landinwaarts en ging door een dicht gegroeid oerwoud met heuse Tarzan lianen, exotische loofbomen, palmbomen, mangrove bossen en bloeiende klimplanten. We zien er prachtige vlinders en knalgele vogeltjes. Het nadeel van deze prachtige rimboe is de hoge luchtvochtigheid, die zelfs aan de kust niet voor verkoeling zorgt. Warme nachten en transpirerende dagen. De was droogt slecht en alles wordt plakkerig van de zeebries en er zijn veel muggen, maar ondanks alles hebben we erg genoten van de 5 weken aan de kust.
We laten de zee achter ons en trekken het binnenland van Mexico in bij Guadalajara.

Wat losse flodders:
= Zagen we in Amerika meestal een hond in de laadbak van een pick-up truck, hier in Mexico zitten of liggen er altijd mensen in. We zien zelfs kinderen zonder volwassen.

= We zien witte vlinders die zo groot zijn dat we soms twee keer moeten kijken om er zeker van te zijn dat het geen vliegend boterhamzakje is.

= We hebben zelfgestookte tequila gekocht en in een lege twee liter fles appelsap gegoten. Heerlijk om Margarita cocktails van te maken. Wel slecht voor je maag.

= Internet cafés zijn steeds moeilijker te vinden en de computers zijn vaak van voor de eerste wereldoorlog, dus erg traag.

6 december 2002
Vanaf de kust rijden we via een kronkelige weg naar de Mexicaanse hoogvlakte, de Sierra Madre Occidental. Die ligt op 2000 meter hoogte en de temperatuur zakt naar een aangename 22 graden.
In het Parque Acuatico Chimulco in de plaats Villa Corona komen we Mitch en Heather weer tegen. Dit is een camping bij een waterpark met een stuk of vijf zwembaden die gevuld zijn met warm mineraal water. Elke avond laten ze de baden leeglopen en ´s morgens worden ze met vers water van 39 graden gevuld. De campinggasten mogen al in de baden voordat het park open is en na een koude nacht (9 graden) is het ´s morgens heerlijk baantjes trekken.

Met de digitale camera van Mitch en zijn computer maken we een digitale Kerstkaart. We stelen hiervoor wat Kerstversiersels van de snowbirds. De Kerstster groeit hier gewoon als struik, soms wel 4 meter hoog. De snowbirds lijken er wel een sport van te maken wie de meeste kerstversierselen heeft, zelfs verlichte rendieren zien we.
´s Avonds wordt er een bad speciaal voor de campinggasten gevuld en dat is een sociaal kletsuurtje. We spreken met Mitch en Heather af oud en nieuw te vieren in Oaxaca (spreek je uit als wa-hah-ka). Zij reizen nu weer terug naar de kust, terwijl wij het binnenland van Mexico ingaan.

Guadalajara
, 8 december 2002
De op een na grootste stad van Mexico, Guadalajara (4 miljoen inwoners) bezoeken we op een zondag. Het voordeel van die dag is dat de entrees van de musea gratis zijn, er een zondagsmarkt is en dat de Mexicanen massaal de straat op gaan en zich bezighouden met hun favoriete vrije tijd besteding: flaneren over de pleinen met hun kinderschare, eten en eten verkopen op straat en luieren in de parken. Het openbaar vervoer is spotgoedkoop: de rit van de camping naar de stad duurt 40 minuten en kost maar 35 Eurocent. Helaas moesten we op de heenweg wel staan. Guadalajara was een te grote stad voor ons om er echt van te kunnen genieten.

Guanajuato, 10 december
In de voormalige mijnstad Guanajuato bezoeken we het mummiemuseum. Toen de begraafplaats overvol werd en de oude graven geruimd werden, ontdekten ze geen botten maar gemummificeerde lichamen. Door de droge lucht en de minerale samenstelling van de grond is een begraven lichaam al na 5 jaar in een mummie veranderd.
Meer dan 100 mummie´s liggen (en staan) tentoongesteld in glazen vitrines. Vaak zijn ze naakt op hun sokken en schoenen na, en zelfs de geslachtsdelen en schaamhaar is nog te zien. Heel luguber.
Ik krijg het op mijn lachstuipen als ik denk dat de Mexicanen op zondag hun oma kunnen bezoeken...in het mummiemuseum!

 

   
                                                      de weg naar de camping                       Douchegebouw van de camping

Buiten het museum worden we meteen overvallen door handelaars die replica´s van de mummies verkopen, gemaakt van harde karamel en voorzien van gitaar en hoed.
Niet alleen de begraafplaats werd overvol, maar ook de stad zelf. Om het verkeer nog enigszins aan te kunnen, werden er tunnels gebouwd, compleet met zijwegen, parkeerplaatsen en trottoirs. Gelukkig hebben wij deze informatie van te voren en kunnen we voorkomen dat we verdwalen of vast komen te zitten in dit gangenstelsel.
Als we de volgende dag de rest van het stadje bekijken, komen we nog bekenden uit Alaska tegen! Het Amerikaanse echtpaar Dick en Becky leidt groepsreizen met mensen die met hun eigen caravan of kampeerauto reizen en we zijn ze elk jaar wel eens tegengekomen in Alaska of Canada. Ook zij zullen met hun groep Kerst in Oaxaca doorbrengen.

In Dolores Hidalgo kopen we eindelijk mijn verjaardagscadeautje: een handbeschilderd Mexicaans servies dat bestaat uit 6 grote borden, 6 soepborden, een vierkante (sla)kom met een doorsnee van 38 cm en een ronde schaal met daarin een zestal bakjes.
Ondanks dat de prijs hiervan een vierde is van de prijs in de toeristenstad Puerto Vallarta, gaan we toch onderhandelen. Uiteindelijk krijgen we de vierkante kom gratis.
Als we ‘s avonds alles goed aan het ompakken zijn, zodat het nog 6 maanden met ons kan reizen zonder te breken, zien we ineens wat er op de onderkant van elk stuk staat: “alleen voor decoratief gebruik”. Wat een giller! Geen wonder dat het zoveel goedkoper was…


 


Tula, 13 december 2002

De archeologische vindplaats Tula was een stad van de oorlogszuchtige Tolteken. Vooral de vierenhalve meter hoge beelden van strijders, die dienst deden als pilaren, spreken ons aan. Op het parkeerterrein staan een stuk of twintig bussen en tussen de ruines lopen heel veel schoolkinderen in bordeaux rode of groene trainingspakken en witte T-shirts met de naam van hun school. We zijn de enige buitenlandse toeristen en de kinderen zijn reuze nieuwsgierig naar ons en proberen hun Engels op ons uit. Meestal komen ze niet verder dan: “Hello” en de meester of juf moet ons vragen stellen, zoals: “Hoe heet u, hoe oud bent u, bent u getrouwd, heeft u kinderen, bent u hier op vakantie, waar komt u vandaan?”.
Ik zou liever mijn Spaans op hen testen, maar de kinderen vinden het veel te leuk om ons Engels te horen spreken.

Als de groep eindelijk verder gaat, kunnen wij snel wat foto’s nemen van de beelden zonder al die trainingspakken erop en dan komt de volgende klas al.
Een dapper meisje komt op ons af en vraagt in het Mexicaans: “Spreekt u Spaans?”.
”Een beetje”, antwoord ik.
”Come se llama?”.
”Achtendertig”.
”En hij?”, vraagt ze, terwijl ze met haar hoofd naar PJ wijst.
”Ook achtendertig”.
Het meisje knikt begrijpend, zegt: “Gracias”, en draait zich om.
Terwijl ze wegloopt, realiseer ik me ineens dat ze niet vroeg: “Hoe oud bent u?”, maar “Hoe heet u?”. Ik kan mijn fout niet eens herstellen, want al die meisjes lijken op elkaar. Wat zal ze tegen haar vriendinnetjes zeggen? “Dat zijn meneer en mevrouw Achtendertig?”.
We moeten er de hele terugweg naar de camper om lachen. Het wordt tijd voor zelfstudie Spaanse les!

Teotihuacan, 14 december 2002

   

                            
Ten noordoosten van Mexico-stad ligt de historische vindplaats Teotihuacan. Aan de Weg der Doden, die 3 kilometer lang is, liggen een aantal piramides. We zijn zo vroeg dat we de eersten zijn die de 70 meter hoge Piramide van de Zon beklimmen. Op de top hebben we mooi uitzicht op de rest van de ruines. Helaas is het een bewolkte dag, maar gelukkig daardoor ook niet warm. Bij de Piramide van de Maan zijn we niet de eersten, maar worden halverwege verwelkomd door een hond; een zogenaamde Moondog. Als ik drie aardige woorden tegen haar zeg, blijft ze de rest van de dag bij ons.
Waar mensen zijn, zijn honden. Helaas hebben die honden meestal geen baasje die ze eten en aandacht geeft. Het blijft een schrijnend gezicht om al die loslopende scharminkels door de dorpen en steden te zien lopen. En elke dag een stuk of tien, vijftien dode honden langs de weg zien liggen, gaat mij niet in mijn koude kleren zitten.

   

   

We rijden door kleine dorpjes met mooie kerken. De kleuren zijn suikerzoet, roze, lichtblauw en geel en de ene is nog mooier dan de andere. Het lijkt wel of de Mexicanen altijd feest vieren, want we rijden onder kilometers lange slingers, vlaggetjes en vaantjes. Het straatbeeld is hier ineens ook van 100 jaar geleden. Mannen met witte cowboyhoeden te paard (met zadel maar zonder stijgbeugels), paard en wagens die balen stro vervoeren, ezeltjes met bergen suikerriet en kleine oude vrouwtjes met vlechten en raffia boodschappentassen.
”Kijk nou toch!”, roept PJ en parkeert de camper pardoes in de berm, “Sinterklazen!”.
In een zijstraatje heeft hij een hele groep jongens gezien met rode fluwelen capes met daarop glitter kruizen en baarden van touw. Ik spring uit de auto en ren naar het straatje en kan nog net een glimp opvangen van de laatste jongen die om de hoek verdwijnt richting een kerk. Wat was dit nu voor mafs?
Op straat zien we een meisje met een blauwe cape en een kroontje op haar hoofd. Onder de cape heeft ze een kanten blouse aan, een zwart rokje, witte kniekousen en zwarte schoenen. Eigenlijk zouden we haar wel willen volgen, maar dat gaat ons toch net iets te ver. Wat voor ons op een verkleedpartijtje lijkt, kan wel eens een heel serieuze religieuze bedoeling zijn.

Puebla, 16 december 2002
Met een collectivo, een tot taxi omgebouwde VW-bus laten we ons naar het centrum van Puebla vervoeren. Deze busjes volgen, net zoals de bus, een vaste route, maar je kunt op elke hoek van de straat in- of uitstappen. Als de negende persoon is ingestapt, denk ik dat het busje vol is, maar zo denkt de bestuurder er niet over. Een vrouw met een baby op haar arm stapt in en wurmt zich tussen twee andere vrouwen op een bankje. Heel discreet onder een dunne doek begint ze haar kindje borstvoeding te geven, terwijl de bus over de venijnige Mexicaanse verkeersdrempels hobbelt. Veertien personen tel ik als we in het centrum zijn.
Puebla heeft 1,2 miljoen inwoners, maar toch vinden we het een gezellige stad. Misschien komt dat ook wel omdat we lekker doelloos kunnen ronddwalen; alleen de overdekte markt en het Amparo Museum staan op ons programma.
Als ik aan Mexico denk, denk ik aan tegeltjes en Puebla staat synoniem voor tegels. Alleen al in het historische centrum staan duizend koloniale huizen die versierd zijn met handbeschilderde tegels en ook de 70 kerken die Puebla rijk is, hebben vaak koepels van tegeltjes.
De tegels zijn ook te koop, slechts 14,50 Euro per vierkante meter. Maar we kunnen toch niet ALLES mee naar Nederland nemen…
   

Kinderen vragen ons vaak hoe laat het is. Merkwaardig, want met onze blonde haren zijn we toch duidelijk toeristen (95% van de bevolking hier heeft zwart haar). Waarschijnlijk willen ze laten blijken dat ze Engels spreken “What time, what time? Thank you”, of ze vinden het gewoon stoer om ons aan te spreken.

Op 18 december komen we op de stadscamping in Oaxaca aan. Kerst in Oaxaca is speciaal. Het begint eigenlijk al negen dagen voor Kerst. Elke avond zijn er optochten van kinderen verkleed als Jozef en Maria met daarachter een kleine groep zingende volwassen en kinderen met zelfgemaakte lantaarns. Ze gaan in hun buurt langs verscheidene huizen en vragen zingend of ze binnen mogen komen. Traditioneel worden ze overal geweigerd, totdat ze bij het huis van hun peetouders aankomen. Na wat zingende vragen en antwoorden krijgt de groep onderdak. Deze optochten worden posadas genoemd, wat herberg betekent. Af en toe horen we vanaf de camping gezang en als we over de muur gluren, zien we zo’n optocht voorbijkomen.
 

Een posada is pas compleet na een feestmaal en het breken van de piñata. Dit is een grote ster gemaakt van papier-maché, die gevuld is met snoepgoed en kleine presentjes. Met een touw wordt de piñata hooggehouden en de kinderen proberen met een stok de ster kapot te slaan tot het snoep uit de ster valt. Een paar keer zien we dit gebeuren in de tuin van een huis.

De stadscamping is drie kwartier lopen van het centrum van Oaxaca. Deze stad met 400.000 inwoners heeft een paar autovrije straten met dagelijkse straathandel en veel marktjes. Ook hier zien we weer piñatas, die als kerstversiering worden gebruikt, variërend van 30 centimeter tot 3 meter doorsnede. We vinden het een gezellige stad.

 

Onze buren op de camping zijn Emily (23) uit Londen en haar vriend Andy (33) uit Nieuw Zeeland. We trekken veel op met dit jonge stel. Emily praat razendsnel en zit vol met grappige verhalen. Met haar blanke huid is ze het toonbeeld van een Engelse. Andy is een wat rustiger type en vult daardoor Emily goed aan. Aan de andere kant staan John (59) uit Liverpool, Engeland en zijn Canadese vrouw Nel (51), ook erg gezellige lui.

Emily en Andy nemen ons in hun stationwagon mee naar Monte Alban, gerestaureerde Zapotec ruines van 500 voor Chr. op een top van een berg. Vanaf daar hebben we mooi uitzicht op de Oaxaca vallei, die bedekt is met dunne slierten mist. Een oude man in vieze kleren en zonder tanden biedt zich aan als gids.
”Nee, dank u”, zeggen Andy en ik tegelijkertijd.
En dan krijgen we toch een preek van die ouwe!
”Als je hier zonder gids gaat kijken, loop je rond als een kip zonder kop en dan begrijp je er niets van. Wat er in de reisboeken staat, is niet waar en je hebt hier echt een gids nodig, (enzovoort)”, slist hij zonder gebit.
”No, thanks!”, zegt Andy nogmaals met klem. Het grappig is dat Emily op dat moment pas doorheeft dat de oude man in het Engels tegen ons uitviel, zo onduidelijk praat de man. We zouden best een gids willen hebben, maar niet deze man en wij zijn weer zo vroeg dat de rest van gidsen er nog niet zijn.
Tussen de ruines lopen handelaars met kleine beeldjes. Soms gaat een tas heimelijk open en mompelt de man zoiets van: “Origineel, antiek, geen kopie”. Ja hoor, geloof je het zelf! Ik speel het spelletje mee en doe alsof ik interesse heb in zijn handel, maar als ik dan ontdek dat het beeldje echt is doe ik erg geschokt. "Oh, problemen met de douane van Holland, dit kan ik niet kopen!". We voelen het eelt op de handen van een man, die gepolijste maskers van steen verkoopt en maken een goede deal met hem door drie maskers tegelijk te kopen. 

In een restaurantje kiezen we voor een schotel met Oaxacaanse specialiteiten. Allemaal lekkere hapjes, jammer dat we dan niet de naam weten van elk gerechtje. Ook proberen we 'pollo mole negro' uit; kip met een donkere gekruide saus gemaakt van o.a. chili’s, banaan, peper,kaneel en cacao(!). Deze saus is uitgevonden door een non uit Puebla en verfijnd in Oaxaca. Later zien we in de supermarkt deze saus kant en klaar in glazen potten, van het voor ons bekende merk 'Maggi'.

Op een zondag gaan we met Emily en Andy naar de markt in Tlacolula. Dit keer nemen we de tweede klas bus en moeten we de hele weg (40 minuten) staan. Op de zondagsmarkt wordt fruit, groenten, souvenirs, rieten manden, wandkleden en plastic rotzooi verkocht. Hier lopen veel traditioneel geklede afstammelingen van de Zapotec bevolking. De vrouwen dragen vrolijk gekleurde rokken en blouses met daarover steevast een geborduurd geruit schort. Hun zwarte (of grijze) haren hangen in twee lange vlechten op hun rug en meestal is een satijnen lint mee gevlochten. Een grote strik onderaan maakt het beeld compleet. Soms dragen ze ook nog een sjaal om hun hoofd en in een handomdraai is dit veranderd in een handig steuntje voor het dragen van de boodschappen op hun hoofd.
We zien vrouwen gefrituurde sprinkhanen en wormen verkopen. Met een beetje chilipoeder erover wordt dit als snack gegeten.
Vers geslachte dieren hangen zonder koeling aan haken in de zon. We zien varkenskoppen, rundertongen en kippenklauwen op stapels liggen. Maar het kan nog verser: anderen proberen levende kalkoenen aan de man te brengen (het is tenslotte bijna Kerst). De poten zijn aan elkaar gebonden en ze worden op zijn kop of aan hun vleugels rondgedragen. Foto´s moeten stiekem genomen worden en ik ben blij met onze 300 mm lens.

                          

Ondertussen zijn Becky en Dick met hun groep kampeerauto´s aangekomen op de camping en we hebben een gezellig avond in hun enorme camper.


En dan is het 23 december en de "Nacht van de Radijsjes" is aangebroken, een van de belangrijkste fiesta´s van Oaxaca. Voor dit feest worden radijzen gekweekt die als gevolg van groeimiddelen wel 35 centimeter lang kunnen worden. Ze hebben dan meer de vorm van een winterwortel dan de ronde radijs die wij gewend zijn. Een geselecteerd aantal artiesten maakt uit deze reuze radijzen echte kunstwerken door ze te snijden, kerven en te schillen in de meest fantastische vormen. Zo zien we volledige kerken met beelden van radijs en Flamengo dansers met de rok van geschilde radijzen.

      


De rest van het plein is omgetoverd tot een markt van smalle straatjes met souvenir- en eetstalletjes. We krijgen trek van al die lekkere luchten en stoppen bij een tortillatentje. Een Engels sprekende Mexicaan vraagt of wij er een willen proberen.
"Ja, graag, als u het voor ons kunt bestellen".
Hij bestelt een paar maïstortilla’s met gesmolten kaas en papayabloemen voor ons. Smaakt goed. Erna probeer ik een tortilla met kip, hete saus en korianderkruid. Als we willen afrekenen, zegt de man dat we op zijn kosten hebben gegeten. Ik geneer me dat ik nog een tweede besteld heb, maar de man wuift mijn bezwaren weg.
"Ik vind het leuk dat jullie onze keuken leren kennen".
We bedanken hem hartelijk en gaan weer verder.

Dan zien we een andere Oaxacaanse gewoonte: rond de Kerst eten ze bunuelos, dunne gefrituurde koeken die ze dopen in chocoladesaus. Als alles op is, gooien ze het aardewerken kommetje over hun schouder kapot en doen ze een wens. Emily en ik kijken ontzet naar die leuke aardewerken schaaltjes die allemaal kapot gaan.
We wachten het spectaculaire vuurwerk op het plein van de kerk niet af, want we zijn niet meer gewend laat naar bed te gaan! Dus de Kerst mis in de kerk halen we zeker niet!
's Avonds laat door Oaxaca lopen schijnt geen probleem te zijn, dit is een van de meest veilige steden van Mexico, dus we lopen zonder vrees terug naar de camping.


 


Op kerstavond lopen we naar het centrum waar grote optochten zijn van praalwagens met de maagd van Guaduloupe, Jozef en Maria en Jezus in het kribbetje, meestal verklede kinderen en soms volwassenen. Typisch Mexicaans dat de praalwagens een willekeurige route rijden en we drie wagens uit drie verschillende richtingen klem zien lopen op een kruispunt. Mannen lopen naast de wagens met lange stokken en houden hiermee de kerstversiering en laag hangende takken omhoog. Je zou toch denken als dit elk jaar nodig is, dat ze de praalwagens iets minder hoog zouden maken...


Op eerste Kerstdag knalt er een champagnekurk over onze camper. John nodigt ons uit een glas champagne te komen drinken met hen.
"Wat doe je nu?", vraag ik verbaasd als hij een scheut sinaasappelsap ik onze glazen schenkt.
"Oh, ken je die gewoonte niet? Zo drinken wij in Canada altijd onze champagne met Kerst".
PJ neemt een waterfilter van John over, wat hij vast bij de kraan monteert. Zo wordt o.a de chloorsmaak alvast eruit gefilterd en kan ik eenvoudig voor koffie en het koken van de aardappels, rijst en pasta gefilterd water gebruiken. Ons drinkwater filteren we nog eens extra met een ceramisch handfilter, dat we al in Afrika gebruikten.


Ook wisselt PJ Mexicaanse peso’s voor Amerikaanse dollars met John, zodat we straks voor Midden Amerika ruim in de contante dollars zitten.
's Middags gaan PJ en ik naar het museum in het centrum. Als we erna buiten in de schaduw zitten, voelt PJ ineens een handje op zijn haar.
"Dat jongetje voelde aan mijn haar"; fluistert PJ.
"Ik heb eens gelezen dat Mexicanen geloven dat het aanraken van blond haar geluk brengt", antwoord ik. Het jongetje komt met zijn schoenendoos met pakjes kauwgom, losse sigaretten en zuurtjes naast ons staan. PJ geeft hem een peso, maar koopt niets.
"Waarom doe je dat nou?", vraag ik verbaasd.
"Ik heb net bewezen dat het aanraken van blond haar inderdaad geluk brengt!", antwoordt PJ.

's Avonds nodigen we Emily en Andy uit voor een kerstmaal van een Franse stoofschotel. Nu we zo vaak op campings staan en elektriciteit hebben, heeft PJ voor mij een elektrisch kookplaatje gekocht. Nu kan ik ook gerechten maken die lang op het 'vuur' moeten staan, zonder dat we ons zorgen hoeven te maken over een lege gasfles. Andy maakt vooraf quesedillas; kaastortilla's. Niet echt een combinatie met ons Franse maal, maar wel lekker. En zo verloopt onze Kerst in Mexico.

Een dag voor Oud & Nieuw arriveren Mitch en Heather op de camping. Dat werd tijd, want al onze nieuwe 'vrienden' zijn ondertussen vertrokken. Op oudejaarsavond trakteert Mitch ons op zwaardvis van de barbecue, die hij zelf gevangen heeft aan de kust.
Om 11 uur vallen Heather's ogen dicht en wij trekken ons terug naar onze camper. Tot mijn eigen ongenoegen val ik om 5 voor 12 in slaap.
Ach, vuurwerk hebben we de afgelopen week genoeg gehoord...
Gelukkig Nieuwjaar!

5 januari 2003
Vanuit
Oaxaca rijden we naar de kust naar Puerto Angel waar we een paar dagen op een strandje liggen tussen de naakte hippies en jointrokende dreadlocks. Het is hier 30 graden met een hoge luchtvochtigheid.
Via
Juchitan rijden we de bergen in naar San Cristobal de las Casas. Hier kamperen we op 2100 meter en niet alleen 's nachts maar ook overdag is het verrassend koud. Als we door het gezellige stadje lopen, probeert een meisje van een jaar of 5 wat souvenirs te verkopen. Haar iets oudere vriendinnetje heeft haar 2 jaar oude broertje in een doek op haar rug. Het jongere meisje heeft ook iets in haar omslagdoek. Ik zie een poppenvoetje uitsteken.
"Ach, kijk nou, die kleine heeft een pop op haar rug. Zo kan ze het leren.", zeg ik vertederd tegen PJ.
Maar ineens zien we ook een handje tevoorschijn komen en de tenen van het 'poppen'voetje bewegen ook.
"Oh, mijn God, ze heeft een piepklein baby’tje in die doek, die kan nog geen maand oud zijn!", zeg ik geschokt.

Tijd om over de schok heen te komen krijg ik niet, want we vertrekken met een groep toeristen en een gids naar een paar bergdorpjes. Hier leven afstammelingen van de Maya's nog volgens de oude tradities. We bezoeken een kerkje zonder kerkbanken. De vloer is bezaaid met dennennaalden en Maya's zitten op hun knieën te bidden. Voor hen branden lange rijen kaarsen. Tussen de mensen lopen 'helers' die hun polsen voelen en proberen ziekten weg te nemen. Dit gaat niet zo eenvoudig; een levende kip wordt heen en weer bewogen boven de kaarsvlammen en we horen een hoop gekakel. Als het even later stil is, zien we dat de medicijnman de kip z'n nek heeft omgedraaid. Als het goed is zit de ziekte nu in de dode kip.


 

Verdere drinken de Maya's koolzuurhoudende dranken (voornamelijk Coca Cola) en laten daardoor harde boeren. Hiermee worden duivelse geesten uit hun lichaam verdreven.
Een zeer interessante dag. Ik kan er wel een boek over schrijven...misschien doe ik dat ook.

 

 

 

   
                                       Waterval van Misol-Ha


Half januari laten we een koud en regenachtig San Cristobal achter ons en rijden door het oerwoud naar
Palenque. We zitten nu midden in de provincie Chiapas waar guerrilla’s onder leiding van Subcomandante Marcos nog al eens wegen blokkeren en waar toeristen slachtoffer zijn van roofovervallen, dus slaan we de beroemde watervallen van Aqua Azul over.
De camping in Palenque is weer een hippieverzamelplaats aan de rand van het oerwoud. De tegenwoordige hippie heeft geen gitaar, maar een trommel en regelmatig worden we verrast door een jamsessie van drums. Klinkt goed in combinatie met de junglegeluiden.
Groenten en fruit zijn hier spotgoedkoop. Zo kopen we een pond sperziebonen, een courgette, een groene paprika, 3 limoenen, 2 groene pepers, een komkommer en 2 bananen voor maar Euro 1,80. (dit schrijf ik alleen maar zodat mijn moeder weet dat we gezond eten!).
Onbegrijpelijk dus dat ik in Palenque voor 't eerst tijdens onze reizen goed ziek wordt. Ik ben blij met ons eigen toilet in de camper en ik breng er vier dagen en nachten op door.
Op zondag bezoeken we de ruines van Palenque die prachtig gerestaureerd zijn. Wel jammer dat vanwege de archeologische werkzaamheden een hoop gebouwen afgesloten zijn. Omdat de entree op zondag gratis is, is het er ook erg druk. Het is al de hele week somber bewolkt en PJ neemt niet eens zijn videocamera mee. Daar heeft hij wel spijt van als we achter een van de piramides een familie brulaap zien. Ze slingeren via de lianen van ons weg.

     
Als we maandag wakker worden is het voor 't eerst in een week een stralende dag. Eigenlijk waren we van plan om vandaag te vertrekken, maar gelukkig denken PJ en ik hetzelfde: we gaan vandaag nog een keer de ruines bezoeken. Nu is het er veel rustiger en we maken een leuke wandeling door de jungle langs half uitgegraven ruines. Ik krijg wel steeds meer bewondering voor de archeologen; wat een werk als je ziet hoe de bomen diep geworteld tussen de stenen zitten.
Als we teruglopen naar de camping, komt er ineens een handje uit de dichte begroeiing met een zakje.
"
Hee, psst, mushrooms?".
"Nee, dank je, pas ziek geweest…."
Deze camping staat bij de hippies namelijk bekend om de hallucinerende paddestoelen. Ik zie het al helemaal voor me dat zo’n onwetende
snowbird denkt:"Mmm, lekker vanavond biefstuk met gebakken champignons" . Wat zullen die een wilde nacht hebben…

21 januari 2003
Als we de provinciegrens van Campeche overgaan, moeten we stoppen voor een agrarische controle. Alle kip- en varkensprodukten moeten ingeleverd worden. Een dozijn eieren, worstjes en ingevroren kipfilets verdwijnen in de kiepelton. Als de man ook de rest van ons ingevroren vlees wil confiskeren zegt PJ resoluut:"
No, res (rund)" en ondanks dat de man hem eigenlijk niet gelooft, mogen we toch doorrijden.
We rijden voor een paar dagen zon, strand en zee naar de Golf van Mexico naar het kleine vissersplaatsje
Isla Aguada.

Hier kamperen we de eerste nacht gratis op de kade van de oude haven. Een paar nieuwsgierige kinderen hangen om de camper. De drie meisjes bewonderen mijn spierwitte nagellak. "Muy bonito".
"Willen jullie dat ook?", vraag ik.
Ik lak bij alle drie de nageltjes wit. "
Gracias, muy bonito", zeggen ze blij.
Ze vertrekken en wij gaan eten. Na een half uur zijn ze terug.
"
Money", roepen ze.
" Waarom?", vraag ik.
"Voor het overnachten", antwoorden ze.
Nou, dat is nog eens stank voor dank, ik heb net dertig nageltjes gelakt!
PJ wordt heel boos en zet zijn prikkeldraad gezicht op.
“Tu“, zegt hij met een barse stem en wijst op een van de meisjes, "Jij, jij moet betalen voor …“ en wijst naar zijn nagels.
Ze druipen snel af. Wij zijn erg teleurgesteld in de kinderen.


 

Drie dagen staan we op een camping aan de Laguna Terminos en hier zien we Becky en Dick en hun groep kampeerauto’s ook weer. Grappig dat we steeds dezelfde mensen tegenkomen.
Het strand en de zee zijn om de hoek en ik maak heerlijke wandelingen en verzamel schelpen, de grootste is bijna 35 cm lang.
Elke avond zien we pilotwalvissen in de lagune opduiken, maar ook grijze en witte pelikanen, fregatvogels, zwarte aasgieren, ooievaars, visarenden, ijsvogels, reigers, ibissen en caracara’s (roofvogels).

25 januari 2003
Vanuit de kust reizen we naar het oosten via
Escarcega. Na 100 kilometer gaan we van de doorgaande weg af om de ruines van Calakmul te bezoeken. Deze liggen in het Calakmul Biosphere Reservaat. We hopen op het parkeerterrein van de ruines te kunnen overnachten. Het begint al te schemeren en de weg is smal. PJ doet zijn best om overhangende takken te ontwijken. Na 20 kilometer stuitten we op een koord over de weg en we stoppen. Dan horen we een straal water lopen en ik zie dat we het aftapkraantje van de schoonwatertank eraf gereden hebben. Als eerste reactie stopt PJ zijn vinger in het gat als het jongetje bij de dijk.

 
"Wat nu?“.  We wisselen van plaats en PJ repareert het gat provisorisch. Ondertussen worden we al die tijd gadegeslagen door een jonge knul. Ernesto heet hij en hij vertelt ons dat we vandaag niet verder mogen, maar we mogen hier langs de kant van de weg wel overnachten. Ik geef hem een koud blikje Coca Cola.
“Hoe laat willen jullie morgen vertrekken?“, vraagt Ernesto.
“Om een uur of 8“.
Morgen is het zaterdag en het zal rond die tijd druk met verkeer zijn. Beter als we in de vroege uurtjes vertrekken, dan hebben we kans wild langs de weg te zien en Ernesto noemt de poema, tapir, wild zwijn en nog veel meer. Deze conversatie gaat geheel in het Spaans, maar met een beetje gebarentaal en een woordenboek komen we er wel uit.
We besluiten de wekker om 6 uur te zetten.
We eten tortilla’s met draadjesvlees (uit de vriezer, lang leve het elektrische kookplaatje).
“Zal ik Ernesto ook een tortilla brengen?“ stel ik voor.
Als ik met een tortilla verpakt in folie naar zijn hut loop, zie ik hem niet.
“Ernesto!“, roep ik.
“Si“, hoor ik vanachter zijn hut.
Als ik om de hut loop, staat Ernesto daar onder een jungle douche.
Oeps, genant moment. Ik laat de tortilla voor hem achter bij zijn houtvuurtje.
 

Om half 7 rijden we. We doen vijf kwartier over de laatste 40 kilometer en zien geen wild. Dan blijkt ook nog eens dat de archeologische vindplaats pas om 8 open gaat.
“Dat schiet lekker op, Ernesto“.
Stipt om 8 uur lopen we door een droge jungle de vindplaats op. We schrikken een paar keer een groep dwergpapagaaien op die luid krijsend wegvliegen.
"Die !"·$%&/ toeristen komen ook steeds vroeger“.
Ook hier zien we een familie brulaap (een stuk of zeven in verschillende maten) en een prachtige roodgekuifde specht.
De eerste ruines die we zien zijn niet zo indrukwekkend, maar dan komen we ineens op een plein met wel vier piramides. We beklimmen er een paar en vanaf de top hebben we prachtig uitzicht (360 graden) op de dichte jungle en we zien nog meer piramides boven het dichte bladerdak uitsteken. Schitterend. De stilte wordt alleen verbroken door krijsende gekleurde vogels.
Vier uur brengen we door in Calakmul en we komen alleen in de het laatste kwartier andere mensen tegen (een groep Duitse toeristen):
Op dat moment staan we net naar twee grote zwart met gele vogels te kijken.
“Waar kijken ze naar? Oh, vogels“.
De groep weet niet dat ze net onder een aap door zijn gelopen. We laten dat maar zo.


Op de terugweg naar de hoofdweg zien we fazanten, wilde kalkoenen, een mini toekan en zelfs een hertje. We zwaaien naar Ernesto. "Bedankt voor je goede advies, maar niet heus“:
Op weg naar Chetumal bezoeken we op zondag nog een stuk of vijf andere ruines en sparen hiermee bijna 30 Euro uit. Het nadeel van de gratis zondagen is dat de Mexicanen de parken dan als picknickplaats of speeltuin gebruiken. Zo zien we twee jongens ruines beklimmen waar het helemaal niet is toegestaan. Realiseren ze zich niet dat ze de oude Maya vindplaatsen onherstelbaar kunnen beschadigen?

De camping in Chetumal ligt aan de mooie blauwe Caribische Zee. Regelmatig vliegen er dwergpapagaaien over en nu kunnen we blauwe koppen, groene lijven, rode onderkant van hun vleugels en gele staarten goed zien. En wat maken die vogels een lawaai als ze vliegen! Hier ontmoeten we een leuk Amerikaans stel uit Vermont, Art en Sally. We trekken veel met hen op.
Ondertussen is er een mail van mijn nicht in Utah gekomen, waarin ze verteld dat er een boete van 400 dollar voor ons ligt van `De Staat van Utah´ omdat we onverzekerd rondrijden. Natuurlijk doen wij dat niet, we hebben een Mexicaanse verzekering, maar het kost even tijd voordat dat allemaal recht gebreid is.


Daarom blijven we twee weken in de buurt van Chetumal, waar we vlak bij de camping dagelijks kunnen e-mailen en de laatste stand van zaken kunnen lezen.
In de tussentijd horen we steeds meer negatieve verhalen over Guatemala. De politieke situatie is erg onstabiel, de leraren en de wegwerkers staken. Er is recentelijk twee keer een toerist doodgeschoten bij Lake Atitlan, we horen van roofovervallen op campings en de geruchten gaan dat mannen verkleed als militairen je stoppen en dan mag je blij zijn als je het er levend vanaf brengt. Van de
website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden we ook niet echt vrolijk. We twijfelen erg om nog verder door te reizen. Op http://guatemala.usembassy.gov/recent_incidents.html kun je je laten informeren over roofovervallen op buitenlandse toeristen.

 

 

 

Om de `tijd te doden´ wat betreft de verzekeringskwestie gaan we langs de Caribische kust omhoog richting Cancun. We belanden eerst bij een prachtige zoetwaterlagune (Laguna Bacalar) in zeven verschillende kleuren blauw en groen. Fijn wit zand ligt op de bodem en het water is kristalhelder. Er is geen douche en-of water op de camping, maar we gaan gewoon met een spons en zeep het water in.
Ook hier zien we weer vaak papagaaien en andere gekleurde vogels.

   
Verder naar het noorden tussen
Tulum en Playa del Carmen merken we dat er weinig over is van de idylische strandjes die we zeven jaar geleden gezien hebben, toen we voor een week naar Cancun vlogen. De campings zijn bomvol met Amerikanen en Canadezen in hun enorme kampeerauto's. Met de nieuwe veerboot wippen ze zonder moeite vanuit Florida over naar het schiereiland Yucatan.
We proberen tevergeefs alle strandje en campings uit. Tijdens een van die zoektochten lopen we een paadje in naar het strand.
Opeens pakt PJ mijn arm en stottert:"S-s-s-s-s-s-slang!!!"
En er ligt toch een joekel van een constrictor tussen de dode bladeren naast ons pad! Z'n in verhouding kleine kop beweegt gevaarlijk heen en weer. PJ maakt zich uit de voeten en ik maak foto's en video.

 
Tijdens een andere zoektocht zien we voor 't eerst een lepelaar; een wit met roze vogel met een lepelvormige snavel. En tijdens het snorkelen zwem ik tot twee keer toe over een pijlstaartrog, die inclusief zijn venijnige staart net zo lang als ik is. Langs de kust zien we veel leguanen in alle maten, die met hun kop beginnen te knikken als we te dicht in de buurt komen.
We gaan in Puerto Aventura naar 'zwemmen met de dolfijen' kijken. Het zelf doen is boven ons budget, maar kijken is hier gratis. Grappig om te zien dat de dolfijnen, die in groepjes in verschillende natuurlijk aandoende basins zwemmen, ook zonder oppassers of zwemmers allerlei 'kunstjes' uitvoeren. Zoals met hun hele lichaam uit het water opspringen, klappen met hun staart op het water en met z'n vieren synchroon met hun rug boven het water uitduiken.

   

1 maart 2003
We kunnen gratis overnachten in het
Sian Ka'an Biosphere Reserve; een dik 5000 vierkante kilometer groot reservaat van tropishce jungle, moeras, mangroven, eilandjes en witte zandstranden. Het strand hebben we voor ons alleen en de camper staat in de schaduw van een paar palmbomen. Hebben we dan eindelijk het ideale strandje gevonden? Nee, dus! Net na zonsondergang op de tweede dag komt er een Amerikaan langs die ons waarschuwt dat er hier vaak ingebroken wordt. We voelen ons meteen niet veilig en vertrekken in het donker en overnachten bij een benzinestation (wat is nu veiliger?).

In Cancun ontmoeten we het Zwitserse stel, Martin en Daniella, weer, die we nog van Hyder, Alaska kennen! Zij zijn op weg naar Zuid Amerika, maar hebben al besloten terug naar Los Angeles te gaan om hun voertuig te verschepen naar Chili! Hun Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zelfs nog een negatievere site.
Uiteindelijk hakken we de knoop door en besluiten niet verder Midden Amerika in te reizen. Alleen het land Belize zullen we nog bezoeken.

Uiteindelijk stranden we in Paamul; een grote veel te dure camping. Maar onze hangmat hangt in een papala (=vier palen met een rieten dak) en in het gezelschap van de Zwitserse Daniella en Martin en hun Oostenrijkse vrienden vermaken we ons wel een paar dagen en dan maken we ons klaar om een aantal weken de voormalige Britse kolonie van Engeland te bezoeken.

 


met een toucan in de kooi

Reisverslag Belize

11 maart 2003
Bijna maken we rechtsomkeert bij de grens van Mexico! Niet omdat we zo zenuwachtig zijn; wat wil je, het is al weer 5 maanden geleden dat we een grens zijn gepasseerd, maar omdat de immigratie officier onze toeristenkaart (=visum) niet wil innemen. Hij wijst ons erop dat de kaart nog anderhalve maand geldig is.
"Nee, we gaan heel lang naar Belize, dus we zijn pas terug in mei. U moet ons visum innemen, zodat we weer een nieuw visum kunnen aanvragen als we terugkomen in Mexico".
Nu hebben we spijt dat we ons niet meer verdiept hebben in de taalcursus Spaans, want deze volzin krijgen we er niet uit en we moeten ons behelpen met wat haperige woorden Spaans.
"Als hij onze toeristenkaart niet inneemt, verloopt het over zes weken en moeten we dus over zes weken terug in de USA zijn...dan ga ik niet ook nog Belize in", merkt PJ droog op.
De man gaat uiteindelijk overstag en geeft onze paspoorten terug zonder toeristenkaart. Natuurlijk zijn we niet van plan zo lang in Belize te blijven, maar als we  weer terugkomen in Mexico willen we graag ruim de tijd hebben om weer terug te reizen naar Amerika en daar hebben we een nieuw Mexicaans visum voor nodig.

Om Belize in te komen, moeten we eerst een autoverzekering afsluiten. We nemen een verzekering voor een maand. Daarna wordt voor 4 Euro de buitenkant van de auto bespoten om alle Mexicaanse ziektekiemen te verwijderen.
Bij de immigratie krijgen we voor dezelfde periode een visum.
"Heeft u vlees of vers fruit?", vraagt de douanier in een zangerig Caribische Engels.
"Nee", liegen we.
"Bier?".
"Ja, een blikje of tien", antwoordt PJ.
"Dat mag niet".
"Dat mag niet?", roepen we in koor.
Omdat Belize een eigen bierbrouwerij heeft, Belikin, mag er geen bier ingevoerd worden. Maar die tien blikjes voor eigen consumptie worden oogluikend toegestaan. Natuurlijk zuipen we dat zelf op!
Belize is een voormalig Britse kolonie en de voertaal is Engels. Zo kunnen we weer zonder moeite converseren en grapjes maken met de douanebeambten, hoewel we soms wel moeite hebben met dat Caribische Engels. Binnen een uur hebben we beide grenzen gedaan en rijden we naar de camping, slechts twee kilometer verderop.
Belize is ongeveer zo groot als Nederland en heeft nog 70% van zijn originele regenwouden. Een derde van het land is beschermd natuurgebied. De grootste toeristen attractie is het 250 kilometer lange Belize Barrière Rif, maar daarvoor moeten we op de vele eilandjes zijn. Die noemen ze hier Cayes, spreek je uit als khies. Helaas kunnen we daar niet komen met onze camper, maar op het vaste land zal vast ook genoeg te zien te zijn. We hebben onze zinnen gezet op een toekan en volgens
vogelaars hebben we op de eerste camping een grote kans.
"Helaas,", vertelt de campingeigenaar, "dit jaar heb ik ze nog niet gezien. Meestal zitten ze ´s morgens vroeg in die boom daar", en hij wijst op de boom naast onze camper!
Ach, we hebben nog een paar weken voor onze speurtocht. Er vliegen hier wel veel papagaaien rond, ook leuk.
Er komt een bekende camper het terrein oprijden. Het is de naar Canada geëmigreerde Dietrich, die we twee dagen geleden in Chetumal, Mexico, ontmoet hebben. Dietrich vertelt dat hij maar voor vier dagen een autoverzekering heeft genomen.
"Waarom maar zo kort?", vraag ik verbaasd, want ik weet dat hij niet op doorreis is naar Guatemala.
"Er is toch niets te zien in Belize".
"Waarom ben je hier dan?".
"Om er geweest te zijn", antwoordt Dietrich.
Hij vertrekt meteen want hij moet het hele land nog 'doen' in vier dagen. Hij kwam alleen maar even gedag zeggen.

De eerste stad na de grens is Corozal, waar we een e-mail versturen. De huizen zijn van hout en vaak twee verdiepingen hoog. Meestal is op de bovenste verdieping een veranda en een brede trap ernaartoe. De bevolking heeft voornamelijk een donkere huidskleur en is onder te verdelen in: Creolen, afstammelingen van de Afrikaanse slaven, Mestizos, Europeanen gemixt met Midden Amerikaanse Indianen, en afstammelingen van de Maya´s. De mensen zijn vrolijk en spreken ons zowel letterlijk als figuurlijk aan. We wanen ons in Afrika.
Bij wat straatstalletjes koop ik vers fruit, maar de echte boodschappen hopen we in
Orange Walk, de op een na grootste stad van Belize, te doen.
Die stad ligt dertig kilometer verderop, maar valt tegen qua boodschappen. Met moeite vinden we in een eenrichtingsstraat een supermarkt zonder verse groenten en alleen diepgevroren vlees, waarvan alleen de hamburgers, de kipfilets en wat varkensvlees er redelijk uitziet. Ik wou dat we vegetariërs waren... Sommige artikelen zijn schrikbarend duur. Bijvoorbeeld een twee liter pak sap kost 7 Euro, een kuipje margarine 5 Euro en een zak chips ook 5 Euro en laten we dus maar links liggen.
Zelfs bij de bakker verkopen ze alleen vies (fabrieks) witbrood, maar al gauw ben ik een kei in het maken van ham-kaas tosti´s in de koekenpan. Niet van een tosti-ijzer te onderscheiden.
We overnachten bij een restaurant met cabañas (vakantiebungalows). Ze hebben er een
magay cat in gevangenschap. Dat is een soort mini jaguar, ter grootte van een huiskat met een hele lange staart. Hij ziet er niet eens zo erg ontevreden uit in zijn kooi.

14 maart 2003
Verder naar het zuiden over de
Northern Highway. Kinderen lopen in school uniform. De jongens dragen een wit overhemd en een lage broek. De meisjes een witte blouse en een overgooier. De kleur van de broek en overgooier wisselt bij elk dorp van kleur; van zwart naar blauw, geel, beige en rood.
Het doet me deugd de kinderen weer naar school te zien gaan. In Mexico zien we veel te vaak veel te jonge kinderen onze boodschappen in de supermarkt inpakken op een tijdstip dat ze op school hadden moeten zijn.
Onderweg zien we een
laughing falcon. Deze valk dankt zijn naam aan het haast menselijke lachgeluid dat hij maakt. Helaas valt er nu even niets te lachen.
Ons eerste park in Belize is de
Crooked Tree Wildlife Sanctuary vooral een paradijs voor vogelaars. We zien meteen een vijftigtal snail kites. Deze roofvogels leven alleen van slakken die ze uit het diepe water opvissen en met hun scherpe super kromme snavel eruit peuteren. Nadat we de entree betaald hebben, mogen we gratis langs de lagune kamperen.

"Zitten hier ook toekans?" vragen we de ranger.
"Ja, als de mango´s rijp zijn".
"Wanneer is dat?"
"Volgende maand".
-zucht-

Op een droog liggend stuk in de lagune staan een stuk of dertig zeldzame jabiru ooievaars. Deze anderhalve meter hoge witte vogel met een zwarte kop en een rode veerloze halsband heeft een vleugelspanwijdte van drie meter. Dat is bijna net zo wijd als de condor!


In en om het dorp lopen allerlei wandelpaden waar we weer veel andere vogelsoorten zien. We blijven er drie dagen kamperen.
Op een middag komt er een oude vrouw met een kindje op haar arm langs en ze ploft ongevraagd in een van onze tuinstoelen.
"
Hot", zucht ze.
Het kindje zit onder de korstjes en beten op zijn beentjes. De vrouw heeft geen tanden en een gerimpeld gezicht. Ik neem aan dat ze de oma van het jongetje is, totdat ze ineens een gerimpelde borst tevoorschijn haalt en het kind begint te voeden.
"
You like Crooked Tree?", vraagt ze onverstoorbaar.
"Yes".
"
Like birds?".
"Yes".
Tegen het jongetje spreekt ze Creools, een combinatie van Engels, Afrikaans en andere talen. Pas nadat het kindje mijn zonnehoed onder gekwijld heeft, bijna een gat in de hordeur geslagen heeft, onder de auto is gekropen en de tuinstoelen heeft afgelikt, vertrekken ze weer. Ik ga gelijk met chloor en een doekje in de weer.
De laatste morgen voor ons vertrek vraag ik aan een van de vissers of hij mij dichter naar de ooievaars wilt varen.
"Tuurlijk".
In een smalle wankele kano, bepakt met video en camera brengt de jongen mij tot op een meter of twintig bij deze imposante vogels. PJ laat verstek gaan, water en PJ gaan nu eenmaal niet samen. Ik heb er spijt van dat ik dit gisterenmiddag niet durfde te vragen, nu staat de zon midden in mijn lens en zullen de foto's niet zo bijzonder zijn.

17 maart 2003
We volgen de
Northern Highway naar het zuiden en vlak voor Belize City, de voormalige hoofdstad, nemen we een onverharde weg naar het westen.
Er steekt ineens een
white-nose coatimundi over; een vrij groot harig zoogdier met een lange staart die parmantig gekromd omhoog staat. In het Nederlands wordt dit een neusbeertje genoemd, maar is net zo min beer als de wasbeer, waar hij trouwens familie van is. Er volgen er nog twee. Later horen we dat ze soms in troepen van wel vijftien dieren leven en rondtrekken. Als we wat langer gewacht hadden, hadden we er misschien nog meer zien oversteken (of niet).
 
We rijden naar de Community Baboon Sanctuary. In 1985 is hier op initiatief van de lokale boeren een project gestart om de met uitsterven bedreigde zwarte brulapen te beschermen. Elke boer heeft een stuk jungleland afgestaan dat aan de Belize rivier grenst. Hierdoor ontstond een zogenaamd brug-reservaat waar nu zo´n duizend brulapen voldoende leefgebied hebben om voort te kunnen bestaan.
We bezoeken het kleine museum van de
sanctuary, meer een soort knip- en plakwerkje van een schoolproject en betalen 10 Euro. Dit geeft ons recht op een privé tour met een gids naar een van de troepen apen.


Het is 12 uur ´s middags, 40 graden Celsius, dus veel te heet voor een wandeling. We bewaren de rondleiding wel voor morgenochtend.
We kamperen op het ernaast gelegen
Nature Resort, gezellige houten cabañas met rieten daken en veranda´s zijn her en der verspreid over een dor grasland. Aan drie kanten zijn we omgeven door dichte jungle. PJ parkeert de camper aan de rand en al gauw hangen de hangmatten onder een cashewnotenboom.
Heel in de verte horen we brulapen. Het klinkt een beetje als een voetbalstadion waar tienduizend supporters tegelijk: "Goooaaaal.....goooaaaal!" roepen.
Ik zie een paar jongetjes met drie leguanen lopen. Het zijn van die mooie groene. Helaas zijn hun poten op hun rug gebonden en zijn ze bestemd voor consumptie. Voor 4 Euro per leguaan kunnen we ze uit hun lijden helpen (door ze los te laten), maar waarschijnlijk worden ze dan volgende week opnieuw gevangen genomen.
De grootste wordt dezelfde dag nog verkocht, maar de anderen liggen twee dagen later nog in het schuurtje, levend, vastgebonden en zonder eten.

   

Om half twee ´s nachts worden we wakker van een oorverdovend lawaai. Twee rivalerende apen aan beide kanten van het
resort brullen de longen uit hun lijf. Ik glip uit bed, pak de videorecorder, stap naar buiten en terwijl ik een rode(!) volle maan film neem ik het geluid op. Waanzinnig!

De volgende morgen horen we weer een mannetje brullen, weer heel dichtbij. Wayne, de neef van de eigenaar, vraagt of we de apen ook willen zien.
"Nou, graag!".
Hij neemt ons mee over een junglepaadje en al snel zien we boosdoener van het geluid en zijn familie. Het is een prachtig gezicht om de keel van de aap op te zien zetten, de lippen te zien tuiten en dan het vormen van de ovaal en het "whoooaaaah" te horen. De keel dient als klankkast, waardoor het geluid tot 1,5 kilometer ver te horen is. De vijf apen verplaatsen zich langzaam en komen steeds lager. Een jong mannetje neemt ons nieuwsgierig op en komt steeds dichterbij. Nog geen meter van ons vandaan steekt hij een armpje naar ons uit. Ik steek hem een blaadje toe en had zijn handje kunnen schudden...daar sta ik dan met mijn 400 mm telelens, deze aap is veel te dichtbij! Wat een sensatie en dit kost niets. We hebben spijt dat we al voor de rondleiding met gids hebben betaald, dit is toch veel leuker. Ondertussen druipen we van de transpiratie, m´n blouse is helemaal doorweekt en mijn pony plakt op mijn voorhoofd. En het is pas half 9 ´s morgens!

           

Om een uur of 5 ´s middags komt er een tourbus het
resort oprijden en een groep jonge mensen stapt uit. Dit wordt professioneel gefilmd door een filmcrew. Het blijkt een groep Belgen te zijn die opnamen maken voor de zesdelige serie "Reis van je leven". We houden ons netjes op de achtergrond, maar kunnen niet voorkomen dat onze camper (en wij) af en toe precies in de lijn van de camera staan. Deze groep reist door Belize, Guatemala en Mexico. De serie wordt in april en mei uitgezonden op VTM. Kijken of je ons ziet!

19 maart 2003
We volgen de
Western Highway richting Guatemala. Het land wordt heuvelachtig en de bomen hoger. Volwassen mensen beginnen enthousiast te naar ons te zwaaien. ´t Is net Afrika. Een schril contrast met deze uitbundige Creolen zijn de Mennonieten; streng religieuze Duitse immigranten. Rijdend in paard en wagen zijn de mannen gekleed in een kobalt blauwe overhemden en zwarte bandplooibroeken met bretels en strooien hoeden. De vrouwen dragen hoog gesloten lange jurken in saaie kleuren, een kanten dopje op hun lange gevlochten haren. Ze hebben bleke blonde kinderen. ´t Lijkt het Kleine Huis op de Prairie wel! Er wonen zo´n 3000 Mennonieten in Belize.
In
San Ignacio vinden we een echte camping, compleet met water, stroom en hete douches. Die douche laten we even zitten, want het is 42 graden. Dat maakt het totaal aantal campings in Belize twee, helaas zien we geen andere kampeerders.

We besluiten naar de Maya ruines van
Caracol te rijden over een onverharde weg van 75 kilometer. Eigenlijk is onverhard niet de juiste benaming, want de weg is keihard, met scherpe stenen, breedteribbels (wasbord) en soms diepe gleuven. We stoppen onderweg bij een vlinderboerderij, waar we een rondleiding krijgen door een serre met tien soorten vlinders. Vooral de Blue Morpho vlinder is indrukwekkend; handgroot en als ie vliegt lichtgevend blauw.
De weg naar Caracol loopt door het
Mountain Pine Ridge Reserve; een tropisch dennenbos dat na 50 kilometer overgaat in een  tropisch regenwoud met vijftig meter hoge mahonie- en ceibabomen.
We sukkelen langzaam door, maar als we uit een bocht komen, worden we bijna aangereden door een veel te hard rijdende toerist in een huurauto. De tegenligger remt onbeheerst, raakt in een slip en mist ons rakelings. Idioot!
Wij doen drie uur over deze weg. Bij de ingang van Caracol zien we een museum, een groot grasveld omzoomt door hoge dichte jungle en drie vrolijke rangers.
Het is geen probleem dat wij hier willen overnachten en daar hoeven we niet voor te betalen. Ook hoeven we maar eenmalig voor de
site te betalen en mogen we er de komende dagen zo vaak oplopen als we willen.
"Jullie willen een toekan zien? Nou, dat moet geen probleem zijn", zegt ranger Gustavo.

Nog geen uur later springt hij op. "Ik hoor een toekan, ga je mee zoeken?".
- krrrrk, krrrrk -
"Bedoel je dat kikker gekwaak? Is dat het geluid dat een toekan maakt?".
PJ is net een douche aan het nemen in de camper, dus ik ga alleen mee met de ranger. De jungle is dichtbegroeid met varens, kamerklimplanten en enorme wurgvijgenbomen die andere grote bomen langzaam verstikken. We lokaliseren de toekan inderdaad, maar meer dan een wegvliegend silhouet zie ik niet.
Terug bij de camper ontdekt PJ een tweede toekan in een hoge boom aan het grasveld. Met de verrekijker kunnen we nu goed de enorme gele snavel zien met de oranje vlek en rood-paarse punt. Zijn lijf is zwart met een knalgele borst en er zit rood onder zijn staart. Hij is kleiner dan ik dacht, maar in een vijftig meter hoge boom lijkt natuurlijk alles klein!. Ik knijp PJ in zijn arm van opwinding. Een wens komt uit.

   
Samen lopen we de archeologische vindplaats op. Op dit moment wordt er druk uitgegraven, opgebouwd en gerestaureerd. Er is een kamp met wel 170 Mexicaanse arbeiders, zeven koks en een stuk of twintig Canadese archeologen. We weten niet of ze hier in Belize een andere techniek gebruiken dan in Mexico, maar de gerestaureerde Maya ruines zien er erg wit en nieuw uit. De stenen beeldhouwwerken zijn in perfecte staat en hebben soms zelfs kleur. Pas de derde dag ontdekken we hoe dit komt: van de originele beelden worden mallen gemaakt van fiberglas, die worden over de originele beelden geplaatst en dan bespoten met 'beton'. We begrijpen dat dit de kwetsbare originelen beschermt, maar nu kijken we toch wel naar een heel erg namaak geheel. Op een andere plek zitten een paar Mexicanen met behulp van foto´s gewoon nieuwe beelden te kleien, letterlijk met hun handen en spatels. Misschien ziet het er over tien jaar net zo verweerd uit als bijvoorbeeld Palenque, maar nu is het net een theaterdecor.
Vanaf de top van de 42 meter hoge Canaa tempel hebben we weer een mooi uitzicht over het oerwoud en zien we een koningsaasgier vliegen.
De Caracol vindplaats is 88 vierkante kilometer groot en er zijn al 36.000 'gebouwen'  ontdekt. Overal zien we heuveltjes in het oerwoud. Er moet nog veel opgegraven worden.
Tegen de schemering zien we nog drie toekans en met Gustavo beklimmen we na sluitingstijd nog een keer de Canaa tempel om de zon te zien ondergaan.
PJ en ik wachten het opkomen van de rode maan niet af, want dan moeten we in het pikkedonker die steile trappen weer af en dat lijkt ons een beetje te riskant. Gustavo doet dit elke dag, dus hij blijft er nog even.

   

Als ik 's morgens na een heerlijke wandeling door het regenwoud terug kom bij de camper, vertelt PJ dat hij in de tussentijd allemaal bloedblaasjes in zijn liezen ontdekt heeft.
Als ik zijn liezen van dichtbij bekijk, roep ik vol walging uit:"Dat zijn geen bloedblaasjes, getver, dat zijn teken!".
Gewapend met pincet en een watje gedrenkt in alcohol onderzoek ik PJ nauwgezet en verwijder een stuk of twintig piepkleine teken uit zijn liezen, schaamstreek, bovenbenen en onderrug. Slechts 1 heeft zich al behoorlijk volgezogen met bloed en laat moeilijk los.
"Hoe kom je hieraan?", vragen we ons natuurlijk af.
Als ik in het bed nog drie teken ontdek, vermoeden we de oorzaak. De teken hebben zich vanuit de boom boven onze camper laten vallen en zijn zo klein dat ze door de hor van het dakluik zo midden op zijn lichaam zijn gevallen. Dat verklaart ook waarom ze niet op zijn kuiten en of borst zitten.
Natuurlijk word ik ook onderzocht en ook bij mij ontdekt PJ er (gelukkig 'maar') drie. We zijn als de dood dat deze teken de Ziekte van Lyme bij zich dragen, wat (onbehandeld) chronische artritis kan veroorzaken. We pakken het Medisch Handboek voor de Wereldreiziger erbij en tot onze opluchting komt dat soort teken hier niet voor. Nu is het alleen vreselijk smerig, maar gelukkig waren we er op tijd bij. Het beddengoed verschonen we en we proberen deze nare ervaring zo snel mogelijk te vergeten.

Na drie dagen vertrekken we. We hebben in totaal vijftien keer een toekan gezien, vijf soorten papagaaien, maar ook andere exotische vogels, brulapen, een zwarte schorpioen en de aracari; het kleine broertje van de toekan. Ondanks de tekenplaag en de moeizame rit hiernaartoe het de moeite waard geweest.

23 maart 2003
Na twee nachten op de echte camping in
San Ignacio rijden we over de Hummingbird Highway naar het Cockscomb Basin Wildlife Sanctuary; ook wel Jaguar Preserve genoemd. Dit 450 vierkante kilometer reservaat is ter bescherming van de habitat van de jaguar en uniek ter wereld. Voor 10 Euro per nacht mogen we op het parkeerterrein overnachten. Gelukkig mogen dan wel van de (koude) douche gebruik maken. Het reservaat heeft veel wandelpaden, van kort (1 km) tot lang (42 km) en alles daartussen, allemaal dwars door het dichte oerwoud. Als we aankomen is het nog veel te warm voor een wandeling, dus stellen we dat nog even uit. Maar om drie uur gaat het omweren en bliksemen en daarna gieten van de regen. Als het om half zes opklaart willen we toch  nog wel een eerste wandeling maken. Maar in het dichte oerwoud wordt het al snel schemerig. Hand in hand lopen we over de glibberige paden. Dit is niet alleen romantisch, maar ook functioneel, omdat ik steeds uitglijd. Ook vind ik het best een beetje eng zo in de schemering. Een uurtje later, net voor het donker zijn we terug bij de camper.

De volgende morgen staan we vroeg op om weer een wandeling te maken. We zien geen zoogdieren, maar wel een paar aparte vogels. Onder andere de
crested guam, een soort kalkoenachtige vogel die graag hoog in de bomen rondscharrelt. Hij maakt daarbij een verontwaardigd tokgeluid en verslikt zich dan steevast als hij een vruchtje eet.
Terug bij het kamp ontmoeten we Bart, een jonge Nederlandse bioloog die warmtecamera's op de paden plaatst en zo bijhoudt hoeveel jaguars er in het park leven. Zodra een warm ding langs de camera loopt, drukt het automatisch af.

"Wat staat er het meeste op je foto's?", vraag ik.
"Vooral mensen".
"Hoelang ben je hier al?".
"Twee maanden".
"En heb je al eens een jaguar gezien?".
"Slechts eentje, heel ver weg".

De kans dat wij in die paar dagen een jaguar zien, is natuurlijk erg gering, maar wat schertst mijn verbazing als ik het 'wildlife spotting' boek open: Gisteren is er twee keer een zwarte jaguar gesignaleerd! Helemaal bijzonder, omdat volgens Bart hier vooral gevlekte jaguars leven (een stuk of 50) en bijna geen zwarte.
Drie dagen lopen we over de wandelpaden in de hoop een miereneter, tapir, brulaap, neusbeertje of jaguar te zien, maar verder dan mooie vogels komen we dit keer niet.
Vanwege vervelende bijtvliegjes lopen we in lange broek, t-shirts of blouses met lange mouwen en op bergschoenen. We douchen ons twee keer per dag, maar we zouden wel elk uur schone kleren aan willen trekken. Wat een klamme hitte hangt hier.
We zien elke dag dezelfde tourgidsen, maar met andere toeristen. Gids Claude vertelt dat hij in tien jaar tijd zeven keer een jaguar heeft gezien. Nou, dan is grizzlyberen kijken toch gemakkelijker!
Het valt ons ineens op dat we hier geen papagaaien zien. Al twee(!) maanden lang zien of horen we ELKE dag wel papagaaien. En elke keer vinden we dat weer net zo bijzonder als de eerste keer.

Na drie dagen Cockscomb rijden we over de
Southern Highway naar het schiereiland Placencia. Hoe zuiderlijker we komen, hoe donkerder de huidskleur van de bevolking. De huizen in Placencia zijn van verweerd hout en staan op palen. Geen glas in de ramen en de gordijnen zijn opgeknoopt om een zuchtje wind binnen te laten. We kunnen geen plek vinden om te overnachten, dus rijden we over de Coastal highway naar het noorden. Deze weg is niet geasfalteerd, maar snijdt een flink stuk af. In Gales Point gaan we even van de route af en rijden het dorp in. Er zou hier volgens de borden een camping moeten zijn, maar die blijkt helaas niet toegankelijk voor kampeerauto's. De pikzwarte Garifu negerfamilies zitten heel relaxed op de veranda's van hun armoedige huizen, maar zien er gelukkig uit. We zien veel blote kinderen en rastakoppies.

Terug op de Coastal highway zien we in een enorme boom een stuk of dertig hangnesten in aanbouw van de
Montezuma Oropendola. Dat is een mond vol, maar het is ook een heel speciale vogel. Het mannetje; een grote bruine vogel met gele staartveren en een brede rood met zwarte snavel en witte wangen, bouwt een lang hangend nest. Als hij klaar is, lokt hij er een vrouwtje in. Zij gaat eens flink op en neer springen en als ze erdoorheen zakt, is het meteen over met de liefde. Blijkt dit nest stormvast te zijn, legt ze haar eieren erin. Deze vogels maken ook wonderlijke geluiden. Het klinkt een beetje als een ouderwets blikken kinderspeeldoosje, maar dan moet je voorstellen hoe dat klinkt onder water en ook nog eens heel hard. Zeer lachwekkend is om te zien hoe het mannetje tijdens dit geluid een soort halve koprol voorover maakt en dan toch kans ziet weer op dezelfde tak terecht te komen.

Tussen de vogels onderling wordt veel gevochten. Niet zo verwonderlijk, want ik zien een vogel die niet de moeite neemt z'n nestbouwmateriaal van ver te halen, maar gewoon de sprietjes uit een ander nest trekt. Dit natuurlijk tot groot ongenoegen van de rechtmatige eigenaar van dat nest.
We kunnen maar moeilijk afscheid nemen van deze bijzondere vogels.
We komen halverwege de
Western Highway uit en overnachten op het parkeerterrein van een restaurant. We proberen maar meteen de Belize specialiteit uit: rijst met bonen en kip.

De volgende morgen gaan we naar de
Belize Zoo. Normaal ben ik niet zo happig op dierentuinen, ik vind het al gauw zielig voor de dieren, maar hier zijn de kooien groot en leven de 50 soorten Belize dieren in hun natuurlijke omgeving. Het zijn allemaal dieren die aangeschoten zijn, of als huisdier onhandelbaar of wezen en krijgen hier dus een tweede kans.
Soms moeten we best lang zoeken voordat we een dier in zijn dicht begroeide kooi gevonden hebben en een paar keer vinden we het dier zelfs helemaal niet! Toppunt van luiheid zijn de buitenlandse toeristen die de dierentuin met een gids bezoeken en hem laten zoeken naar de dieren.

Als we voor een kooi met toekans staan, komt er een kinderklasje naast ons staan.
"Dit is de toekan, de nationale vogel van Belize" vertelt de juf.
Als de kinderen spontaan het Nationale Volkslied beginnen te zingen, kunnen wij ons lachen niet meer houden. De juf maant ze snel tot stilte.
"Nee, jullie hoeven het volkslied niet te zingen als je de toekan ziet!".
In deze dierentuin zien we alle dieren die we in 't wild niet gevonden hebben, zoals de tapir, miereneter, tayra (soort wezel), magay cat, poema, ocelot en natuurlijk een zwarte en gevlekte jaguar. De foto's hiervan zijn bijzonder goed gelukt en alleen als je het weet, kun je zien dat ze in de dierentuin genomen zijn!

 
's Avonds overnachten we weer bij het
Nature Resort. Wayne vraagt of we morgenochtend naar een cricket wedstrijd komen kijken die om tien uur begint. De brulapen laten deze nacht niet van zich horen.

Als er de volgende morgen om half 11 nog steeds geen spelers te zien zijn, begrijpen dat in Belize net zoals in Afrika tijd als rubber is en we blijven niet langer wachten.
Vlakbij
Orange Walk rijden we naar de rivier waar we voor morgen een boottocht reserveren naar de ruines van Lamanai. We mogen gratis overnachten op het parkeerterrein. Als we de volgende dag wakker worden, is het een sombere grijze regenachtige dag. Voordat wij 35 Euro per persoon neertellen voor een boottocht, moeten de omstandigheden wel perfect zijn. Zo dus niet!
Als niemand kijkt, glippen we snel de auto in en rijden we naar de allereerste camping. Op maandag gaan we de grens over, na drie leuke weken in Belize. Van de Mexicaanse immigratie officier krijgen we zonder dit te vragen een toeristenkaart voor drie maanden. Nu hebben we alle tijd om terug te reizen naar de USA.

15 april 2003


Het gele stadje Izamal


De grotten van Balanchanche


Ruïnes van Uxmal


Vliegende wood storks

 

We hadden het bijna voor elkaar: onze Mexico reis was goedkoper dan onze huuropbrengst, maar.....

Gisteren hebben we wat cultuur gesnoven in een museum-beeldentuin-dierentuin La Venta in Villahermosa. Toen we na twee uur terugkwamen ontdekte PJ dat onze fotokoffer met inhoud uit de auto verdwenen was!!!.
Hierin zat onze tweede (nieuwe) fotocamera met telelens, videotelelens en dure verrekijker. Het slot aan de passagierskant was geforceerd. (nog blij dat ze geen ruitje hebben ingeslagen) Gelukkig hebben de inbrekers de deur na de inbraak weer netjes afgesloten.
Iets terugkrijgen van de verzekering kunnen we natuurlijk wel vergeten; heb je de voorwaarden wel eens gelezen? We hebben dus maar niet de moeite genomen om een politiebureau te zoeken.

                     

Het is nooit onze bedoeling geweest zo snel naar de USA te reizen, want dan hadden we geen nieuw visum voor Mexico aan hoeven te vragen! Maar tijdens onze terugreis stapelen kleine en grote ergernissen zich op.
Allereerst hebben we er enorm de pest over in dat ons foto apparatuur gejat is.
Als we bij de Costa Esmeralda aankomen om de paasdagen door te brengen, blijken alle vijftien (is uniek voor Mexico) campings overvol te zijn. Als dan ook nog blijkt dat de goedkoopste camping 20 Euro per persoon vraagt (dat is het viervoudige van normaal!) rijden we snel verder.
We bezoeken de ruines van Tajin (verrassend anders dan we tot nu toe bezocht hebben) en zien een moeder die haar zoontje helpt met een plas: tegen een van de ruines! Nou, daar zakt mijn broek ook van af! Verder negeren de Mexicanen massaal de borden 'verboden de ruines te beklimmen' en staan springend en stampend op fragiele overhangsels. Jongens, dit is jullie erfgoed, daar hoor je zuinig op te zijn!
Verder werkt het weer ook niet mee: het is zwaarbewolkt en toch 33 graden, dus erg mokkig.
Ik had nog een aantal junglereservaten op het programma staan, maar als ik vogels moet kijken zonder verrekijker, moeten ze wel erg groot zijn!
Verder is PJ de Mexicaanse wegen ineens scheitziek (sorry, dat zijn zijn woorden). Hij kan geen twee tellen om zich heen kijken of we kukelen in een
pothole (=gat in de weg), denderen over een tope (=ontzettend gemene verkeersdrempel) of donderen in een vado (=dip in de weg).
Soms moeten we wel drie keer op een dag door een militaire controle (dat krijg je als je zo snel reist) en het is heel irritant om te zien dat een hele rij auto's voor ons mogen doorrijden en wij er steevast uitgepikt worden. Als we allebei onze irritatie niet kunnen verbergen, krijgen we de meest uitgebreide check in zes maanden. Een militair klimt zelfs met z'n laarzen aan op ons bed om de opbergvakken rond het bed te onderzoeken! Dat is nog niet eerder gebeurd.

En dan zijn we ineens nog maar een dag rijden van de Amerikaanse grens vandaan.
Blijkbaar is zes maanden Mexico even genoeg voor ons, alhoewel we er zeker nog naar terug willen en we nog steeds niet alles gezien hebben wat we wilden zien.
De laatste dag in Mexico gebruik ik om te snorkelen in de Coahuila woestijn. Nooit gedacht dat dit mogelijk is, maar in een lauw-warme bron zwemmen vissen en schildpadjes en is het goed vertoeven. We kunnen er zelfs kamperen.

Als we grens van Mex-USA overgaan , krijgen we aan de Amerikaanse kant een uitgebreide controle van de auto. Er gaat zelfs een drugs-hond de camper in die zonder pardon op het bed springt! Nou, dat kan er ook nog wel bij.

terug