Reisverslag USA, Canada & Alaska 2000

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA

1.    Reizen zonder gezeur

december 1999

“Naar Noord Amerika?”, vraag ik verbaasd. “Dat is zo’n gemakkelijk bereisbaar continent, dat kunnen we toch ook doen als we 65 zijn?”.
“Jawel, maar ik wil nu graag naar geciviliseerde landen!”, werpt PJ tegen. “Ik heb even geen zin om elke vier weken een vervelende grenspost te moeten passeren en om de 50 kilometer een wegversperring tegen te komen, waar we ons doorheen moeten kletsen. Ik wil gewoon reizen zonder gezeur”.

We zijn pas een jaar thuis van een reis van veertien maanden die ons voerde door Europa, Rusland, het Midden Oosten en Afrika. Onze negentien jaar oude, tot camper omgebouwde, Mercedesbus staat te roesten voor de deur. De verscheping vanuit Mombassa, Kenia heeft hem geen goed gedaan, maar na een uitgebreide beurt bij de garage vertrouwen we ons oude bakkie nog voldoende om weer met deze bus op pad te willen. De reiskriebels slaan weer toe. Reizen zonder gezeur kan eigenlijk alleen in Europa, Australië en Noord Amerika. Europa valt meteen af en Australië na enig inwinnen van informatie ook, want je eigen auto verschepen naar dat continent is schrikbarend duur. Na het lezen van verschillende reisboeken over de Verenigde Staten, Canada en Alaska kunnen we ons een aardig beeld vormen van Noord Amerika. Deze reis zal niet om cultuur draaien, maar de natuur zal ons belangrijkste doel zijn.

Omdat het thuisfront nu eenmaal graag wil weten wat we van plan zijn, stippelen we een globale route uit. Na aankomst in Georgia aan de oostkust zullen we de zuidelijke staten van de Verenigde Staten volgen tot aan de westkust. Vanuit California gaan we langzaam naar het noorden, Canada in. Onderweg stoppen we natuurlijk ook bij mijn familie in Utah en Montana. Na Canada staat Alaska op het programma. PJ en ik houden van verassingen en willen ons niet verplichten tot iets, dus maken we verder geen concrete plannen. Ik lees onderweg de reizigersgidsen van Lonely Planet en dan zien we wel welke bezienswaardigheden ons interessant lijken.  

Voor onze eerste grote reis hadden we nog geen dertien weken voorbereidingstijd genomen, dus het plannen van deze reis zal ook wel in een maand of drie moeten lukken. We hebben nu tenslotte ons vervoermiddel al en we zijn oude rotten in het reizigersvak. Banen worden weer opgezegd, ons huis wordt gemeubileerd in de verhuur gezet en de katten mogen weer bij onze buren logeren. De bus zal via Rotterdam naar Savannah in Amerika verscheept worden.

We gaan naar de vakantiebeurs in Utrecht, maar dat is nogal een afknapper. Ik wil niet opscheppen, maar als doorgewinterde reiziger krijg je op die beurs niet echt antwoord op prangende vragen. Zo willen we namelijk graag weten waar de ijsberen zich ‘s zomers bevinden. We weten dat de ijsberen in Canada zich in oktober verzamelen rond het plaatsje Churchill, waar zij op het land wachten totdat de Hudson Baai dichtvriest. Wij vragen ons af waar die beren de rest van het jaar zijn. Bij een stand waar twee Nederlandse biologen, die al jaren in Canada wonen, reizen naar Churchill promoten, denken wij de juiste personen voor deze vraag gevonden te hebben. Nou vergeet het maar, ondanks de tekst in hun folder “dankzij onze biologische achtergrond kunnen wij u veel over de ecologie van de beren vertellen”, moeten zij ons het antwoord schuldig blijven. Als we anderhalf jaar later zelf in Churchill zijn, blijkt het antwoord op deze vraag verbluffend simpel.

Een andere vraag stellen we bij de stand van de Amerikaanse Ambassade. Via de internetsite van de USA hebben wij informatie gevonden over hoe we een visum moeten aanvragen. Als je langer dan 90 dagen in de Verenigde Staten wilt verblijven, heb je als Nederlander een visum nodig. Bij de aanvraag van daarvan moeten we kunnen aantonen dat wij te zijner tijd de Verenigde Staten ook weer zullen verlaten. Hierbij geven ze voorbeelden: een verblijfsvergunning, bankafschriften, familiebanden, bewijs over werk of vergelijkbare sterke banden met het land waar je woont. Wij vinden het maar rare bewijzen. Van tevoren moeten we geld overmaken en daarna met ons paspoort en die ‘bewijzen’ bij het consulaat langskomen. We zijn bang dat ons een visum geweigerd wordt, omdat we niet de juiste papieren kunnen overleggen. Bij de stand van de Amerikaanse Ambassade informeren wij dus naar die ‘bewijzen’. Nou, daar weten ze zelfs niet eens dat Nederlanders bij een lange vakantie een visum nodig hebben. Daar zakt mijn broek van af. Wij zijn duidelijk nu al beter op de hoogte van allerlei zaken dan die ‘beroeps’ standhouders.

maart 2000

Veertien dagen voordat wij naar Amerika vertrekken moeten we de bus in de haven afleveren. Hiervoor hebben we de camper ontzettend goed schoongemaakt, want Amerika is als de dood voor agrarische ziekten die daar (nog) niet voorkomen. In alle kieren en naden vinden we nog het fijne rode stofzand uit Afrika en we zorgen ervoor dat zelfs onze schoenzolen er als nieuw uitzien, zodat de douane geen korreltje of zaadje tussen de ribbels zal vinden. We maken niet dezelfde fout als bij onze eerste verscheping (naar Zuid-Afrika) toen de bemanning van het schip zich tegoed heeft gedaan aan al onze persoonlijke spullen en een grote ravage achterliet. Dit keer hebben we alles afgegrendeld en kunnen ze niet verder komen dan de bestuurderscabine. De tijdelijke houten wand die PJ daarvoor met veel moeite heeft gemaakt, zal het alleen bij grof geweld begeven. r ons vertrek is de overdracht van ons huis. Dit is de eerste keer dat wij de huurders van ons huis ook zelf ontmoeten en eigenlijk is het helemaal niet leuk Op 13 maart vertrekken we vanaf Schiphol naar Washington. Bij aankomst in de Verenigde Staten vraagt de douanebeambte van immigratie hoe lang we willen blijven. Als ik zeg: “Vier maanden.” (is genoeg voor het eerste gedeelte van onze reis), stempelt hij zes maanden in ons paspoort! Hebben we ons daar nu zoveel zorgen over gemaakt?

Onze eerste indruk van Amerika is: schoon! De mensen op het vliegveld zijn vriendelijk en beleefd. Voordat een mevrouw de toiletruimte inloopt klopt zij eerst op de deur zodat ze niemand met de deur omver loopt. Als ik nies zeggen minstens drie mensen automatisch "Bless you". Tijdens de vlucht van anderhalf uur naar Savannah zien we de zon ondergaan en als we landen is het al donker. We zijn moe en hebben geen puf meer om, met het oog op ons budget, het goedkoopste hotel te zoeken. We nemen een taxi naar, volgens de reizigersgids Lonely Planet, het op een na goedkoopste hotel. Een stuurse, enorme negerin achter de balie van het motel boekt ons in en we moeten €100 betalen per nacht. Dat is even slikken! We zijn te moe om ons er nu druk over te maken. We lopen nog even naar het centrum voor een snelle hap en dan lig ik om negen uur 's avonds al in bed, want voor mijn lichaam is het inmiddels drie uur 's nachts. 

Om zes uur 's morgens zijn we natuurlijk allebei klaar wakker. PJ zet koffie op de kamer en om zeven uur zitten we gewassen en aangekleed achter een ontbijt. Het continental breakfast bestaat uit cornflakes, vele soorten cakejes, bagels (ronde, platte broodjes met een gat erin) met jam of crčmekaas en mini hamburgers die nog even in de magnetron gaan. En dat op de vroege ochtend! Daarbij is er nog keuze uit koffie, jus d'orange en melk.

Vanaf de balie van het motel bel ik naar de verschepingsagent in Savannah. Deze vertelt ons dat het schip waarmee onze camper wordt vervoerd, een dag vertraagd is. Baliemedewerker David heeft het een en ander opgevangen en begrijpt dat dit hotel voor ons te duur is en hij begint spontaan alle goedkope hotels af te bellen met de vraag of zij nog een kamer hebben. Hij vindt er warempel een en adviseert ons bovendien bij het visitors center kortingscoupons te halen. Hiermee krijg je nog eens tot 30% korting op de prijs van een hotelkamer. 

Ondanks het stevige ontbijt willen we ergens lunchen en het wordt Sticky Fingers, een sparerib restaurant. Een bordje meldt: “Wait to be seated”. We wachten geduldig bij de ingang tot een serveerster ons komt halen. Het blijkt erg druk te zijn en van de serveerster krijg ik een buzzer in mijn handen gedrukt, die zal gaan trillen als we aan de beurt zijn. Wel worden we geacht buiten te wachten. Al na een minuut of 5 begint de vibrator te trillen en mogen we naar binnen. Sticky Fingers is een restaurant dat volgens ons nog niet overal zit. Via een bezorgservice kun je voor U$56 een bakje spareribs (klaargemaakt en daarna diepgevroren) samen met een flesje beroemde plakkerige-vinger-saus naar alle staten van Amerika laten bezorgen. Dat doet toch niemand?

De serveerster heeft een heerlijk zangerig accent. Het rare is dat ze niet merkt dat wij uit Europa komen, terwijl ook wij met een accent Engels spreken. Soms best lastig, vooral omdat we bij een bestelling steeds keuzes moeten maken en de serveerster dit razendsnel opratelt. Bestelt PJ een biertje, wil ze weten welk merk. Bestel ik koffie moet ik kiezen tussen normale of cafeďne vrij, groot, middel of klein. Bij de vraag “wil je een super salade?” zeggen wij gretig ja. Na een paar vreemde blikken over en weer begrijpen we dat we weer een keuze hadden moeten maken. Ze vroeg ‘soup or salad?’, maar dat zei ze zo snel dat het leek of ze super salad zei. Na de lunch gaan we naar de bibliotheek en ik vraag bij de balie of ik internet mag gebruiken. Ik moet mijn naam en adres invullen en een man loopt met ons mee om het wachtwoord op de computer in te tikken. En zo zitten we even later te e-mailen en te surfen op internet. Gratis! Dit kan dankzij de Bill Gates foundation die elke bibliotheek in Amerika en Canada een paar computers geschonken heeft. PJ zoekt op de site van Cape Canaveral naar de eerstvolgende raketlancering. Die van 20 maart halen we niet meer. Helaas blijkt de volgende lancering pas op 17 april te zijn, dus Cape Canaveral kan van ons lijstje.  

We overnachten in een motel, dat met die kortingscoupon nog 'maar' €32 kost. De service is echt minimaal: geen koffie, geen ontbijt en het meubilair is oud en versleten. Het bedlampje doet het niet en als PJ het gordijn dichttrekt valt dat met roe en al naar beneden. Wel kunnen we 24 uur per dag de weersvoorspellingen zien op het weather channel. In de avondzon drinken we een biertje voor onze kamer. Een kerel is op zijn gemak de wielen van zijn oude auto aan het verwisselen en even later worden ook de schokbrekers vervangen. We krijgen de indruk dat veel mensen hier niet logeren, maar wonen.  

's Morgens ontbijten we bij McDonalds en maken we de slappe koffie een beetje sterker met een extra schepje oploskoffie. We staan al om half negen op de stoep bij de verschepingsagent. Het duurt tot tien uur voordat al het papierwerk voor elkaar is en dan vraag ik ijskoud of iemand ons even naar de haven kan brengen. Het lukt! Een ‘vrijwilliger’ wordt aangewezen en hij brengt ons naar de douane. De komende vijf uur bestaan uit papieren invullen en vooral wachten, veel wachten. De douanebeambte die onze bus wil checken, komt niet verder dan de bestuurderscabine. Hij informeert wat er achter dat houten schot zit. Hij gelooft ons op ons woord als we zeggen dat we geen wapens, drugs, voedsel (zelfs ingeblikt vlees is verboden) of gemotoriseerde voertuigen in onze bus verstopt hebben en de bus wordt ‘schoon’ verklaard. Om half drie rijden we het haventerrein af.

Buckle up, gordels om, de reis gaat beginnen!

2.    De bus is weer ons huis 

De eerste maand van onze trip reizen we door de staten Georgia, South Carolina, Florida, Alabama, Mississipi en Tennessee. Dat zijn behoorlijk wat kilometers, dus pikken we alleen wat hoogtepunten uit elke staat. Sommige staten vinden we helemaal niet de moeite waard en ook het weer zit niet altijd mee. Daarom reizen we soms sneller dan we van plan waren.  

In Georgia en South Carolina staan steden zoals Savannah, Charleston en Beaufort vol met prachtige houten koloniale huizen met veranda's van ingewikkeld ijzerwerk en houtsnijwerk. In tuinachtige pleintjes staan azalea's en bougainville struiken al volop in bloei. Het ziet er net zo uit als in de film, alleen is dit geen decor. En wat je niet verwacht: de straten zijn bestraat met oude klinkers.  

Charleston heette in 1670 nog Charles Towne, maar in de loop der jaren is dat verbasterd tot Charleston, wat dus niets met de dans heeft te maken. Deze kosmopolitische stad met invloeden uit India, Afrika en Europa, was een belangrijke havenstad. De slaven vanuit West-Afrika werden hier aan land gebracht, maar nadat de slavenarbeid was afgeschaft, stortte de economie in. Nu floreert de stad door de toeristenindustrie.

Ook Myrthle Beach is zeer toeristisch, maar hier zijn geen Victoriaanse huizen. Deze kustplaats bestaat alleen uit hotels, motels, fast food restaurants en pretparken. De spring break (voorjaarsvakantie) is begonnen en gelukkig zijn we vroeg met inchecken, want aan het begin van de avond zit alles vol.

We hebben een camping direct aan zee en gebruiken de middag om de bus in orde te maken. Vooral de ski’s zijn een probleem, want die passen niet in de dakkoffer. Het commentaar van de andere campinggasten is niet van de lucht. Niet zo verwonderlijk, want het is hier 25 graden en erg vlak. PJ wordt gestoken door minuscule vliegjes, waardoor hij al snel onder de rode vlekjes komt te zitten. In eerste instantie is de beet alleen maar een beetje venijnig, maar de volgende dag gaan die vlekjes vreselijk jeuken en worden het bultjes. Het is geen gezicht en een week later jeuken ze nog! We horen dat deze vliegjes no-see’hms genoemd worden, ik noem ze ‘ziezenietjes’.  

Na een dag hard werken heeft bijna alles een plaats gekregen en besluiten we een eind langs de boulevard te gaan lopen. Hier zien we een bord: “Flaneren met auto of motor is verboden”, maar de bestuurders van prachtige oldtimers trekken zich hier niets van aan. Ze zijn vanuit het hele land speciaal hiernaartoe gekomen vanwege een oldtimers tentoonstelling en willen er zeker van zijn dat ze gezien worden.

Cheerleaders, die vanwege een competitie naar Myrthle Beach zijn gekomen, willen vooral gehoord worden. We zien veel ‘gekloonde’ tieners met dezelfde trainingspakken, paardenstaart en gymschoenen. De avond voor de competitie hangen ze over de balkonnetjes van de hotels en schreeuwen hun kelen rauw naar de jongens op straat. PJ voelt zich aangesproken en is zeer vereerd.  

Omdat wij niet van amusementsparken en toeristen houden, hebben we in Florida weinig te zoeken. Bovendien is het weer erg wisselvallig, dus rijden we alleen door het noorden van deze staat. In Daytona Beach draait alles om snelheid. Er zijn verschillende soorten racecircuits en je kunt er motoren (bijvoorbeeld een echte Harley Davidson) en snelle auto's huren waarmee over de boulevard gereden kan worden. Sinds 1900 is het toegestaan met je voertuig het harde zandstrand op te rijden. Verder is er elk jaar begin maart (net gemist dus) een motorenweek, waarbij duizenden motoren de stad bezetten. Ook hier worden springbreakers welkom geheten en strakke meiden flaneren in minuscule bikini’s langs de boulevard. Jongens zijn al vroeg dronken en schreeuwen naar de meiden. 

Een flink eind buiten Daytona vinden we een camping in het Hot Springs State Park waar vanaf oktober tot en met maart zeekoeien in de rivier overwinteren. Deze zoogdieren, die iets weg hebben van zeeleeuwen en robben, komen hiernaartoe omdat een hete bron de rivier een constante temperatuur van 23 graden geeft. Ik vind het een beetje de watjes onder de zeezoogdieren. Ondanks een centimeters dikke speklaag vinden ze het in zee te koud in de winter.

De camping is ruim opgezet met tussen elk plekje tien meter bos, waarin we hamsters en vogels horen ritselen. Omdat we in een State Park zijn, mag er geen alcohol gedronken worden! Een raar idee om geen biertje te mogen drinken in je eigen huis. PJ lapt dit verbod dus maar aan zijn laars.

Vlak voor zonsondergang wandelen we naar de rivier en turen in het water. Af en toe zien we een staart boven water, horen we geblaas en gesnuif en zien we het water opborrelen, maar de zeekoeien laten zich niet echt zien. We lopen via een mooi bospad naar de hete bron. Op de terugweg komen we een ranger (boswachter) tegen.
“Komen de zeekoeien ook wel eens dichterbij de oever, want we konden ze nu zo slecht zien”, vraag ik.
Hij schiet in de lach: “De zeekoeien zijn al drie weken geleden terug naar zee gegaan!”.
Wat wij dachten dat zeekoeien waren, zijn dus gewoon luidruchtige vissen geweest!
 

De volgende dag doen we uitgebreid inkopen in Wal*mart; een soort V&D en Albert Heyn samen. We kopen onder andere potjes verf, zodat ik weer tulpen en molens op de bus kan schilderen. We hebben namelijk voor vertrek die roestige oude bak overgeschilderd, zodat hij er voor de Amerikaanse douane niet zo zigeunerachtig uit zou zien. Maar nu we op een continent zijn waar iedereen Holland associeert met tulpen en molens, horen die er toch eigenlijk weer op. Bij het afrekenen van de verf kijkt de caissičre met een schuin oog of PJ wel boven de achttien is. “Waarom wilt u weten of ik ouder dan achttien ben?”, vraagt PJ, die alweer vereerd is, want hij is tenslotte 35.

“Dat is vanwege verf snuiven”. We weten dat een verslaafde een hoop kan snuiven, maar hier hebben wij nog nooit van gehoord. Later horen we dat het ter preventie van graffiti is. Ja, dat is een betere verklaring. Onderweg zien we een bord met de waarschuwing dat er staatsgevangenen langs de weg aan het werk zijn. Stoppen is verboden! De groep is afval aan het opruimen en ze dragen opvallende oranje overalls. Achter hen staat de boevenwagen met zijn zwaailichten aan en een sheriff houdt de wacht. Zoiets zul je in Nederland voorlopig niet meemaken. Als we even later bij een picknickplaats koffie drinken, komt de groep gevangen doodleuk het terrein oprijden en beginnen aan de tafel naast ons hun lunch te verorberen. De sheriff houdt ook dit keer de wacht.

Volgens mij kom je hier al gauw in de gevangenis, want op het weggooien van afval staat al een gevangenisstraf. Als je geluk hebt, kom je eraf met een boete van U$1000. Dat zelfs deze dreigborden niet echt helpen, blijkt wel nu gevangen alsnog afval moeten opruimen. Zo schoon is Amerika dus toch ook weer niet!

Wij houden ons trouwens keurig aan de snelheidsbeperkingen met als gevolg dat we door iedereen, inclusief politie, worden ingehaald. Ook moeten we even wennen aan het feit dat we op de snelweg links én rechts ingehaald mogen worden.  

Als we verder het binnenland van Florida inrijden, zien we voor het eerst waarschuwingsborden voor zwarte beren! Het zal echter nog maanden duren voordat we onze eerste zwarte beer zien. De route die we rijden, wordt tijdens een orkaan(dreiging) gebruikt als hurricane evacuation route. De helft van de bevolking woont in veredelde stacaravans, dus is het niet zo verwonderlijk dat een orkaan hier zo gemakkelijk veel schade aanricht.

Bij het bezoekerscentrum van het Ocala National Forest kopen we een dikke gids met gratis campings in de Verenigde Staten. Een investering van €18 die we er snel uit hopen te hebben. We gaan op zoek naar een van de overnachtingsplekken uit deze gids, maar kunnen hem niet vinden! Vermoeid belanden we op een dure camping. Dat schiet lekker op. Het staat er vol met kampeerauto’s. Die worden hier Recreation Vehicles genoemd, afgekort tot RV’s. De een is nog groter dan de andere. Wij zijn met onze zes meter de kleinste. Bovendien heeft een RV ook nog allerlei uitschuif mogelijkheden waardoor hij op de camping nog eens twee keer zo breed wordt. Verder reist vrijwel niemand met alleen een kampeerauto, de personenauto gaat ook mee en hangt achter de RV. Ze hebben hier zelfs een werkwoord voor deze manier van reizen: "go rv-ing", wat men na het behalen van de pensioengerechtigde leeftijd ook massaal doet. Het uitje van de dag voor deze grijze duiven blijkt hier een bingoavond te zijn. Wij houden het maar bij het opentrekken van een blik aardappel-knoflooksoep.  

Bij een bezoekerscentrum vinden we de gratis camping op een gedetailleerde kaart wel, maar de route omschrijving in de gids is volgens ons niet erg logisch. Dat kan leuk worden. In de loop van de reis merken we dat deze gids door verschillende auteurs is geschreven en dat niet elke schrijver het even nauw neemt met de afstanden en omschrijvingen. De ene keer is het vinden van de camping een peulenschilletje, de andere keer komen we er absoluut niet uit. 

De volgende dag vinden een overnachtingsplek uit de nieuwe campinggids aan Lake Seminole. Op het bosrijke stukje grond staan ver uit elkaar vijf picknicktafels en bij elke tafel is een barbecue en een vuurplaats. Er is zelfs een toilet. PJ ververst olie en morst bijna niets. Ik begin met het schilderen van de tulpen en molens en schrijf weer ‘Holland’ op de voor- en achterkant. Er is een kakofonie van vogelgeluiden om ons heen, een specht timmert met ongelooflijke snelheid op de bomen, watervogels pruttelen in het meer, eekhoorntjes ritselen door de dode bladeren en een waterschildpad hapt af en toe naar adem. Mooie vlinders vliegen geruisloos om de bus. Kortom, een idyllisch plekje en dat helemaal voor niets.

Vijftien maanden later krijg ik in het noorden van Canada van een vrouw uit Georgia een boek over Lake Seminole. Ze heeft haar hele leven aan dit meer gewoond en beschrijft wat er allemaal te zien is. Vooral de drie meter lange alligators die in dit water leven bezorgen ons kippenvel. Goed dat we dat nu nog niet weten.  

We rijden Alabama binnen, de vierde staat van onze reis. De Lonely Planet schrijft er niet veel over en ook het infocentrum kan ons niet leuks over deze staat vertellen, dus nemen we de snelweg.

Als we even stoppen bij een restarea, komt er meteen een gezellige neger met een dikke sigaar in zijn mond op ons af. In prachtig zuidelijk, bijna onverstaanbaar, Amerikaans informeert hij naar onze bus. Vol bewondering roept hij zijn vrouw erbij die qua accent niet voor hem onderdoet. Zonder zijn sigaar uit zijn mond te nemen zegt hij tegen PJ: “Heb jij even een grappig accent!”. Wij denken hetzelfde van hem, maar durven dat niet hardop te zeggen. Zijn vrouw kruipt in de bus en slaakt bewonderende kreten. Ik lig in een deuk. De man is de bewaker van het terrein en van hem horen we dat je hier niet mag overnachten. Dat doen we dan maar bij een benzinepomp. In de winkel ernaast verkopen ze veiligheidshelmen in de vorm van cowboyhoeden en lasmaskers in de vorm van een varkenssnuit, een gorillakop en een doodshoofd. Dit is Amerika! 

In Mississipi had ik gehoopt het zwoele sfeertje aan te treffen, die we vaak in films zien, maar het is regenachtig. De veranda’s van de oude houten huizen zijn met muskietengaas bedekt, maar niemand zit in de schommelstoelen die er staan. De camping in het Leroy Percy State Park, ligt in een mangrovebos. Door het slechte weer heeft het een spookachtig uiterlijk. Tijdens onze eerste verkenning zien we ineens een flinke alligator op een drijvende boomstam liggen! Hij schrikt van ons en laat zich in het water glijden. Ik heb gezien dat het watertje bij onze camping in verbinding staat met het meer, dus we lopen even naar het informatiecentrum om ons gerust te laten stellen. “Ja, er zitten er wel meer. Nee, de grote alligators wagen zich niet bij de camping, maar af en toe zien we daar wel een kleintje”.
Als ik hem verschrikt aankijk, zegt die grapjas: “Maar die zal je niet lastigvallen, hoor”.
Op de camping staan alleen een paar caravans die toebehoren aan vieze oude mannetjes die na een dag vissen, rochelend en boerend bij een kampvuur zitten. Gelukkig vallen ook zij ons niet lastig. We hadden graag wat meer van deze staat willen zien, maar door het slechte weer ligt ons reistempo hoog.

april 2000

We schieten het puntje van Tennessee in, waar we de Graceland Mansion, het huis van Elvis Presley, willen bezoeken. Na het Witte Huis in Washington, is Graceland in Memphis het meest bezochte woonhuis van Amerika. Wij zijn geen fans van Elvis’ muziek, maar wel allebei benieuwd naar de huldebetuiging van miljoenen mensen die hier naar toe komen. PJ parkeert de bus plompverloren voor het huis van Elvis. Op de anderhalve meter hoge muur rondom zijn villa hebben mensen van allerlei nationaliteiten hun adoratie voor de "King of Rock & Roll" gekrast. Vanaf de straat kunnen we over de muur het huis al zien liggen dat aan de voorkant ondersteund is door Corinthische witte pilaren. Maar om het entreebiljet te kopen, moeten we eerst de drukke Elvis Presley Boulevard oversteken. Tot onze grote verbazing kan men zichzelf aan deze kant van de weg laten vereeuwigen voor een doek met een schildering van Graceland, terwijl honderd meter verderop het echte huis staat. De foto, die binnen het uur afgedrukt wordt, kost ook nog eens handenvol geld. Amerikanen maken gretig gebruik van deze ‘service’, wij maken gewoon zelf een foto voor de villa. We kunnen het huis alleen bezichtigen door ons met een shuttlebusje er naar toe te laten vervoeren, want lopen is te gevaarlijk, en zo gaan we even later rijdend de drukke boulevard weer over. Iedereen ontvangt tijdens het uitstappen een walkman en tijdens de tour luisteren we naar de mierzoete stem van Priscilla Presley.

Graceland is in jaren-70-stijl ingericht, druk en protserig, met groene vloerbedekking op het plafond, goud gerande tafels, veel duizelig makende spiegels, een waterval langs de muur in de jungleroom en met sterretjes bezaaide kussens op de grond. In een gebouw in de achtertuin zien we een groot aantal van Elvis’ gouden LP's en kostuums in vitrines. Grappig om te zien dat hij zijn hele leven maatje 50 heeft gehouden, tenminste zo worden de pakken nu geëtaleerd. De bovenverdieping van de villa is niet te bezichtigen. Hier is de slaapkamer van de King en het zwarte toilet in de badkamer waar hij dood gevonden werd. Later horen we dat Mevrouw Presley deze verdieping binnenkort toch wil openstellen. Hierdoor zullen alle trouwe fans van Elvis nog een keer naar Graceland komen om ook deze kamers van hun idool te kunnen zien. Handig zakenvrouwtje, die Priscilla, ze was nota bene al van Elvis gescheiden!

Naast Elvis’ graf in de tuin liggen ook zijn doodgeboren tweelingbroertje Jesse Garon en zijn ouders begraven. Bij zijn graf geen hysterische taferelen. Blijkbaar zijn er vandaag geen echte fans. Zijn levensverhaal op de tape is ook afgelopen. Opvallend is het dat er met geen woord gerept wordt over het overmatig eet- en drugsgebruik. Volgens de stem op de tape is hij na een potje squash in zijn slaap op 16 augustus 1977 aan een hartaanval overleden. Geloof je het zelf, Priscilla? Na anderhalf uur staan we weer bij de bus. PJ pakt een stift en kalkt: "Seen it, done it" op de muur.  

Maanden later zitten we op een regenachtige middag in Alaska in de bus en horen we van buiten:
"Kijk eens naar al die stickers, ze zijn overal geweest!"
"Oh, ze zijn ook in Graceland geweest"
"Wat is dat ook al weer?"
"Heeft dat niet iets met muziek te maken?"
"Nee joh, dat is het paleis waar Prinses Grace woont!"


3.   
Indianen en buitenaardse wezens 

De voormalige US Highway 66, beter bekend als Route 66, loopt van Chicago naar Los Angeles. De weg is 3700 kilometer lang en gaat door acht staten. We bezoeken in Oklahoma een van de vele Route 66 musea. Ook hier worden we geďnformeerd via een walkman, Amerikanen houden blijkbaar niet van lezen. Als we op knoppen drukken, kunnen we muziek uit de jaren 50, 60 en 70 horen, met als thema Route 66. Voor ons is deze weg vooral bekend geworden door de hippiegeneratie uit de jaren 60 en 70, die in psychedelisch beschilderde Volkswagenbusjes op zoek gingen naar een betere wereld. Maar Route 66 is aangelegd, omdat er dringend behoefte was aan wegen en in 1926 werd dit ambitieus plan opgepakt. Van deze weg was 2400 kilometer nog onverhard en pas eind jaren 30 werd hij helemaal geasfalteerd. In deze periode trokken arbeiders weg uit het noorden vanuit de stoffige prairies om hun geluk in het groene California te beproeven. Deze migratie van ongeveer 210.000 mensen trok over Route 66. En in 1940 reden legertrucks over de US highway 66. Zo heeft elk decennium zijn eigen kenmerken. Nu er nog maar weinig van de originele weg over. Interstate 40 werd aangelegd en de oude route kwam in verval. Met moeite zijn een aantal herkenningspunten langs de weg terug te vinden, zoals hotels, benzinepompen en opvallende reclameborden.

Het wordt kouder en kouder. We volgen de Interstate 40 en langs de weg staat een ode aan de Route 66; tien cadillacs op een rij die rechtop met hun neus in de grond begraven staan. Als we er even naar toelopen vriezen onze oren er haast af. We zien voor het eerst borden langs de weg staan met de tekst: "Lifters zouden ontsnapte gevangenen kunnen zijn!" of “Gevangenis, liften verboden”.  

Als we door het bovenste puntje van Texas rijden, zien we tot aan de horizon prairies met robuuste bruine koeien, af en toe een cowboy te paard en jaknikkers (ont)sieren het landschap. Mijn vooroordelen over Texas worden bevestigd en de saaie staat spreekt mij niet aan. In maart van het volgende jaar komen we terug in het zuidelijke gedeelte en mijn mening zal bijgesteld moeten worden, want in het zuiden vind ik het prachtig! “Alles is groter in Texas”, zeggen ze in Texas. Voor wat betreft de biefstuk klopt dat wel. The Big Texan Restaurant in Amarillo biedt de grootste biefstuk van het land aan. Zie je kans binnen een uur een steak van 72 ounce (plus bijgerechten) naar binnen te werken dan hoef je de maaltijd, die normaal U$50 kost, niet te betalen. Je moet denken aan een stuk vlees ter grootte van een telefoonboek. Mocht je dit nog niet ontmoedigen; slechts een op de zes personen lukt het! Wij zijn erg dol op gratis, maar hier wagen wij ons toch maar niet aan. 

De volgende staat, New Mexico, is compleet anders, het landschap verandert van het ene op het andere moment: tafelbergen doorbreken de saaie rechte horizon, vreemde cactusachtige begroeiingen, rode aarde, felgroene bomen en een wolkenloze staalblauwe hemel. Deze staat spreekt ons meteen aan. Wij zijn gek op woestijnachtige landschappen, de bijbehorende hitte en de combinatie van bergen met sneeuw. Daarom gaan we de snelweg af, het ruige landschap in. Rijdend op de hoogvlakte van 2000 meter, die ons qua uiterlijk aan de woestijn van Namibië (Afrika) doet denken, is het maar nul graden. Door de lage temperatuur trilt de lucht niet zoals in Afrika en zijn de vergezichten haarscherp. Hier krijgen we eindelijk het vrije gevoel van reizen zonder doel weer terug, gewoon per dag beslissen wat we zullen gaan doen. De belangrijkste oorzaak is allereerst het prachtige weer. Maar het komt ook, doordat we hier heel makkelijk rustige overnachtingsplekjes vinden, waar we wat langer kunnen blijven staan. Het gejaagde gevoel gaat eindelijk over. Na vijftien kilometer onverharde weg vinden we de overnachtingstek aan een droge rivierbedding. Overal hangen waarschuwingsborden voor beren. We zijn in bearcountry.

PJ sleutelt aan de bus, we liggen in de zon en bestuderen een knaagdiertje, dat tunnels graaft naast onze bus en hopen aarde opwerpt alsof hij een mol is. Hele bloempollen verdwijnen af en toe de tunnels in, maar meer dan zijn snuitje krijgen we niet te zien. ‘s Avonds bak ik biefstukjes en met een glaasje witte wijn vieren we ons elfjarig huwelijk in het berenbos. Het is opvallend stil, zelfs de vogels laten zich niet horen. ‘t Komt waarschijnlijk door de droogte. We zitten op 2400 meter en ‘s nachts wordt het berekoud; net onder het vriespunt. 

In het noorden van New Mexico wonen nog veel Indianen in reservaten. Ze proberen hun tradities te behouden, maar laten wel toeristen toe in hun dorpjes. Ondanks dat je het gevoel hebt door een openluchtmuseum te lopen, wordt er wel respect verwacht ten opzichte van de mensen en zomaar een woning binnenlopen is niet toegestaan. De vierkante woningen, pueblo’s, hebben afgeronde hoeken en zijn met rode klei gladgemaakt. De rode grond is droog, de spaarzame groene struiken steken hier heel mooi tegen af. De weg, die af en toe door een diep ravijn loopt, gaat van het ene reservaat naar het andere. Vaak is filmen en fotograferen verboden. Bij Pueblo San Ildefonso staat een bord dat fotograferen en filmen met een permit is toegestaan, alleen kost dit €35. Dan maar geen foto’s. 

We willen bij Santa Fe gaan skiën. Daar nemen we de bergweg en stijgen naar 3300 meter. We willen pas de volgende dag gaan skiën en we brengen de middag door op het parkeerterrein. In het zonnetje verbranden we lekker en hebben we een prachtig uitzicht op de droge woestijn. Raar idee als je met je voeten in de sneeuw zit. ‘s Nachts is het -4 graden geweest en de ijsbloemen staan op de ruiten. We kleden ons dik aan en pakken de ski’s en skischoenen. Ik heb in Nederland op de rommelmarkt een paar skischoenen gekocht en ik vraag me nu pas af of ze wel op mijn ski's passen. Nee dus! Bij de skiverhuur vragen we of ze passend gemaakt kunnen worden. Een heuse Indiaan met zwart lang haar, breed gezicht en donkere ogen kijkt verwonderd naar de conditie van mijn ski's. Ze zijn al jaren niet gewaxed en de zijkanten zijn verroest. Als dan ook blijkt dat de binding lam is, geeft hij de hoop op. “Ik ben bang dat je ski’s zal moeten huren”. Dat is wel even lastig, want PJ moet nu mijn gewicht in ounces omrekenen en mijn lengte in feet.

Omdat Amerika bekend staat om zijn regels en veiligheidsmaatregelen zijn we geschokt als we de stoeltjeslift instappen: er is geen beschermingsbeugel die je naar beneden kunt doen. We kunnen er dus zo uitvallen! Bovendien is er nu geen voetsteun, dus die zware schoenen met die lange latten bungelen ook maar een beetje onder ons. Doodeng vinden we het! We zien een dame in korte broek skiën en een dennenboom langs de lift is ‘versierd’ (er ingegooid) met bh's en slipjes. Rare snuiters die Amerikanen! Na een halve dag skiën in dit kleine skigebied wordt de sneeuw papperig en ik word stijf. We houden het voor gezien. We zakken een paar honderd meter naar een eenvoudige camping. Hoewel we €7,50 moeten betalen, krijgen we niets meer dan op een gratis camping. Toch een beetje zonde van je geld. Het geld moeten we in een envelopje doen met ons kenteken erop. Aan een boom zit een soort collectebus om het in te stoppen. Als je gecontroleerd wordt en je hebt niet betaald krijg je een fikse boete. We overwegen, net zoals de buren, niet te betalen, maar toch stoppen we geld in de collectebus. Als later de ranger langs komt, krijgen de buren een boete. 

We bezoeken de plaats Los Alamos en het is inmiddels 25 graden, wat een verschil met vannacht. Hier is het laboratorium waar de atoombom is uitgevonden. Nu proberen ze daar een commercieel slaatje uit te slaan door T-shirts te verkopen met de tekst: “I glow in the dark, Los Alamos”. In een supermarkt waar het personeel ons niet al te snugger overkomt (blootgesteld aan straling?) laten we twee fotorolletjes afdrukken. Bij het afrekenen laat ‘het licht’ achter de balie ons maar één rolletje betalen. Wel vraagt hij of we de familie Trevinski kennen. “Nee? , maar die wonen ook in Holland hoor!” 

We overnachten in het Santa Fe National Forest. Dat dit soms niet helemaal zonder gevaar is, lezen we drie weken later in de krant. De National Park Service steekt in het bos struikgewas in brand, ter preventie van grote bosbranden. Eigenlijk is het veel te droog voor deze preventieve branden en harde wind wakkert het gecontroleerde vuur aan. Dit loopt finaal uit de hand en na een week worden 18.000 mensen geëvacueerd en ten minste 100 woningen in Los Alamos branden totaal af, om niet te spreken over de grote hoeveelheden bos die verwoest zijn. De brand is op satelietfoto’s te zien en de rook bedekt grote delen van vier staten in Amerika. 

We zakken een flink stuk naar het zuiden over de snelweg en rijden dan langs de Jornade del Muerto woestijn. Dit is een militair gebied van 6000 vierkante kilometer. In dit gebied is als test op 16 juli 1945 de eerste atoombom tot ontploffing gebracht. Twee keer per jaar is de Trinity Site geopend voor publiek, o.a. op 1 april. Vandaag is het 7 april dus we zijn net een week te laat. Achteraf lees ik, dat vanwege miniem stralingsgevaar, zwangere vrouwen en kinderen geadviseerd wordt er niet naar toe te gaan! Gelukkig dus maar dat de plek gesloten was, want straling is straling en ik vraag me af of dat dan voor ons ook niet gevaarlijk is.  

Na een paar zonnige dagen in een bos rijden we naar het plaatsje Roswell, in de hoop dat het UFO-museum ook op zondag open is. In dit museum wordt onder andere het Roswell incident uitgelegd. Volgens een aantal ooggetuigen is in 1947 vlakbij Roswell een UFO neergestort met daarin vier verongelukte buitenaardse wezens. De lijken van de kleine mensachtige figuren, met vier vingers en insectachtige ogen, zijn later ook door een verpleegster in het mortuarium gezien. Het leger zou het voorval in de doofpot gestopt hebben en beweert dat het met een militaire weerballon te maken heeft. Er zijn ook vele getuigenissen te lezen van mensen die andere UFO’s gezien hebben, soms met hele dorpen tegelijk. De vele UFO foto’s, die overal ter wereld genomen zijn, zien wij niet echt als bewijzen. Het is een grappig museum waar ook de ingewikkelde graanpatronen (geen cirkels meer te noemen) worden behandeld. Het museum laat de bezoeker zelf de keus om het te geloven of niet. We verlaten het museum met gemengde gevoelens. Na dit bezoek durven wij niet meer met stelligheid te beweren dat er geen leven is buiten onze planeet. 

Over landweggetjes en door kleine dorpjes tuffen we verder naar het zuiden. In de tuinen liggen prachtige oldtimers weg te roesten. De stacaravans zijn armoedig, het landschap is droog en het is 30 graden. Als ik in ons keukentje koffie aan het zetten ben, komt een oude Mexicaan in gebrekkig Amerikaans vragen of we problemen hebben. We bedanken hem en verzekeren dat alles in orde is. De mensen zijn hier blijkbaar nog ouderwets behulpzaam en laten zich niet afschrikken door onze zigeunerbus.  

Ons volgend doel is White Sands National Monument waar hoge witte gipszandduinen door de wind steeds van vorm veranderen. Volgens de gids is er een camping, maar we verwachten er geen sprokkelhout dus dat verzamelen we nu alvast langs de weg. PJ gooit hele takkenbossen naast het bed, zodat het gangpaadje naar de keuken versperd is. De zon is al aan het ondergaan, gauw nog even tanken en fotorolletjes kopen en wij zijn er klaar voor. Bij de ingang horen we dat het park een uur na zonsondergang dicht gaat. Omdat het al zo laat is, hoeven we geen entree te betalen. Jammer genoeg blijkt er toch geen camping in het park te zijn. Dat is een probleem voor later, want de zonsondergang is al in volle gang. De lucht is bewolkt, waardoor het laatste zonlicht een prachtig kleurenspel op de wolken laat zien. Ik ren de duintoppen op en af, niet denkend aan slangen en andere enge beesten en maak mooie foto’s van de lucht en de duinen. Bij het dichtstbijzijnde benzinestation willen we overnachten, maar we lopen in een politiefuik. De agenten zijn op zoek naar illegale Mexicanen. De agent wil alleen ons paspoort zien en komt niet naar binnen. Gelukkig, anders was hij gestruikeld over onze illegaal gesprokkelde houtberg. Op onze overnachtingstek breekt PJ de takken in kleine stukken en bergt ze op in een bak achter op de bus, voor later. Ons bed is weer bereikbaar.  

Al om een uur of zeven rijden we het park weer in. De zon is net op, de lucht is bedekt met onweerswolken, wat een mooi contrast geeft met de spierwitte duinen. Dit park is ontstaan door ijswater uit de omliggende bergen. Normaal loopt een meer leeg in rivieren en stroomt het smeltwater uiteindelijk naar zee. Hier zijn geen rivieren, dus de zon verdampt het water. Er ontstaan minerale kristallen, die vooral uit gips bestaan. Dit wordt mee genomen door de wind, maar is te zwaar om ver verplaatst te worden. Hierdoor ontstaan de gipsduinen. Een aantal dieren ziet kans hier te overleven, zoals slangen, vossen, hagedissen, muizen en torretjes, die hun nachtelijke sporen in het zand achterlaten. Normaal groeien woestijnplanten erg langzaam, maar de soaptree yucca heeft een andere tactiek. De yucca overleeft de snelveranderende duinen door juist 30 centimeter per jaar te groeien, waardoor hij altijd boven het duin blijft uitsteken. Pas als het duin zich totaal verplaatst, valt hij om en moet alsnog het onderspit delven. Na een paar uur in het park doorgebracht te hebben is de lucht totaal betrokken en zijn de kleurnuances verdwenen. Tijd om te vertrekken.  

Het park is aan drie kanten omgeven door militair gebied. Na WOII werden hier raketten getest die ingepikt waren van het Duitse leger. Nu is het gebied nog steeds belangrijk testgebied voor experimentele wapens en ruimtetechnologie. Als we langs de militaire basis van Missile Range rijden zie ik een bordje ‘museum’. Tot grote schrik van PJ wil ik erheen. Hij heeft het niet zo op kazernes. Na een aantal strenge veiligheidsmaatregelen mogen we een piepklein stukje van de enorme basis oprijden. Naast het museum is het vredesplein, waar een aantal raketten staan opgesteld. Ze noemen dit het vredesplein, omdat deze wapens ervoor gezorgd hebben dat we al zo lang een (gewapende) vrede hebben. De Patriot, die ik herken van de oorlog met Irak, staat trots vooraan. Maar wat ons nog veel meer opvalt is een raket in de vorm van een vliegende schotel. Volgens het bordje was deze raket een onderdeel van het Voyager Balloon System die neerstortte in de buurt van Roswell en voor UFO werd aangezien. PJ is ervan overtuigd dat ze deze vreemd gevormde raket speciaal gemaakt hebben om de verhalen over de neergestorte UFO in Roswell te ontkrachten. We verlaten New Mexico. In deze staat zagen we huizen met Mexicaanse en Indiaanse invloeden, door buitenaardse wezens besmette dorpjes, prachtige woestijnen, maar ook sneeuw! Alleen het bergachtige westen hebben we overgeslagen, maar daar komen we volgend jaar voor terug. 

4. Door het rode land

april 2000

Arizona is populair bij de Amerikanen. Hier ligt de Grand Canyon, maar ook minder bekende bezienswaardigheden zoals Canyon de Chelly. Wij beginnen ook met de bekende toeristenattracties, maar zullen in de loop van onze reis een paar keer terugkomen naar deze staat en ook de ‘vergeten’ plekken bezoeken. Als eerste gaan we naar het Saguaro National Park. Hier groeien twaalf meter hoge cactussen met zijarmen. Ze  komen zo uit een stripboek van Lucky Luck of Snoopy. Bij het bezoekerscentrum zien we welke dieren er in en om de cactussen leven: slangen, schorpioenen, vogels, bergleeuwen, stinkdieren, wasberen en vogelspinnen. Vooral dat laatste jaagt mij de stuipen op het lijf. We rijden het park door en maken met de zelfontspanner foto’s van onszelf naast die enorme planten. Ik kijk steeds schichtig om mij heen of ik die griezels zie en PJ durft niet eens aan slangen te denken. De bus maakt rare geluiden en er is iets goed mis. Rijden we harder dan stapvoets dan gaat onder de bus iets vreselijk schuren en rammelen. We zijn blij als we het park uit zijn. Uit het differentieel lekt olie en we nemen aan dat het gekraak daardoor veroorzaakt wordt. PJ wil daarom geen meter meer rijden. We vragen in het bezoekerscentrum om hulp en ze gaan telefonisch voor ons aan de slag. De Mercedersdealer in Tucson doet alleen personenauto’s, anderen willen niets met buitenlandse auto’s te maken hebben, maar uiteindelijk vindt de ranger een garage die ons wel wil helpen. En dan komt het volgende probleem: wie kan een 3000 kilogram wegende bus verplaatsen zonder dat de assen in beweging komen? Een wegsleepdienst voor vrachtwagens wil wel een poging wagen.

Terwijl we daarop zitten te wachten in het bezoekerscentrum, valt het ons op dat Amerikanen niet graag zelf nadenken. Bij de ingang van elk National Park ontvang je altijd een uitgebreide kleurenbrochure waarin veel informatie staat. Maar dat moet je wel even doorlezen. Een gemiddelde Amerikaan doet dat anders.
“Hoe lang is de weg door het park?”.
“Hoe lang doen we daarover?”
“Is er onderweg gelegenheid tot stoppen?"
“Zijn er ook wandelpaden door het park?”.
“Is de weg helemaal geasfalteerd?”.
Als hij even de brochure had doorgekeken, had hij antwoord op al zijn vragen gehad. Daar worden we af en toe een beetje moe van. 

De sleepdienst brengt ons naar de garage en vanuit daar worden we naar een motel aan de rand van de stad gebracht. PJ legt het visitekaartje van de garage op de balie en zegt achteloos: “Mijn vrachtwagen staat bij de garage en wij hebben een paar nachten een motelkamer nodig”. De receptioniste denkt hierdoor dat PJ vrachtwagenchauffeur is en geeft ons daarom 50% korting op de kamerprijs. In de garage blijkt dat het differentieel alleen maar een beetje olie lekt en verder in orde is. Het lager van de aandrijfas blijkt het grote probleem te zijn, want die is compleet versleten. Dat is in heel de Verenigde Staten niet te krijgen en de ANWB moet het vanuit Nederland laten overvliegen. Dat zal zeker een week gaan duren. Als we geen bezienswaardigheden in de omgeving aan het bezichtigen zijn, liggen we heerlijk aan het zwembad van het motel. De telefoon bij het zwembad begint te rinkelen. Wij zijn op dit moment de enigen hier, dus PJ pakt het toestel op. Het is de receptioniste die de Dutch triple A aan de lijn heeft. “Ik hoor net dat u weer bij het zwembad zit”, zegt de medewerker van de ANWB een beetje verongelijkt. Hij wil even wat details verifiëren, maar dan is hij overtuigd dat het onderdeel niet in Amerika te krijgen is. Het personeel van het motel begint het wat verdacht te vinden dat het zo lang duurt voordat onze ‘vrachtwagen’ gerepareerd is en begint vragen te stellen. “Wat heb je dan voor merk vrachtwagen?”.
Oh, een Duits merk”, antwoordt PJ eerlijk.
“Maar wat vervoer je dan?”.
PJ vertelt mij later dat hij gezegd heeft dat hij T-shirts vervoert, ingekocht in Afrika. Ze waren namelijk ook al zo nieuwsgierig geweest naar zijn opzichtige T-shirts, die we op onze vorige reis overal in Afrika hebben gekocht. Het wordt hoog tijd dat we hier weg gaan, want ons verhaal wordt gekker en gekker. De receptioniste blijft een beetje wantrouwend, maar ze geeft ons toch elke dag weer die 50% korting. Daar gaat het tenslotte allemaal om. We moeten zelf de onderdelen inklaren bij de douane op het vliegveld van Tucson. Ook hier bluft PJ en door te verklaren dat deze onderdelen in Nederland maar een paar gulden kosten, hoeven we geen invoerrechten te betalen.

Achteraf denk ik dat de pech met de bus ons op geen betere plek had kunnen overkomen: Tucson is een van de twee grote plaatsen in Arizona, dus zijn er veel garages, Tucson heeft een internationaal vliegveld en er heerst een woestijnklimaat, dus lekker warm om in de lente een week stil te staan.

In Tucson bezoeken we voor het eerst een echte mall. Twee verdiepingen met veel luxe winkels, een paar grote warenhuizen ŕ la De Bijenkorf en in ‘t hart van het winkelcentrum is een plein met tafeltjes en stoeltjes. Eromheen allerlei soorten afhaaltentjes, waarbij gekozen kan worden uit McDonalds, Chinees, Japans, Mexicaans, Italiaans enzovoort. Al deze maaltijden zijn fast food, dus direct op te scheppen. Op het pleintje kan men gezamenlijk de maaltijd gebruiken. Deze eetpleintjes zijn in vrijwel elk overdekt winkelcentrum te vinden.
“Kijk nou, PJ, dat mens geeft haar baby Coca Cola te drinken!”, zeg ik gechoqueerd. Wij zijn blijkbaar de enigen die hier van opkijken. We slapen op het parkeerterrein van het winkelcentrum, dat is ‘s morgens wel zo gemakkelijk bij het boodschappen doen. Als we vragen hoe laat de supermarkt sluit, zegt de bediende bloedserieus: “Met Kerstmis”. De button op zijn vest zegt al genoeg: We love to see you smile. 

We rijden door een prachtig prairieheuvellandschap naar het noorden. Veel cactussen bloeien deze maand en dat geeft onverwachte kleuren in het groene landschap. Bloeiende bremstruiken, zo hoog als bomen, lichten felgeel op. De Saguaro cactussen groeien hier in honderdtallen, gelukkig dat ze ook buiten het Nationale Park overleven.

We komen aan bij de zuidkant van het Grand Canyon National Park. De eerste blik in het diepe ravijn is adembenemend. Mijn voorstelling van dit park was een steile wand naar beneden, met anderhalve kilometer lager de Coloradorivier, en dan zestien kilometer verderop weer een wand naar boven. Wat we niet verwacht hadden is dat het ravijn onderverdeeld is in allerlei hoge en lage wanden waardoor het lijkt alsof we naar een drie dimensionale foto kijken in prachtige roze-, rode- en oranje tinten. Zo adembenemend als de canyon voor ons is, zo lawaaierig zijn de vele mensen om ons heen. Van de vijf miljoen mensen die jaarlijks de Grand Canyon bezoeken, komt 90% naar deze zuidkant! En dat merken we: kinderen, ongeďnteresseerd in het uitzicht, spelen met klappertjespistolen. In het Spaans, Japans en Engels wordt om ons heen gelachen en geroepen en rustig een paar videoshots schieten is er niet bij, maar bij de verschillende uitzichtpunten genieten we steeds meer. Jammer genoeg moeten we het park uit, want alle campings in het park zijn vol vanwege het Paasweekend. In het licht van de koplampen zien we voor het eerst een groepje herten. Bij het bordje scenic view gaan we de weg af en parkeren de bus in het donker zonder verder iets van het mooie uitzicht te kunnen zien. We worden in ons kielzog gevolgd door een huurcamper met een Duits stel van onze leeftijd dat niet alleen durft te overnachten. De jongen biedt ons meteen een pilsje aan. Wij moeten nog eten, dus vraag ik of we straks langs mogen komen. Dat vinden ze prima. Na een bord spaghetti en de afwas kloppen we een half uurtje later bij hun aan. Het is pas negen uur, maar de vrouwelijke helft ligt al in bed! We mogen toch binnenkomen en we kletsen een tijdje met de knul en hij geeft ons tips over mooie routes. Na drie kwartier gaan we weer naar onze bus. We realiseren ons dat we niet eens weten hoe ze heten. Rare (Nederlandse) gewoonte? Het waait ‘s nachts behoorlijk en de bus schudt onder de windvlagen en houdt ons uit onze slaap.  

Om zes uur ’s morgens het Grand Canyon National Park weer in. Het is zonnig en nog lekker rustig. Nu kunnen we zonder pottenkijkers een paar uur genieten van het mooie uitzicht. In eerste instantie waren we van plan naar de noordkant van het park rijden, een rit van 360 kilometer. Maar we besluiten dit voor een andere keer te bewaren. Achteraf een zeer goede beslissing, want de volgende dag breekt daar een grote brand uit. En wij hadden er stiekem willen kamperen!

In Cameron doen we boodschappen in de supermarkt en we zijn de enige blanken tussen de Indianenbevolking. Een Indiaan volgt ons naar de bus en probeert PJ een horloge te verkopen. Het glas van het klokje is zo bekrast dat de wijzers bijna niet meer te zien zijn.
“Het grote wonder is”, volgens de Indiaan, “dat de wijzers van dit horloge groen licht geven in het donker”.
“Mijn horloge geeft blauw licht in het donker”, laat PJ hem zien, maar zelfs dat is niet voldoende om de Indiaan af te poeieren. Hij heeft honger. Te laat bedenken we allebei dat we hem ons oude brood hadden kunnen geven. In Afrika deden we dat wel vaker, misschien moeten we dit in het welvarende Amerika ook doen? 

Utah wordt onze favoriete staat. De nationale parken zijn allemaal even bijzonder, maar doe niet teveel tegelijk, want dan ben je de rode rotsen, ravijnen, natuurlijke bruggen en bogen snel zat. In deze staat zijn nog veel onverharde wegen, die de mogelijkheid geven de vele toeristen te ontvluchten en je zelf in het avontuur te storten. De eerste keer dat wij hier zijn, weten we dat nog niet en volgen we vooral de bekende routes. Maar daarom niet minder mooi!

We rijden door een bijzonder landschap. Bergen zijn opgebouwd uit verschillend gekleurde lagen. Af en toe komt er een enorme rots uit de aarde zetten, die in Amerika dan ook meteen een naam krijgt zoals: Alhambra, Mexican Hat of Elephant Feet. Onze overnachtingstek is uitzichtpunt Goosenecks, vijf kilometer van de doorgaande route. Het plateau op 1600 meter hoogte geeft uitzicht op de meanders van de San Juan Rivier die zich, diep uitgesleten, onder ons een weg baant. We kunnen 360 graden om ons heen kijken, omdat we op een plateau staan. Aan de horizon zijn de rotsen van Monument Valley, het Alhambra en andere prachtig gekleurde bergen te zien. Een mollig Indianenvrouwtje zit op de rand van de afgrond kralenkettingen te rijgen en te verkopen. Wij vragen ons af hoe ze hier van kan leven, hier komt toch geen hond? Voor ons is dit ideaal, lekker rustig kamperen met een onvergetelijk uitzicht.  

‘s Morgens struinen kleine eekhoorntjes tussen de rotsen en om onze bus. Ze hebben een lijfje van slechts tien centimeter en een even lang pluimstaartje. Het Indianenvrouwtje is gisteren met zonsondergang vertrokken, maar nu zit ze er alweer. Ik koop een ketting van pitjes, kraaltjes en stukjes schelp. Als ik wil afrekenen zit ze net haar tanden te flossen met de rijgdraad! We begrijpen ineens ook waar ze van leeft, want auto’s en kampeerauto’s rijden af en aan: het blijkt een zeer bekend uitzichtpunt te zijn. Een vlot Nederlands stel, dat drie weken op vakantie is, komt een praatje maken en blijft heel gezellig anderhalf uur hangen.
“Ik zie dat je ook shag rookt”, zegt Karel, “heb je wel genoeg tabak bij je?”
PJ zegt dat hij nog voor een maand voorraad heeft.
“Ik zal je een tip geven”, antwoordt Karel terwijl hij nog een flinke hijs van zijn shagje neemt, “als je nu naar Bluff rijdt, moet je voorbij de brug. Naast het eerste benzinestation is er dan een klein kruidenierswinkeltje. Bij de kassa ligt Hollandse shag”.
Ik kan het bijna niet geloven, maar als we er twee dagen later langs komen, ligt er inderdaad één slof shag. Redelijk geprijsd denkt PJ, totdat hij buiten ontdekt dat er in plaats van 50 slechts 40 gram in ieder pakje zit. 

Via een onverharde weg rijden we door Valley of the Gods, een door toeristen nog niet ontdekt gratis park met mooie rode zandstenen rotsformaties en goede overnachtingsplekjes. Hierna is het bekende Natural Bridges National Monument aan de beurt. Dit park kent drie natuurlijke rotsbruggen, die ontstaan zijn door het eeuwenlang schuren van de zanderige rivier. De eerste is tevens de breedste en de hoogste, dus besluiten we daar naar toe te wandelen (hiken noemen ze dat hier). Het blijkt een afdaling van een kilometer te zijn, met een hoogteverschil van 500 meter. Naar beneden gaat vlotjes en vanaf de grond is de brug erg indrukwekkend. Bij de klim naar boven blijkt mijn conditie niet best. Ik doe er 30 minuten over om boven te komen. PJ loopt rokend en fluitend naar boven...

Het rotslandschap in zuid-Utah is schitterend. De ene berg wedijvert met de andere wat betreft de kleuren (rood, geel, mintgroen) en strepen (golvend, hoekig, rechte lijnen). Onwillekeurig maak ik vergelijkingen met Afrika, maar zo een afwisselend landschap als hier met zulke intense kleuren hebben we nog niet eerder gezien. De zon gaat onder en laat een paarse lucht achter. Net voordat het donker wordt, vinden we een mooi plekje voor de nacht.

De route die we volgen is erg afwisselend. Van de hete bodem van een ravijn stijgen we binnen een dag nog tot in de sneeuw. Aan het eind van de middag bereiken we Bryce Canyon National Park, waar we voor een keertje betaald zullen overnachten. We lopen naar het dichtstbijzijnde uitzichtpunt. Bryce Canyon is uitgesleten door regen, water, sneeuw en ijs, maar op de bodem van de kloof zijn overal pilaren, richels en rotsmuren blijven staan, bijna net zo hoog als de rand van het ravijn waar we nu staan. Die geërodeerde rotsformaties worden hoodoo's genoemd. Met een beetje fantasie kun je kathedralen, Koningin Victoria, een poedel, de Tower Bridge en andere (vreemde) figuren in de rotsformaties zien. De hoodoo’s zijn van een hardere steensoort, maar ook zij lijden onder het natuurgeweld en steeds worden er nieuwe formaties gecreëerd. Door de ondergaande zon verandert de altijd al zalmroze canyon in de kleur van hete kolen, het is alsof de canyon in brand staat. Prachtig, zoiets moois heb ik nog nooit gezien!

We staan op tijd op, want we willen lopend de canyon verkennen. Een toeristenbus met Japanners is net voor ons bij het begin van het wandelpad gestopt en de trail is erg druk. Het begin van het pad is steil en voetje voor voetje zakken we achter de Japanners de canyon in. De oranjerode hoodoo's torenen al snel boven ons uit met de strakblauwe lucht daarboven. Onder in het ravijn is het koel en het pad vlak. Van hieruit zijn de hoodoo’s nog indrukwekkender dan vanaf de rand. Na een uur wandelen staan we weer boven. We besluiten de 28 kilometer lange doodlopende weg langs de canyon helemaal uit te rijden. Die ligt aan de linkerkant van de weg, maar steeds als we bij een uitzichtpunt stoppen, kijken de andere bezoekers naar rechts: naar ons! Er worden foto's van de bus gemaakt en mensen informeren naar onze reis. Wij zijn de toeristische attractie van Bryce! Maar als een auto ons snijdt en de bestuurder uit zijn auto springt om een foto van ons te maken, wordt het PJ toch iets te gortig. Hij wijst met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd. Helaas betekent dit in Amerika dat je iemand slim vindt, wisten wij veel. Voor alle duidelijkheid: ons teken voor slim betekent in Amerika: “Jij bent gek!”.  

We zijn even verzadigd met ravijnen, rotsformaties en natuurlijke bruggen. Er wonen twee achternichten van mij in de buurt en we besluiten bij hen op bezoek te gaan. Loopt uit tot drie weken familiebezoek!

lees verder

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA