Reisverslag Mexico 2004

door Claudia and PJ Potgieser

 

home

terug

Januari 2004
Op 5 januari vinden we dat we lang genoeg gewacht hebben met het naar Mexico gaan. De kerstdrukte moet nu wel voorbij zijn.
De grensovergang is zo verwarrend dat we met een grote boog weer in de USA terechtkomen. Eerst denken we nog dat we al in Mexico zijn, maar de Engelstalige uithangborden verraden dat we nog steeds in Amerika zijn. We proberen het opnieuw en gaan zigzaggend tussen allerlei betonblokken door en dan zijn we in Mexico.

Hier hebben ze een apart systeem van auto’s controleren. We moeten voor een rood stoplicht gaan staan en PJ moet zelf op een knop drukken. Wordt het licht groen, mogen we doorrijden zonder dat we gecontroleerd worden. Blijft het licht rood en gaat er tevens een harde bel rinkelen, worden we aan de kant gesommeerd en volgt er een inspectie van de auto. Dit systeem berust dus op echt op willekeur. Helaas hebben de douanebeambten hier andere ideeën over, want ondanks groen licht, zijn we altijd geïnspecteerd! Ook nu worden we aan de kant gezet. Tot onze grote verrassing spreekt de beambte goed Engels en dat terwijl we een echt kleine grensovergang hebben gekozen.
”Hoe komt het dat jullie zo goed Engels spreken”, vraagt de douanebeambte als wij hem vertellen dat we uit Holanda komen.
”Ik vind juist dat U goed Engels spreekt”, antwoord ik. Er volgt een gezellige discussie en ondertussen open ik allerlei kastjes voor hem.
“Geen rundvlees?”
“Nee hoor”, liegen we.
De controle is voorbij en we mogen naar het immigratiekantoor.

De immigratiebeambte staat erop op zelf het toeristenkaartformulier in te vullen en tuurt naar onze paspoorten en PJ’s rijbewijs. Uiteindelijk besluit hij dat de straatnaam ‘Afgegeven door de Burgemeester van Maassluis’ moet zijn. PJ woont in Maassluis, bij mij staat datzelfde huis in Rotterdam en de naam Potgieser wordt Nldpotgieser. Wij doen daar natuurlijk niet moeilijk over. We moeten de toeristenkaart meteen betalen bij de bank. De immigratiebeambte loopt met ons mee naar buiten om de bank te wijzen. Vriendelijker kan het bijna niet. Helaas hebben we nog geen peso’s. Dit is namelijk bij elke grensovergang anders, soms moet je de kaart binnen drie weken bij een bank gaan betalen. Dat we geen peso’s hebben is geen probleem, de bankbediende laat ons in US dollars betalen en we krijgen een redelijke koers. Dit was wel anders toen we de eerste keer de Mexicaanse grens overgingen en zo 10 Euro teveel betaalden.
Daarna terug naar de immigratiebeambte die onze paspoorten stempelt. Hierna naar de banjercito, waar we een tijdelijk invoerbewijs voor de auto kopen. Alles verloopt soepel en vlot en we kunnen het land in.
De wegen zijn smal en langs de weg ligt veel afval. Het lijkt of de Mexicanen het bord No basura (vrij vertaald: hier geen afval storten) juist als lezen als ‘hier afval storten’.

De eerste camping is in Magdalena, een paar uur rijden vanaf de grens. Het is een camping bij een motel op een stoffig vierkant stuk grond met een muur eromheen. In de muur zitten stopcontacten en kraantjes. Er loopt hier een lief zwerfhondje rond die ’s avonds onze restjes verse rotikoeken met kip, boontjes en hete saus krijgt. Het dorpje is echt Mexicaans. Gestuukte huizen die in allerlei kleuren geschilderd zijn. Winkels laten in schoonschrift op hun gevels zien wat ze verkopen. Een pleintje met een mooie kerk en bankjes. Ongelijke trottoirs en stoepen. We breken een paar keer bijna onze nek maar we voelen ons alweer helemaal thuis. 

’s Morgens ontdek ik dat het zwerfhondje onder onze auto geslapen heeft. Ik geef hem nog een boterham. We hebben een sleutel van de enige doucheruimte gekregen. Deze ruimte bevat een urinoir, een toilet en een douche. Wel maf dat de deur door een andere campinggast met zijn sleutel zo weer geopend kan worden. Gelukkig staat het hier niet helemaal vol met campers. We douchen ons snel.

Over de tolweg rijden we naar Hermosillo. Tolwegen in Mexico zijn een verhaal apart. Het zijn vrijwel de duurste ter wereld. Zo kan een stukje van 28 kilometer 15 Euro kosten. Dit komt omdat er niet veel gebruik van gemaakt werd omdat ze zo duur waren, waarna de regering besloten heeft de wegen nog duurder te maken, om zo toch hun kosten eruit te halen. Nu worden de tolwegen vrijwel helemaal niet meer gebruikt. Logica is ver te zoeken in Mexico.
Verder betaal je niet, zoals in bijvoorbeeld Frankrijk, eerlijk per gereden kilometer. De tolhuizen staan op de snelweg en niet bij de afslagen. Moet je er al na 10 kilometer af, betaal je gewoon het volle bedrag. Deze tolhuizen zijn (soms gemakkelijk) te ontwijken door ervoor een afslag te nemen, door het dorp te rijden en er na het tolhuis weer op te komen. Dit hebben wij gedaan bij Magdalena. Maar Hermosillo is een grote stad en wil je de tolheffing ontlopen, moeten we 30 kilometer over ongeasfalteerde weggetjes rijden. Dit hebben wij al eens gedaan toen we twee jaar geleden hier waren. Sally had ons geadviseerd er bij kilometerpaaltje 15 af te gaan. Maar helaas heeft zij zich vergist en rijden we bij paaltje 15 zo in de tolfuik. Omdat we op dubbele achterbanden rijden, betalen we net zoveel als een vrachtwagen, maar ach, het scheelt ons wel veel tijd en ongemak.
Art en Sally hadden ons nog een tip gegeven. Vaak hebben zij gezien dat de vrachtwagens in het zicht van de tolhuizen de weg afrijden en over modderige paden de tolhuizen ontwijken! Deze stukken tolweg zijn dus wel druk. Advies van Art & Sally; “Gewoon de vrachtwagens volgen”. Halverwege staat er dan een Mexicaan met een leeg conservenblik die 2 pesos (18 Eurocent) vraagt voor het betreden van zijn land. Wij vinden dit net iets te ver gaan en je zult zien dat er dan net een politiewagen achter ons rijdt… 

In Hermosillo doen we boodschappen. We waren bijna vergeten hoe goedkoop Mexico is. Een kilo sinaasappelen kost 18 eurocent, een kilo grapefruits 35 cent, avocado’s, zo groot als mijn hand kosten 1,05 Euro per kilo, een kilo tomaten 75 cent en heerlijke grote knapperige broodjes nog geen 8 cent per stuk. Om zo maar eens een paar voorbeelden te noemen.

We vervolgen onze weg en slaan af naar het westen om de kustplaats Bahía Kino te bereiken. Op bijna elke elektriciteitspaal zit een roofvogel. De gekuifde caracara heeft de overhand, mijn favoriete roofvogel. Met zijn zwarte kuif en rode gezicht ziet hij er zo pienter uit. Als we er twee op een cactus zien zitten, kunnen we het niet laten om te stoppen en ze te fotograferen.

             
We hadden meer verwacht van Bahia Kino. We hadden zowaar de keuze uit wel 6 campings langs de boulevard, maar de kale zandvlaktes kunnen ons niet bekoren. Uiteindelijk belanden we in het oude stoffige vissersdorpje zelf, waar we een camping aan het strand vinden.
Er staan nog een stuk of 10 snowbirds (overwinteraars) uit Canada en Amerika. Het schijnt ook hier koud geweest te zijn en vandaag is de eerst warme dag (22 graden). Wij zetten meteen de stoeltjes tussen de palmbomen om buiten van de zon te genieten.
Denk bij een camping aan zee in Mexico nu niet aan de standaards die de campings in Europa hebben. Natuurlijk is het erg idyllisch om onder palmbomen te staan, de stranden zijn wit en de zee mooi blauw. Maar de meeste campings hebben maar 1 toilet en douche voor alle campinggasten. Als je geluk hebt is er een apart voor dames en heren. De douches worden vaak maar minimaal schoongemaakt. Ik ben blij dat wij een eigen toilet hebben, waar we altijd gebruik van maken. En aan kakkerlakken wen ik nooit, zeker als ze tien centimeter lang zijn!

   
Ik maak een wandeling over het strand. Het ligt hier bezaaid met grote gele schelpen. PJ heeft mij ‘gesmeekt’ niet nog meer schelpen mee naar Nederland te nemen. Hij heeft vorig jaar moeten praten als Brugman om te voorkomen dat de douane de vele dozen met schelpen ging openmaken. Ze geloofde hem gelukkig op zijn woord dat er in die dozen Mexicaanse souvenirs zaten. We zouden die enorme schelpen niet alleen kwijt geweest zijn, maar ook nog een boete moeten betalen.
Voor de Amerikanen en Canadezen is dit moeilijk te bevatten. In een land waar abortus, euthanasie, het homohuwelijk en softdrugs allemaal legaal zijn, mogen geen onschuldige schelpjes ingevoerd worden?
’s Avonds branden een voor een de lampjes in de camper door. Dat zit niet goed. PJ meet de volgende dag de voltage door bij de elektriciteitsdoos en in plaats van 110 volt komt er 130 volt uit. En binnen in de camper in plaats van 12 volt wel 19 volt. Vind je het gek dat de zaak doorbrandt! En nu maar zien dat we nieuwe bolletjes kunnen vinden in Mexico. 

Net na zonsopgang loop ik mijn dagelijkse uurtje. De lucht is roze en de volle maan staat nog bleek te schijnen. De vissers varen uit in hun kleine houten bootjes. Een luid gesnater vanuit zee verbreekt de stilte. Zeker honderd bruine pelikanen en twee keer zoveel meeuwen hebben in de branding een school visjes gevonden. Geplons, gesnater en vleugelgeklap en de hele school wordt opgegeten door de hongerige vogels. Jammer dat PJ dit niet ziet en dat ik geen videocamera bij mij heb.
Ik vind een stuk van een kaak met kiezen van een herkauwer op het strand. Waarschijnlijk een koe. PJ zegt wijselijk dit keer niets. Ik hak de kaak kapot en bewaar alleen de vier kiezen die wel zes centimeter lang zijn.  

Na een paar dagen op deze camping zakken we verder naar het zuiden. In San Carlos overwinteren alleen maar snowbirds en de prijzen van de campings zijn hier ook naar. Veel te duur voor ons, dus we blijven er maar 1 nacht. Als ik een wandeling langs de boulevard maak, kom ik een wijk met allemaal witte droomhuizen. Betegelde patio’s met veel planten, terrassen met uitzicht op zee, schattige torenkamertjes en leuke Mexicaanse tegeltjes. De auto’s voor de garages hebben allemaal buitenlandse kentekenplaten. Hier wonen alleen maar Amerikanen en Canadezen. Ik word gebeten door een speelse herdershond. Gelukkig bijt hij niet door mijn vel en houd ik er alleen maar blauwe plekken aan over.

   

We rijden landinwaarts naar Álamos, een plaatsje in de bergen. Deze voormalige mijnstad heeft nog veel koloniale huizen. We zijn de enigen op de camping, die een kilometer van het stadje af ligt. PJ voelt zich niet lekker. Alle symptomen wijzen op blaasontsteking en we doen het een paar dagen rustig aan op de camping. Er is ondertussen een karavaan bij gekomen. In de USA zijn reisorganisaties die reizen organiseren met kampeerauto’s. In een groep van soms wel twintig auto’s reizen ze in zo’n 1 a 2 maanden door Mexico. Erg handig als je niet alleen door Mexico durft te reizen. Wij hebben meestal geen problemen met zo’n karavaan, maar het is wel een beetje overweldigend zoals ze de camping binnen een half uur totaal overnemen. Grappig is wel wat zo’n karavaan aantrekt. Wij stonden al twee dagen in totale eenzaamheid op de camping, sinds de karavaan gearriveerd is, lopen er Mexicaanse souvenirverkopers rond, jongens die je auto willen wassen en wagens met flessen drinkwater komen de camping oprijden. 
Onze buren zijn Mary en John uit Louisiana. Gezellige lui met een geweldig zuidelijk accent. Aan de andere kant staat een stel uit Canada. Hij zegt beschaamd dat dit de eerste keer is dat zij met een karavaan meereizen. “Ik ga er liever zelf op uit”. Als de groep een uitstapje naar een Indianendorp in de buurt maakt, blijft hij op de camping. Ik zit buiten en kan horen dat hij in zijn camper met zijn satelliet naar herhalingen van de comedy Happy Days zit te kijken. Tja, ’t is maar wat je er op uit gaan noemt.
PJ voelt zich de volgende dag iets beter en we staan op het punt de stad te gaan bezoeken als er een personenauto met twee echtparen de camping op rijdt.
”Zijn jullie die Hollanders?”, komt er in het Nederlands uit de auto.
”Ja”, zeggen wij verbaasd.
Blijkt dat de karavaanclub vanochtend in een restaurantje in Alamos rondgebazuind heeft dat er een Nederlands stel op hun camping staat! Deze Nederlanders wonen in de USA en hebben een tweede huis in San Carlos en waren een beetje aan het rondtoeren.
We kletsen even en gaan dan op weg naar Alamos. Ondertussen is het gaan regenen en de stad verliest snel zijn charme. Dat moeten we op de terugweg nog maar eens overdoen.
PJ vindt gelukkig in een kleine auto-onderdelenwinkel wel nieuwe lampjes voor de camper.
De regen komt ’s avonds met bakken uit de hemel. PJ zit op de bank te lezen en roept ineens uit: “Ik word nat!”. De oorzaak is een lekkage bij het raam en het sijpelt in dunne straaltjes over de camperwand! We proberen het water op te vangen met handdoeken. Op dit moment kunnen we er verder weinig aan doen. 

´s Morgens om kwart over 7 horen we de karavaan vertrekken. Wij slapen uit tot half tien. De camping ziet er niet meer uit. Diepe bandensporen in het drassige gras en het blijft maar regenen. PJ zet de auto iets anders zodat het regenwater van het dak niet meer direct op het raam stroomt en de lekkage in de camper stopt daardoor ook.
Een hoger gelegen gedeelte van de camping staat helemaal blank en stroomt via een muurtje direct op ons plekje, vlak langs onze elektriciteitspaal! PJ besluit, als een echte Hollander, een dijkje te gaan bouwen. In een korte broek, rubberen kaplaarzen en een regenjack stapt hij de blubber in. Na wat scheppen wordt het water inderdaad omgeleid en komt nu bij de buren terecht. Aangezien die toch zijn vertrokken geeft dat geen problemen. 

   

De volgende dag regent het nog steeds en we besluiten te vertrekken. De halve camping staat blank. Ik trek ook mijn kaplaarzen aan en loop naar het huis van de eigenaar om te betalen. Het water staat soms tot halverwege mijn kuiten!
Als we de camping afrijden komt er net een andere karavaan langs, die op een andere camping heeft gestaan. We glippen ertussen en rijden veilig met hen terug naar de hoofdweg. Bij een grote supermarkt verlaten we de karavaan.
Weer onderweg merkt PJ dat de automatische versnelling veel te lang in de eerste blijft hangen. Als we een ongelijke spoorwegovergang over moeten, wil de auto helemaal niet meer vooruit. Een toevallig passerende politieagent zorgt ervoor de auto´s achter ons uit de weg gaan, zodat PJ achteruit uit het gat in de weg kan rijden. Er is iets goed mis.
Gelukkig zien we bij de eerstvolgende kruising een Dogde garage.
“Spreekt u Engels?”, vraagt PJ in het Spaans aan de baliemedewerker.
“No”,
maar hij neemt ons mee naar achteren waar een van de medewerkers vloeiend Engels spreekt.
Ondanks dat ze het super druk hebben, helpen ze ons meteen. Na twee uur is een sensor vervangen en kunnen we weer onderweg. We hebben allebei nog lang pijn in onze buik van de spanning. Het is lang geleden dat we pech met de auto gehad hebben en we zijn het helemaal ontwend. 

      

We rijden naar Las Glorias, een klein kustdorpje, waar een leuke camping is. Omdat deze camping een uur rijden van de doorgaande weg ligt en er verder geen toeristische attracties zijn, verwachten we hier geen karavanen. Maar na twee dagen horen we een bekend zangerig accent: daar heb je Mary weer en dus ook de hele karavaan. 
We krijgen een uitnodiging van John en Mary om naar hun grote huis in Louisiana te komen. Een tikkeltje uit de richting, maar je weet maar nooit.
Een Mexicaanse dame geeft gratis Spaanse les en ik volg twee lessen. Als de lerares mij vraagt waar ik vandaan kom, antwoord ik: “Ik kom uit Holanda”. De Amerikanen hebben geen idee waar ik het over heb. “Orlando? Komt ze uit Orlando?” Ik lig in een deuk.
De lerares vertelt hoe een Mexicaanse trouwerij in zijn werk gaat. Het toekomstige paar gaat bij hun familie en vrienden langs en vraagt of zij padrinos en madrinas willen zijn. Dat betekent eigenlijk sponsors van hun huwelijk. De padrinos en madrinas betalen een gedeelte van de kosten van de trouwdag, zoals bijvoorbeeld de taart, de drank of de kerkdienst. Als dank wordt hun naam vermeld op de trouwkaart! Staat jouw naam nooit op trouwkaarten, weet iedereen dat je een krent bent. Wat een afpersing!
Als we door al onze verse levensmiddelen heen zijn, de camping te vol begint te lopen en we irritante buren krijgen, gaan we verder naar het zuiden. 

Mazatlan is onze volgende bestemming. Hier komen we op bekend terrein en rijden meteen naar die leuke kleine  junglecamping met leguanen. Helaas staat hij propvol met snowbirds, die vast voorlopig nog niet weggaan. We overnachten gratis in een doodlopend straatje met uitzicht op de zee. Opeens komen twee politiewagens met hoge snelheid op ons afrijden. Een agent springt met een kleine mitrailleur uit de auto en rent langs onze auto richting zee. Even later komt hij terug en springt weer in de wagen. Met scheurende banden rijden ze weg. De agent maakt het vredesteken met zijn vingers en laat ons stomverbaasd achter. “Hola”, kan ik nog net uitbrengen.
We gaan op een andere camping staan. Hier kan ik onder het zonnescherm van een van de campinggasten van heel dichtbij mooi gekleurde vogels fotograferen, die op de voederbakken afkomen.

     

   

Elke dag gaan we kijken op de ‘leguanen’camping of er plek is en na twee dagen is het zover. De hele dag regent het en het is erg modderig op de camping. Als je de hele dag binnen moet zitten, heeft onze camper ineens wel een erg kleine leefruimte. PJ voelt zich nog steeds niet 100 procent en valt ’s middags in bed in slaap. Dat geeft mij mooi de gelegenheid om met de laptop aan mijn manuscript van mijn tweede boek te werken. Dick, de buurman van mijn vader heeft aangeboden om ernaar te kijken en mailt nu steeds de correcties.
Het is gelukkig niet koud (17 graden) en de deur van de camper kan de hele dag open blijven staan.

   
De hele nacht is het droog geweest, maar ’s morgens vroeg begint het toch weer te gieten! Binnen de kortste tijd staat de grond rondom onze camper helemaal blank. Als er in de loop van de morgen weer iemand weggaat, besluiten we te verkassen naar dat hoger gelegen, dus drogere plekje.
We maken prachtige foto’s van de kamleguanen en hagedissen die op deze camping in de kokospalmen wonen. 

 
Als we een paar dagen later met de camper de stad inrijden, worden we aangehouden door de politie.
“Spreekt u Spaans?”, vraagt de agent.
“Een klein beetje”.
“Ik spreek een klein beetje Engels”, antwoordt de agent en begint daarna in behoorlijk Engels ons te vertellen dat we door een rood stoplicht zijn gereden. PJ weet zeker dat het groen was, maar volgens de agent hadden we op dat licht niet linksaf mogen slaan.
De agent vraagt naar PJ’s rijbewijs.
”Ik neem je rijbewijs in beslag en je kunt het weer ophalen op het politiebureau en daar de bekeuring betalen. Dan krijg je ook je rijbewijs weer terug”.
Als we vragen of hij het politiebureau op de kaart wil aanwijzen, doet de agent heel omslachtig. We merken dat er ook nog een andere mogelijkheid is.
”Of je betaalt de boete aan mij, dat is 200 pesos.
No Problem”. (= Euro 18)
We begrijpen dat dit pure corruptie is, maar gaan maar voor deze optie. Natuurlijk krijgen we nu geen afschrift, maar dat scheelt ons een lastige rit naar het bureau en daar uren wachten. Bovendien is dit de eerste keer dat we een bekeuring krijgen in Mexico en dat is toch ook een wonder.
Op de camping horen we dat de buren precies hetzelfde probleem hebben gehad (andere agenten!), maar zij bleven maar vragen waar het bureau was en mochten uiteindelijk, zonder iets te betalen, doorrijden. 

Februari 2004 
We vermaken ons prima op de leguanen camping in Mazatlan. In een half verlaten hoog gebouw naast ons zien we regelmatig de zeldzame perigrine valk. Deze roofvogel vangt duiven zo vanuit de lucht. Als we dit daadwerkelijk zien gebeuren en hem urenlang aan de duif zien plukken op een richel, kunnen we ons geluk niet op. Een ander meevallertje is dat  PJ kans ziet een cd rom met kamhagedissen foto’s te verkopen!
   

Een opmerking die we hier horen, zal ons altijd bijblijven: “Wat voor taal spreken jullie in Nederland; Hollandaise-saus?”

Op de camping ontmoeten we Krista (33) en Joel (26) uit Oregon, USA. Dit stel reist voor 5 maanden door Mexico in een zilverkleurig Toyota busje. Met alleen een matras achterin krijgt hun auto al snel de bijnaam “silver toaster” (broodrooster).

 


Op dezelfde camping arriveren Eileen (28) en Sean (34) uit Colorado, USA. Ook zij hebben 5 maanden voor een reis door Midden-Amerika uitgetrokken. Voor 700 dollar hebben ze een oude verroeste blauwe pick-up truck gekocht (“Ol’blue”) en reizen met hun twee honden door Mexico. Het is wonder dat we tegenkomen, want zij staan meestal op gratis strandjes.

 

 

Na een paar gezellige dagen met hen op de camping besluiten we gezamenlijk verder te reizen. We rijden even ten zuiden van Mazatlan naar een schiereilandje, Isla de la Piedra. We parkeren de voertuigen vlak naast een palmbomenplantage in de duinen. De eigenaar van deze plantage geeft ons hiervoor toestemming, hij vraagt alleen een kleine donatie. Voor minder dan 10 Euro blijven we er vijf nachten staan.
   

Het piepkleine dorpje is op loopafstand, dus we kunnen eenvoudig vers fruit en groenten kopen.
Ik vind een enorme zanddollar, een schelp die maar net past in de palm van mijn hand. Natuurlijk zal ik deze bijzondere schelp wel mee terug nemen naar Nederland.
We zien dolfijnen die vlak bij de branding zwemmen. Sean, die wij al snel Sjonnie noemen, probeert ze te naderen in zijn kajak, maar dan gaan ze ervandoor.
We leren onze nieuwe vrienden ons favoriete kaartspel (rummy 2000) en na twee weken kunnen ze hun score in het Nederlands zeggen! Ik knip Sjonnie’s haar terwijl hij de hond Misha knipt. Dit triootje wordt natuurlijk op foto vastgelegd.

 


 

   

Verder naar het zuiden wordt de jungle hoger en dikker. Na een nacht op een camping met hete douches, zijn we genoeg ‘opgeladen’ voor weer een paar nachten op een gratis standje.
Het wordt een strandje ten noorden van Sayulita. Het kost even moeite om er te komen via een hobbelig erg steil smal pad, maar dan hebben we ook wel iets bijzonders. Een vijfhonderd meter brede baai met een wit zandstrand omgeven door rotsen. Er staat een grote palapa, palen met een dak van palmbladen, een wagenwiel dat als tafel gebruikt kan worden en genoeg brandhout om elke avond een groot kampvuur te maken.

   

Vlak achter het strand begint de jungle en elke morgen loop ik met de meiden over een spannend junglepad. We zien kleurige vogels (o.a papagaaien), -vlinders en -bloemen. Als ik met PJ het pad loop, gewapend met camera en video, landen twee papagaaien recht boven ons in een boom. Mooi moment om deze kleurrijke vogels van dichtbij te fotograferen. PJ ziet kans een trogon vogel en een specht in een foto te schieten. Terwijl ik een soort orchidee fotografeer, kom ik met mijn hoofd in een spinnenweb. De piepkleine spin is de meest wonderlijke die ik ooit gezien heb. Hij heeft een soort schild met punten dat wit is met zwarte stippen! Nadat we de foto’s uitvergroten met de laptop, kunnen we hem nog beter bestuderen. Heel bijzonder.

   

 

                    


 

 

Helaas duurt dit paradijs maar even, want op zaterdag komen er twee auto’s met Mexicanen die beweren dat dit hun strand is. Joel spreekt vloeiend Spaans en vertaalt alles voor ons. Ze nemen de palapa en de tafel over en wij moeten onze auto’s verplaatsten. De mannen lopen met lange machetes te zwaaien, dus we gehoorzamen gewillig. Eileen en Krista zijn naar het dorp gewandeld, dus we kunnen niet vertrekken. Als de Mexicanen helemaal geïnstalleerd zijn, zeggen ze dat wij gerust mogen blijven. Voor ons is de lol er wel af.

We rijden naar de voor ons bekende camping “La Penita”, twintig kilometer noord(!), waar we volleybal spelen in het zwembad met de snowbirds. Als ik een vissersboot sta te fotograferen hoor ik ineens een groep kampeerders juichen. PJ, Sjonnie en Joel komen aanrennen.
“Een walvis, een walvis”, roepen ze.
Slechts tweehonderd meter uit de kust springt een walvis tot twee derde uit het water! Hij zwaait met zijn vinnen en herhaalt dit kunstje enige malen. Fantastisch! De foto’s hiervan zijn van niet zo’n goede kwaliteit, maar wel een mooie herinnering.


  


In het watertje waar we op uit kijken zitten schildpadden, die zich gemakkelijk laten oppakken. Het schijnt dat hun bek vlijmscherp is en ik laat iedereen flink schrikken als ik mijn vinger naar hem uitsteek. De enorme krokodil die hier volgens de kampeerder huist, vertoont zich helaas niet aan ons.
Verder zien we rotskleurige leguanen. PJ maakt interessante foto’s terwijl ze bloemen eten. Bijzonder, want normaal zitten deze reptielen erg stil. In een internetcafé boeken we onze vliegtickets. Op 4 mei komen we voor een maand naar Nederland.

Na een paar dagen is alle vuile was weer schoon, onze haren gewassen en de watertank weer vol met vers water. Kortom, we wagen het weer op ‘ons’ strandje bij Sayulita. Dit keer worden we niet gestoord en blijven er vijf nachten. Tijdens een spelletje kaart land er een prachtige specht in de boom, die lekker begint te timmeren. PJ maakt mooie close-up foto’s. De branding is hier erg gevaarlijk en Sjonnie gaat koppie onder in zijn kajak. Joel is een fervent kite-boarder (surfen met een enorme vlieger). Ook hij wordt flink te grazen genomen in de branding. Na vijf dagen hebben we alle paden in de jungle verkend en zijn we klaar voor een nieuwe uitdaging.

  
 

Slechts een baai verder ligt het leuke toeristische plaatsje Sayulita. Hier kopen we mango’s die per stuk een halve kilo wegen! We verblijven een paar nachten op een hippiecamping, met de bijbehorende geuren en kleuren. Regelmatig komt er een bries van marihuana voorbij, iedereen loopt op blote voeten en de populaire haarcoupe is rasta. De zee staat bekend om zijn ‘lange’ golven en is daarom erg geliefd bij surfers. Hier kunnen de twee jongens zich flink uitleven in de zee. PJ schiet prachtige actiefoto’s van hen. Dit zou een mooie bijverdienste kunnen worden, welke surfer wil niet een cd rommetje met actiefoto’s van zichzelf voor een paar dollars? Helaas blijven we niet lang genoeg op deze camping om een handeltje op te zetten.

   

 

   

Het is carnaval en we zien weer verklede schoolkinderen in optochten. De schoolklas tieners die een soort Macarena dansje doen zijn stuk voor stuk te dik. Jongens in joggingpakken doen acrobatische kunstjes. Naast onze camping is een kermis en ’s avonds wordt er op een podium ook nog een lawaaierig concert gegeven. Dit gaat door tot 2 uur ’s nachts compleet met vuurwerk. Dit is nog te doen, tot er om 5 uur ’s morgens weer een Mexicaanse band gaat staan oefenen! Ik ben geloof ik de enige die hier gewoon doorheen slaapt.  

   

We rijden verder naar het zuiden en doen inkopen in Puerto Vallarta bij een grote supermarkt. Daarna snel nog 150 kilometer verder naar Chamela. Hier proberen we weer een gratis strandje te vinden. We denken de ideale plek gevonden te hebben op een soort rotspartij, met uitzicht op een superblauwe woelige zee. Helaas worden we er direct weggestuurd. We merken jammer genoeg niet dat we de Dodge wieldop verliezen. Sjonnie realiseert zich pas later dat hij hem naast de weg heeft zien liggen.  

Nog maar weer 30 kilometer naar het zuiden. In Playa El Tecuán, 10 kilometer van de hoofdweg over een kronkelige, maar geasfalteerde weg,  vinden we opnieuw een paradijsje. Een zanderige landtong met aan het eind rotsen en aan twee kanten een wilde zee met hoge golven. Verderop ligt een spookdorp, waar een paar vissers wonen. Overal zien we overblijfselen van huizen, hotels en restaurants, maar alles ligt er verlaten bij en is overwoekerd door planten. Er is zelfs een landingsbaan, maar die is niet meer bruikbaar. Een vreemde plek, maar ideaal als je met een paar anderen bent. We horen later dat dit een resort had moeten worden, compleet met een privé landingsbaan. Dit bleek niet te lopen en alles is nu verlaten. De landingsbaan was een ideale plek voor drugssmokkelaars, dus vandaar dat die verwoest is. Sjonnie maakt vrienden met de vissers en helpt hem met het inhalen van de netten. Hiermee verdient hij zijn avondmaal.  

   

   
PJ leert de honden in zee zwemmen door kokosnoten erin te gooien

Na vier dagen verlaten we dit plekje. We rijden toch maar de 30 kilometer terug om te kijken of de wieldop er nog ligt (een nieuwe kost $100,-) en jawel, we vinden hem ook nog! We zien de rest weer in Boca Beach, waar we weer een nacht op een camping staan. In het watertje naast de camping zien we een kleine krokodil zwemmen! Hier zien we een hippie echtpaar uit Quebec, die we vorig jaar ook ontmoet hebben op deze plek. Zij wachten met spanning op het uitkomen van de eieren van een leatherback schildpad, die ze 50 dagen geleden op dit strand gelegd heeft. Het zou leuk zijn als we dit ook nog meemaken. We zullen nog een paar dagen samen met de twee stellen reizen en dan zullen wij terug naar het noorden reizen.

Maart 2004

Gezamenlijk met de twee Amerikaanse stellen reizen we naar Playa Tenacatita. Wij hebben vorig jaar ook op dit gratis strandje gekampeerd. Onze buurman is een grijze vijftiger met een paardenstaart die reist in een zilveren camper met zijn twee honden en een kat. Als ik naar hem toe loop om me voor te stellen, zeggen we allebei tegelijk: “Heb ik jou niet al eens eerder ontmoet?”. Gene weet het als eerste: “Vorig jaar, op de Yucatan”. Hij vertelt ons dat deze populaire snorkelplek niet meer gratis is. Jesús, een magere Mexicaan met spierwit haar, die door iedereen Chuy (tjoewie) wordt genoemd, vraagt  2,50 Euro per nacht om hier te kamperen. Voor dat geld houdt hij het terrein schoon en let hij erop dat niemand aangespoeld koraal in zijn zakken steekt. Hij heeft artistieke borden gemaakt, waarop hij aanmaant niet op het koraal te gaan staan. Dit is duidelijk een verbetering van het gratis strandje en we betalen hem daarom graag.

 

Waar gringo’s kamperen, zien Mexicanen handel en dagelijks komen er vrachtwagentjes over de heuvel. De een verkoopt water, de ander bier, een derde groenten en er schijnt zelfs een bakker langs te komen. Nu we aan het einde van het snowbird-seizoen zijn, laat die laatste het helaas afweten. Gene nodigt ons spontaan uit om deze zomer naar zijn farm in Montana te komen. Dat ligt op onze route naar Alaska, dus misschien doen we het wel.

Gene heeft zich het lot van de Mexicaanse straathonden aangetrokken en geeft ze elke dag te eten. Een viertal heeft hij zelfs naar de dierenarts gebracht om ze te laten steriliseren. Marimba, een broodmagere teef, lust geen hondenvoer en Gene haalt regelmatig kip burrito’s voor haar!
Tijdens een ochtendwandeling zien we dolfijnen die tien meter uit de kust omhoog springen. Als nieuwsgierige dieren steken ze hun kop uit het water en kijken ons aan! Synchroon duiken ze mee in de groene golven van de branding. Wat een geweldig gezicht! Een andere dag zien we heel in de verte weer een walvis met haar jong. 

Elke avond zitten we gewapend met verrekijkers in de duinen en wachten de zonsondergang af. We hopen de ‘green flash’ te zien. Dit fenomeen is alleen te zien als de zon in de zee ondergaat. (ik weet eerlijk gezegd niet of dit ook in Nederland te zien is) Op het allerlaatste moment kun de gele zon groen zien worden! We hebben dit al meerder keren zien gebeuren. Het begint aan de zijkant en in een seconde wordt de hele bovenkant van de zon limoenkleurig. Ondanks dat het met het blote oog misschien ook te zien is, is het beter om met een verrekijker te kijken. Wel oppassen dat je dan niet te vroeg kijkt, want dan kun je er zeker van zijn dat je groene sterretjes ziet! Een paar keer zien we zelfs een soort wolkje boven de zon, in de vorm van een paddenstoel, dat ook groen wordt. Alsof de zon haar laatste adem uitblaast.

 


 

Joel en Krista hebben het prima naar hun zin op dit strandje en besluiten er langer te blijven. Wij reizen verder met Sjonnie en Eileen. Onze volgende stop is maar 15 kilometer verder in La Manzanilla. De grote toeristenattractie is een groep enorme krokodillen die op een zandbedding in de mond van de rivier liggen te zonnen. Tot onze stomme verbazing zien we een Mexicaanse familie, compleet met oma, opa, kinderen en baby’s op de arm, die deze reptielen tot een meter of tien naderen! We kamperen op een ‘eco-camping’, gerund door de vriendelijke Mexicaan Jorge. We kunnen niet ontdekken wat er zo ecologisch aan is, behalve dat de koude douches weer erg primitief zijn. Er is geen afvoer, het zeperige douchewater loopt zo de camping op.


Deze camping is zo dichtbij de krokodillen, dat we er regelmatig even langs kunnen lopen. ’s Middags wip ik er even aan en zie drie knullen van een jaar of tien de krokodillen voeren met visafval. Vreemd, maar de prehistorische reptielen verblikken of verblozen niet. De jongetjes laten de plastic afvalzakken vallen en beginnen met stenen naar de krokodillen te gooien. Alle dieren trekken zich nu terug in het water. Ik wacht tot de jongens weer terug naar de straat komen. Als ze vlakbij zijn zeg ik streng: “No basura!” (geen afval). Jammer genoeg weet ik niet hoe ik in het Spaans moet zeggen dat ze de dieren niet moeten pesten, maar de plastic afvalzakjes zijn ook een doorn in mijn oog. Ze doen eerst alsof ze me niet begrijpen, maar daar komen ze niet mee weg. Als ze zien dat ik het serieus meen, lopen ze terug op de zakjes op te rapen! Natuurlijk bedank ik ze hiervoor allervriendelijkst.  

   

’s Avonds gaan PJ en ik uit eten bij Nederlanders die een Hollands-Indisch restaurant runnen. Jolanda en Leon, een 40 plus stel uit Arnhem, waren op motoren op een wereldreis. Na Azië, Australië, Nieuw Zeeland en Noord Amerika kwamen ze acht maanden geleden in La Manzanilla aan. Ze waren zo gecharmeerd van dit dorpje dat ze besloten er een restaurantje te beginnen. Dit loopt nu zo goed dat ze naar een groter pand uitkijken. We nemen vooraf een portie bitterballen (niet te eten, helaas) en daarna gado-gado en kipsaté met pindasaus. Erg lekker. Jolanda heeft het te druk met koken, dus haar zien we helaas niet. Als we uitgekletst en uitgegeten zijn, is het al donker. En als we langs de rivier met krokodillen moeten is het er pikkedonker. Zonder zaklamp sluipen we langs hen. Achteraf was dat niet noodzakelijk, want als we ’s morgens vroeg gaan kijken, zijn alle krokodillen verdwenen. Pas als het warm wordt, komen ze gestaag vanuit de rivier aanzwemmen. We kunnen zo ’s morgens vroeg wel mooi de night heron (reigersoort) met zijn prachtige oranje ogen en andere bijzondere vogels fotograferen, zonder dat de krokodillen het rimpelloze water verstoren.  

 

Eileen en ik wandelen op een morgen in drie kwartier over het strand naar Boca Beach. Het Canadese hippiestel, Penny en Martín wacht nog steeds met smart op het uitkomen van de schildpadeieren (dag 59). Ook zij hebben de walvismoeder met haar jong gezien. Raar idee dat we nu al tien dagen over dezelfde baai uitkijken, maar in zeer verschillende plaatsjes kamperen. Penny vertelt dat de kleine krokodil die naast de camping woont (reisverslag 4) een erg grote broer had die hier tot december leefde. Rond de Kerst gaan de Mexicanen massaal kamperen. De eigenaar van de camping vond dat iets te gevaarlijk met al die kleine kinderen in de buurt van het watertje. Hij heeft de grote jongen naar La Manzanilla laten over brengen. Dat geloven we graag, want in Manzanilla zien we echt grote joekels. Penny biedt ons een sterke bak koffie aan en daarna lopen we weer terug. Ik vind de schedel van een soort aal met scherpe tanden. Wonderlijk zijn de twee tanden in zijn verhemelte. Wie weet wat het is, mag het zeggen.  

            

Een Canadees op de camping heeft van het internet een onduidelijk kaartje geplukt, die de weg aangeeft naar een waterval. De eigenaar van de camping vertelt dat de waterval niet zoveel water bevat, maar de poelen waarin het water terechtkomt, zijn prachtig, kristalhelder en perfect om in te zwemmen. We proberen de weg te vinden en hebben het gevoel dat we terug in onze kindertijd zijn met een schatkaart van de piraten. Het junglepad is prachtig, maar de waterval stelt inderdaad niets voor. De poelen zijn troebel en zien er niet uitnodigend uit. Eileen gaat nog een stukje verder met verkennen en we horen een grote plons.
“Gaat het?”, vragen we.
“Er is hier nog een poel en ik ben er half ingevallen” horen we gesmoord.
Nog meer plonzen. “Dat zijn de honden”, horen we weer van boven.
Wij liggen in een deuk. 

In de volgende baai ligt St. Patricio de Melaque. Hier kamperen we aan het eind van het dorpje met uitzicht op zee. Vroeger was dit een gratis ‘camping’, maar tegenwoordig loopt Emiliano rond die 1,50 Euro per nacht vraagt om op zijn terrein te kamperen, uiteraard zonder verdere faciliteiten, zoals een toilet. Er zijn Canadezen die hier al twintig jaar komen. PJ’s lege bierblikje waait per ongeluk weg. Een Canadese ziet dit en zegt dat hij het blikje kan laten liggen.
“Het wordt wel opgeruimd door de Mexicanen”. Wat een belachelijke mentaliteit! Zeker als je al twintig jaar hier de hele winter doorbrengt. 

   

Wij voelen ons hier niet erg op ons gemak. Dit komt mede door een grote groep Mexicaanse zigeuners, die ons boos bekijken. Ze kamperen achter ons in jaren 70 kampeerauto´s. De vrouwen dragen enkellange rokken, de kinderen zijn smoezelig met vieze haren en rouwranden onder hun nagels. In een te klein kooitje zitten twee papagaaien te schreeuwen. De zigeuners schreeuwen tegen elkaar en tegen hun kinderen. De hele familie komt om ons plekje staan en probeert met ons te communiceren. We komen niet verder dan waar we vandaan komen. We zien gouden tanden in hun monden. ´s Avonds zingt een Mexicaan melancholische liederen en begeleidt zichzelf met de gitaar. Een vriend valt hem af en toe klaaglijk bij. We voelen ons echt in Mexico. Als de zigeuners de volgende dag vertrekken, besluiten wij nog een dagje te blijven. 

Over tien dagen is het St. Patricksday (17 maart). St. Patrico de Melaque (de naam zegt het eigenlijk al) viert deze feestdag uitbundig. Maar Mexico zou Mexico niet zijn als ze een feestdag niet tot minstens een week feesten bombarderen. Elke avond is er vuurwerk en overdag optochten met hoempapa bands. Ik fotografeer op het strand een booby, een soort bruine meeuw met bijna menselijke blauwe ogen. Dit doet mij denken aan St Carlos. Hier stonden vier Amerikanen met verrekijkers naar de zee te staren.
“Waar kijken jullie naar?”, vraag ik.
“Vogels”.
Als ik laat blijken dat ik ook in vogels geïnteresseerd ben, worden ze iets vriendelijker.
“Een booby, een booby” roept de vrouw ineens enthousiast.
“Wat is een booby? ”, vraag ik.
“Pagina 72”, is het arrogante antwoord. Wat een kwal. 

Op de markt kopen we een tortillapers. We komen hier Leon tegen en nu ontmoeten we ook Jolanda, de kokkin van het restaurantje. PJ biedt hen een Nederlandse shaggie aan, wat gretig wordt geaccepteerd.

We bezoeken Barre de Navidad, een klein vissersdorpje vlak bij Melaque. Op 1 september 1971 raakt orkaan ‘Lilly’ de kust van Navidad. In de San Antonio kerk laten de armen van Jezus los van het kruis zonder op de grond te vallen. Ze blijven naast zijn lichaam hangen. Als dit gebeurt, verliest de orkaan zijn kracht en het dorpje wordt gered. Vanaf dan geloven de bewoners dat ‘El Christo del Ciclón’ wonderbaarlijke krachten heeft. Het is een raar gezicht om Jezus zo met afhangende schouders aan het kruis te zien hangen. 

Het wordt tijd om afscheid te nemen van Sjonnie en Eileen. Zij trekken het binnenland van Mexico in. Voor wie dit jaar voor het eerst onze verslagen leest, krijgt misschien de indruk dat wij niet geïnteresseerd zijn in de cultuur van Mexico. Niets in minder waar, maar wij hebben vorig jaar al een half jaar in Mexico doorgebracht en alle belangrijke kerken en steden bezocht en vrijwel alle Maya ruines gezien. Vandaar dat we deze reis vooral op de stranden doorbrengen. Bovendien willen we in de drie maanden die we dit jaar voor Mexico uitgetrokken hebben, niet te veel kilometers maken, om zo de reis zo goedkoop mogelijk te houden. We hebben tenslotte het meeste van Mexico al gezien en zijn hier nu vooral voor het lekkere weer.

 


     

We reizen langzaam terug naar het noorden. In Boca Beach staan we op de camping. Tijdens een ochtendwandeling vind ik een halfdode waterslang op het strand. Hij is zwart van boven en groengelig van onderen met een gespikkelde staartpunt. Als ik terug ga met mijn fototoestel, loopt een naar Canada geëmigreerde Nederlander met mij mee. Ik fotografeer de slang en daarna probeert de Nederlander hem terug in de zee te krijgen. Geroutineerd pakt hij de een meter lange slang bij zijn staart en met een stok houdt hij de kop naar beneden. Daarna wikkelt hij hem om de stok en gooit hem terug in zee. De slang komt gelijk weer terug. Na drie pogingen geven we het op. Deze slang wil duidelijk dood.
“Doe je dit wel vaker met slangen?”, vraag ik nieuwsgierig.
“Nee, ik heb ze dat zo zien doen op televisie”.
Ik moet daar hartelijk om lachen.

Na vier dagen op Boca Beach rijden we weer naar Playa Tenacatita. Tot onze verbazing komen we daar Krista en Joel weer tegen! Ook zij zijn alweer op weg naar het noorden. Als wij 5 maanden de tijd hadden om een eenmalige reis van ons leven te maken, zouden we toch wel iets meer willen zien dan alleen 2000 km kust van Mexico!
Krista en Joel denken daar blijkbaar anders over. We hebben behoefte aan wat tijd met z’n tweetjes, dus de volgende dag reizen we alweer verder. Onderweg zien we eerst een tarantella spin (ik krijg kippenvel) en daarna een dikke slang op de weg (PJ kippenvel).


 

In Chamela kamperen we op een klein grasveldje met uitzicht op de zee. We maken een wandeling door het achterliggende land en horen een kakofonie van vogelgeluiden. De vogels zijn een lust voor het oog en door de verschillende leefgebieden (zee, bos, rivier, lagune) zien we in twee uur wel 25 verschillende soorten. Grote blauwe rivierkreeften duiken weg in hun holletjes, zodra we te dichtbij komen. Jammer genoeg is het hier te warm en geen schaduw, dus rijden we de volgende dag naar een camping in Punta Pérula.  

   

We bestellen bij een kruidenierswinkel twee pizza’s die daar vers gemaakt worden.
PJ houdt het simpel en bestelt een Hawaï pizza (ham en ananas).
”Ik wil graag een vegetarische pizza”.
“Wat wil je daar op dan?”
“Nou, tomaat, ui, champignons, paprika…”
“Oh je bedoelt een groenten-pizza?”

Si, pizza de verduras

Na twintig minuten zijn onze pizza’s klaar. Ze zijn heerlijk, maar de pizzabakker heeft er bij mij ongevraagd stukje uitgebakken bacon over gestrooid. Het is maar goed dat ik geen vegetariër ben!

Tijdens mijn ochtendwandeling kom ik langs de vuilnisbelt en zie stapels grote schelpen liggen. Die dieren die in deze schelpen leefden zijn opgegeten en de schelpen gedumpt. Helaas nemen de vissers niet de moeite om de schelpen terug in de zee te gooien. Zo krijgt de oceaan zijn mineralen niet terug om weer nieuw koraal te vormen. 

Na vier dagen rijden we een flink stuk noordelijker naar La Peňita. Hier zitten op de rotsen rotsgekleurde leguanen (reisverslag 4). Eentje is niet bang en ik kan hem uit mijn hand papaja voeren! Ik heb het recept voor het klaarmaken van cactusbladeren gevonden en stort mij hier dan ook op. Nadat de bladeren gekookt en twee maal gespoeld zijn (in verband met het verwijderen van het slijm!), smaken ze naar iets tussen sperziebonen en courgette. Lekker in combinatie met grote garnalen met een jasje van vers geraspte kokosnoot. 

We zien eindelijk de krokodil waar iedereen over op liep te scheppen. Het is inderdaad een flinke jongen. Maar we hebben dit beest nog niet gezien of een volgende staat alweer op het lijstje.
”Claudia, heb je de zeehond op het strand gezien?”, vraagt Carol, de eigenaresse van de camping, als ik op het punt sta in het zwembad te stappen om een wedstrijdje volleybal te spelen.
”Een dode?”
“Nee, een levende, hij zat zojuist op het strand”
“En dat vertel je mij nu pas, ik kan nu toch moeilijk weglopen”
“Oh, die zien we regelmatig”, valt een andere snowbird haar bij. “Die zul je vast nog wel een keer zien”.
Zo komt het dat ik elk moment van de dag over het strand uitkijk, maar de zeehond hebben we nog niet gezien.

In een winkel waar ze letterlijk alles verkopen, hopen we weer nieuwe lichtbolletjes te kunnen kopen (we gaan erg snel door onze voorraad, we hebben er al ongeveer 20 bolletjes doorheen gejaagd). Een knul van een jaar of 18 staat met een stofdoek de artikelen schoon te maken en negeert ons volkomen.Na een minuut komt zijn moeder van achteren tevoorschijn.
”Waarom help je die klanten niet?”, vraagt ze geïrriteerd.
“Ik spreek geen Engels, ma!”.
No necesario”, zegt PJ en laat een doorgebrand bolletje zien.
De jongen komt terug met een nieuw bolletje.
“Hoeveel kost dat?"
“3 pesos”
“5 alsjeblieft”
“Nee, 3 pesos”
“Ja, 5 bolletjes voor 3 pesos per stuk”
“Nee, 3 pesos”
De jongen heeft gelijk. We kunnen inderdaad niet met hem communiceren!

april 2004 

In een rap tempo rijden we naar het noorden naar de grens van Mexico en de USA. We proberen de tip van Art en Sally uit en ontwijken de tolhuisjes door vlak ervoor van de weg te gaan. Een goedgeklede dame met moderne zonnebril staat aan het begin van de onverharde weg.
“Hoeveel krijg je van me?”, vraagt PJ.
“Wat je kunt missen”
We geven haar 20 pesos (15 Eurocent) en rijden de weg op. In een grote stofwolk rijden we langs het tolhuisje. Niemand schijnt hier problemen mee te hebben. Aan het eind van de weg staat een jongeman en ook hem geven we 20 pesos en rijden de tolweg weer op. We hebben 8,5 Euro uitgespaard. Zo gemakkelijk kan het gaan. Zelf de regering helpt hieraan mee. Als we Hermosillo uitrijden staan er officiële borden langs de weg: ‘Santa Ana libre’. We volgen de borden en rijden zo’n 15 kilometer geasfalteerde dorpsweg met veel vado’s (rivierbeddingen), maar sparen weer 8,5 Euro uit. Dat was de moeite van de weg wel waard. Via de tolwegen schieten we lekker op.

Na drie maanden Mexico maakt PJ de balans op. We kunnen het bijna niet geloven, maar we hebben gemiddeld maar 20 Euro per dag uitgegeven. Dankzij Sjonnie en Eileen, die een neus hebben voor gratis strandjes, is dit deel van de reis lekker goedkoop geweest. Op 7 april gaan we de grens Mexico – USA over. De Amerikaanse douanebeambte kijkt in onze paspoorten en ziet dat we uit Nederland komen.
“He, daar ben ik ook geweest”
“Oh ja?”, antwoordt PJ.
“Ja, toen in de bodyguard van Dick Cheney was”
“Een bodyguard? Daar ben je toch veel te klein voor”, roept PJ uit en brengt bij mij het schaamrood op de kaken.
“Nee, je hoeft niet breed te zijn, als je maar slim bent”, antwoord de beambte ad rem.
“Waar bent u geweest in Nederland?” verander ik van onderwerp.
“We zijn naar Delft markt geweest en Rotterdam en naar een plaats met een groot treinstation…”
“Amsterdam?”
“Nee, hoe heette die plaats ook al weer?”Hij kan er niet opkomen en zonder de camper van binnen te bekijken, laat hij ons doorrijden. Zo gemakkelijk kan een grensovergang gaan.

November 2004

Vanuit Denver rijden we naar ons volgende logeeradresje. In Durango wonen Eileen en Sean (door ons Sjonnie genoemd) waar we afgelopen winter een paar weken mee door Mexico gereisd hebben. Hun honden Dinero en Misha hebben maar een paar tellen nodig om ons te herkennen. De pakken hagelslag en chocoladeletters worden gretig in ontvangst genomen. We kletsen gezellig bij en daarna wordt er natuurlijk gekaart. En Eileen en Sjonnie kunnen hun score nog steeds in het Nederlands zeggen!

Sjonnie heeft vorige weekend een wapitihert geschoten en voor het avondeten krijgen we hertenbiefstuk. We beginnen steeds meer te wennen aan dat Amerikanen op wild jagen. We begrijpen dat de wildstand af en toe aangepast moet worden, maar natuurlijk blijft het onzinnig dat er nog steeds op beren gejaagd mag worden.

De volgende dag krijgen we van Sjonnie les in pottenbakken. Als je hem voor het eerst ontmoet, zou je denken dat hij bijvoorbeeld bouwvakker of automonteur is. Dit komt niet alleen door zijn postuur, maar ook door zijn grote mond. Nooit verwacht dat hij zoiets creatiefs en delicaats als pottenbakker zou zijn!


 

Het is leuk om hem aan het werk te zien achter zo’n draaiplateau en een paar kommen en een waterkan te zien ontstaan. Wij mogen ook met klei aan de slag, maar ik wil meteen op de gevorderdenklas: met de draaischijf. Na een misbaksel begin ik het een beetje onder de knie te krijgen en ik ‘draai’ twee schaaltjes.

   

Na het gezellige weekend vertrekken we op maandag. We drinken nog even koffie met Sjonnie en mogen de handgemaakte mokken houden.

terug