Reisverslag USA, Canada & Alaska 2000

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English 

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA

5. Chips eten met mes en vork 

Bill, een neef van mijn vader, emigreerde naar Amerika en trouwde met de Amerikaanse Donna. Ze kregen drie dochters en een zoon. Deze zijn nu volwassen en hebben allemaal een gezin. Wij gaan op bezoek bij achternicht Jayne, die getrouwd is met Steve.

Mijn familie woont in dit gedeelte van Amerika, omdat ze Mormonen zijn. Dit is een geloof gebaseerd op de Bijbel, met daarnaast het "Boek van Mormon, een getuige van Jezus Christus". Zelf noemen de Mormonen zich liever ‘LDS’ wat de afkorting is van “The Church of Jesus Christ of Latter-Day Saints”, omdat ‘Mormonen’ nogal een negatief imago hebben. En omdat ze in ieder geval niet meer geassocieerd willen worden met mannen die er meerdere vrouwen op na houden. Ook bij de Mormonen is bigamie sinds 1950 niet meer toegestaan. Dat de man meerdere vrouwen mocht ‘verzorgen’, stamt uit de tijd dat ze zwaar vervolgd werden en veel mannen sneuvelden. De vrouwen die alleen achterbleven werden opgenomen door de overgebleven mannen.

Herkenbaar is nog wel dat Mormonen de belofte afleggen hun lichaam als tempel te beschouwen. Daarom roken ze niet en drinken geen alcohol, thee of koffie. Strenge Mormonen drinken ook geen Coca-Cola vanwege de cafeïne die daar in zit.

mei

Jayne en Steve wonen in Layton, een half uur ten noorden van Salt Lake City. Layton is veel groter dan we dachten, maar na twee keer vragen rijden we de steile oprit van hun huis op. Bij de basket speelt een jongetje. Als we in het Engels vragen of mama thuis is zegt hij: “Nee, maar mijn vader wel".
PJ vraagt voor de zekerheid: "Heet jouw vader Steve?"
Dat is zo en even later worden we warm verwelkomd door Steve en leren we de vier kinderen kennen: Tesse (13), Tanner (9), Teah (8) en Tucker (2). Als ook Jayne thuiskomt gaan we met zijn achten naar een amusementspark. Teah sluit me meteen in haar hart en ik moet samen met haar in alle attracties. Voor een achtjarige is ze niet bang aangelegd en ik wil me niet laten kennen, dus hang ik ondersteboven, binnenstebuiten en achterstevoren in allerlei kermisattracties.

Op dringend verzoek gaan we een week later met Teah mee naar school voor een Show and Tell. Wij blijken haar showelement te zijn en moeten dus ook iets vertellen. Als PJ en ik haar klas binnenkomen, springt Teah meteen op om ons uitgebreid voor te stellen. De juf vraagt de kinderen of ze iets over Nederland weten. Gelijk dreunen ze het verhaal van dat jongetje met zijn vinger in de dijk op! Ik vertel ze over Sinterklaas en na wat verhalen over Afrika, komen de vragen.
"Have you seen a tiger?".
"Nee, tijgers leven niet in Afrika, maar in Azië"
Een jongetje met een wijs brilletje, test mijn dierenkennis: "Have you seen a poisened black arrow pointed frog?". "Nee, jij wel?", kaats ik terug.
Ik laat ze in het Nederlands van een tot en met tien tellen en samen met PJ zing ik 'Sinterklaas-kapoentje". Hierna gaan we naar de klas van Tanner. Hij is introverter en zegt alleen na lang aandringen: "Dit zijn Claudia en PJ". De kinderen zitten al te wachten in een kring op de grond en voor ons staan twee hoge stoelen klaar. Ook hier moet geteld en gezongen worden, maar daarna gaan de kinderen ook voor ons zingen. De vragen in deze klas zijn van een heel andere strekking: "Doet het zeer om klompen te dragen?". Als ik hen vertel over een struisvogel die ons in Afrika ’s morgens wakker maakte met het getik van zijn snavel tegen de bus, is dat voor de kinderen aanleiding om ook over hun ervaringen met dieren te vertellen. Ik weet niet of er zoveel slangen in Utah leven, maar ze beginnen allemaal over die enge beesten. Tussen de middag blijven we met de klas van Teah over. Echt gezond ziet de schoollunch er niet uit, want er staat een pizzapunt op het menu. Ook al zouden ze wel gezonde dingen hebben; welk kind tussen zes en tien jaar zou dan kiezen voor een bruine boterham met kaas en een glas melk? Sterker nog: het is normaal chips bij de lunch te eten!  

Na de lunch is er tijd om buiten te spelen. De kinderen hebben hier flink de ruimte en ze kunnen kiezen tussen klimrekken, voetballen op een grasveld, basketballen op een stenen veldje of gewoon lekker rondhangen en roddelen op de bankjes. Na de pauze gaan wij naar huis. Een geweldige ervaring.

In deze periode blijkt het ook Teachers Appreciation Week te zijn. Leerkrachten worden door ouders en kinderen in de watten gelegd en krijgen lekkers en cadeautjes. De commercie speelt hier handig op in en je kunt dan ook allerlei frutsels kopen met teksten zoals: “U bent de liefste juf”. Samen met Jayne versieren we namens de kinderen een bord naast de deur van de klas met papieren bloemen en een gedicht. Ik bekijk ook de andere borden en zie de meest fantasievolle creaties. Er zijn hier blijkbaar veel creatieve ouders. 

De meeste Amerikanen eten niet met mes en vork. Ze gebruiken hun mes alleen om het vlees te snijden en verder eten ze met een vork. Teah heeft ons kennelijk al een dag of wat ’s avonds aan tafel geobserveerd en ze probeert nu ook met mes en vork te eten. Tijdens een Mexicaanse maaltijd komt een zak tortillachips op tafel, maar chips eten met mes en vork heeft ze niet van mij geleerd! Mijn neefjes en nichtjes zijn lid van verschillende sportclubs. We gaan naar allerlei trainingen en wedstrijden en na drie weken begin ik de regels van baseball (honkbal) te begrijpen en schreeuw ik net zo hard als de ouders mee. Soccer (ja, voetbal!) is onder de jeugd zeer populair. Als dit doorzet krijgen we over een jaar of tien in Europa een behoorlijke concurrentie. Zelfs de meiden spelen het.

We maken de laatste voetbalwedstrijd van het seizoen van Tanner mee, waar de jongens tegen de ouders moeten spelen. PJ valt in voor Steve, wiens conditie niet optimaal is. Voor het feest na de seizoensafsluiting hebben alle ouders iets lekkers meegenomen en dit wordt op picknicktafels uitgestald. Iets zelfgemaakts meenemen wordt altijd gedaan hier, ook als je bijvoorbeeld bij familie of vrienden gaat eten. De restjes worden door degene die het gemaakt heeft, weer mee naar huis genomen.  

Jody, mijn vrijgezelle achternicht, neemt ons mee naar Salt Lake City. Wij hadden interesse getoond in het LDS geloof, gewoon omdat wij nu eenmaal altijd nieuwsgierig zijn, maar misschien gaven we de indruk dat we ‘zoekende’ waren. Zieltjes winnen kunnen de LDS-ers als geen ander, dus sleept Jody ons mee naar Temple Square, een plein waar verschillende gebouwen van de LDS staan. We moeten ons aansluiten bij een groep toeristen die door sisters rondgeleid wordt. Tegenwoordig mogen ook meisjes zich opgeven voor een missie en kunnen ook zij overal ter wereld uitgezonden worden om twee jaar ‘De Boodschap’ te verkondigen. Deze twee ouderlingen zijn uitgezonden naar Salt Lake City om toeristen te begeleiden die meer over Temple Square te weten willen komen. De ene zuster blijkt helemaal uit Rusland te komen en de andere uit Texas. De Russische heeft een spoedcursus Engels moeten volgen, maar spreekt nog met een dik accent. Waar je als 18-jarige jongen of meisje ook naar toe uitgezonden wordt, de taal word je van tevoren geleerd!

Het eerste gebouw dat we te zien krijgen, is de Salt Lake Temple. Als niet-Mormoon is het ons verboden de tempel binnen te gaan. Achter gesloten deuren worden diverse ceremoniën gehouden, zoals begrafenissen, bruiloften en het achteraf dopen van overledenen via kinderen. Wij, echte botte Hollanders, beginnen gelijk een discussie met de ouderlingen waarom wij daar niet bij mogen zijn en waarom zelfs een rondleiding niet is toegestaan. De Russische zus dreunt een uit het hoofd geleerd zinnetje op: “The temple is sacred, not secret”, maar jammer voor haar, ze vergist zich en zegt het precies andersom. Wij krijgen natuurlijk geen bevredigende antwoorden. Toeristen die voor de hand liggende vragen stellen, krijgen meteen een compliment. “Dat is een goede vraag”. De Tabernakel mogen we wel in. Het is een gebouw met een perfecte akoestiek. Als de hedendaagse profeten hier preken, hebben ze geen microfoon nodig. Elke zondag zingt hier een koor, en alle 7000 zitplaatsen zijn dan bezet. Ook als niet-Mormoon ben je welkom. In het bezoekerscentrum staat een immens groot wit Christusbeeld. De ronde koepel achter het beeld is hemels blauw geschilderd met fonkelende sterren. Na enkele minuten klassieke muziek, kennelijk om ons in de juiste stemming te brengen, wordt een bandje gestart en we horen ‘Jezus’ een bemoedigende boodschap uitspreken. Om iedereen te kunnen bereiken kan de boodschap in vijftig talen afgedraaid worden. Gewoon de sister even een seintje geven in welke taal jij het wilt horen. De ouderlingen proberen de toeristen nog adressen te ontfrutselen, maar de meesten laten het bij dit informatieve bezoek.
Met Jody gaan we ook nog naar de Family Historie Library. Hier houdt de LDS-kerk een gigantisch naamsarchief bij. Mormonen zijn zeer actief op het gebied van genealogie. Zij denken dat alleen wie gedoopt is, in de hemel kan komen. Door het terugvinden van allang gestorven voorouders kunnen ze hen alsnog laten dopen, een van de ceremoniën die achter de gesloten deuren van de tempel plaatsvinden. Dit doen zij via kinderen, die hier voor een dag vrij krijgen van school. Het is erg druk in de library en we komen erachter dat er ook een beperkt archief op internet staat. We kunnen dit dus ook rustig thuis eens uitzoeken.  

Als Jayne ons voorstelt zaterdagavond naar de film te gaan, willen wij graag mee. We hadden het kunnen weten: natuurlijk gaan we niet naar een gewone film, maar naar een religieuze. De film is gratis, maar je kan van tevoren kaartjes reserveren. Jayne heeft dat gelukkig gedaan. Wij kunnen direct naar binnen, maar in de hal staan wel vijftig opgedofte jonge stellen te wachten of er kaartjes niet opgehaald worden, zodat zij alsnog naar binnen kunnen. Voor ons onbegrijpelijk dat zo’n film zo populair is onder de jeugd.
De Mormonen geloven dat Jezus na zijn kruisiging in Jeruzalem ook in Midden Amerika is verschenen. Daar gaat deze film over. Aan het eind zit de hele zaal te janken. Wij vragen nicht Jody waarom: “Ik was vergeten hoe geweldig veel Hij voor ons gedaan heeft”, antwoordt zij met tranen in haar ogen, maar wij blijven het vreemd vinden. Ook vinden we het raar dat Jezus, volgens de Mormonen, ook nog zo nodig in Amerika verschenen zou moeten zijn. Wat is er mis met de bijbelse versie? 

Bij nicht Jayne worden we volgepropt met allerlei lekkere dingen, maar na een ‘engelen’ fruittaart, Rice Krispies treats, aardbeien gedoopt in chocola en een strawberry-cheesecake, krijg ik ineens hele erge kiespijn. Normaal ren ik dan niet meteen naar een tandarts, maar we willen over een paar dagen verder reizen en dus is het misschien verstandig toch maar even langs te gaan bij de familietandarts te gaan. Ik mag er meteen tussendoor, maar hij kan niets ontdekken, ook niet op de röntgenfoto’s. Ik heb kennelijk gewoon last van aanstelleritis. Gelukkig hoef ik niets te betalen, ook niet voor de foto’s.

De laatste avond gaan we met de hele familie in onze bus naar de Drive-Inn bioscoop. Het is de première van een Walt Disney film en natuurlijk is het bomvol. In eerste instantie willen ze ons niet binnen laten met zo'n grote wagen, maar Steve wijst op onze gele kentekenplaten en zegt: “Kijk dan, ze zijn speciaal uit Holland gekomen voor de drive-inn bioscoop”. We moeten wel helemaal achteraan staan, maar het scherm is groot genoeg en het geluid  ontvangen we via de autoradio, dus dat is geen probleem. 

Dat Amerikanen niet graag hun auto uitkomen weten we als Hollanders natuurlijk, want iedereen heeft wel eens gehoord van dit soort Drive-Inn bioscopen en van Drive-Through fast food restaurants. Maar dat ze in Amerika ook drive-thru brievenbussen hebben, dat je geld kunt pinnen vanuit je auto, dat je de biebboeken vanuit de auto kunt droppen (ook als de bibliotheek open is), dat je vanuit de auto bij een telefooncel op autohoogte kunt bellen en dat je zelfs je bankzaken aan een loket vanuit je auto kunt regelen, gaat ons wat ver. Een beetje lichaamsbeweging zou voor de gemiddelde Amerikaan  wel aan te bevelen zijn.  

Na drie weken nemen we afscheid van Jayne, Steve en de kinderen. Jayne geeft ons zelfgebakken brood, zelf ingemaakte jam en een salade mee. Als ‘tegenprestatie’ voor alle uitjes heeft PJ bij hen een nieuwe douchecel ingebouwd en betegeld en allerlei klusje in en om het huis gedaan. Ik heb tulpen in de badkamer gemozaïekt. Het was leuk en heel speciaal om opgenomen te zijn in een LDS-gezin, maar ons reizigersbloed dwingt ons weer verder te gaan.  

5. Warm, erg warm

mei

We rijden onderlangs het Salt Lake naar het westen. De wereld om ons heen wordt witter en witter van het zout. Bij Bonneville Salt Flats Speedway worden op de zoutvlakte jaarlijks snelheidsrecords gezet. De poreuze, maar harde zoutkristallen zorgen ervoor dat hier veel harder gereden kan worden dan bijvoorbeeld op een racecircuit. Sinds 1912 worden er al recordpogingen gedaan en deze plek wordt sindsdien beschouwd als de snelste motorracebaan ter wereld. Volgens het informatiebord lag het record in 1970 op 996 kilometer per uur. Jammer dat het huidig record niet staat vermeld, want wij nemen aan dat het nu nog sneller zal zijn. Die recordpogingen kunnen in elke auto gedaan worden, van aërodynamische raketten op wielen tot en met huurautootjes. We zijn een paar maanden te vroeg voor een poging, want tussen augustus en oktober is de conditie van het zout op zijn best.
Een vrachtwagenchauffeur begint een praatje met ons. Zoals bij elke nieuwsgierige Amerikaan is zijn eerste vraag: “Hoeveel kost het om zo'n auto naar The States te verschepen?”. Als wij hem vertellen dat het tarief ongeveer 50 dollar per kuub is, kijkt hij ons ongelovig aan.
Hij vertelt dat hij een native American is, maar zijn enige overeenkomst met een Indiaan is zijn huidskleur en zijn lange haar. Hij blijkt veel over zijn stamboom te weten en vertelt trots dat hij familie in Ierland en Duitsland heeft. “Ik heb gehoord dat ze in Engeland slechts vier televisiekanalen hebben! Dat geloof ik niet, want in mijn vrachtwagen kan ik al kiezen uit 220 kanalen!”.
Na een half uur ben ik het geklets zat en ik loop weg om een foto van het uitzicht te maken. De chauffeur benut de kans om PJ tips te geven over waar de hoeren in de staat Nevada zitten en wat het kost. Prostitutie blijkt daar namelijk legaal te zijn.

Na Utah lijkt Nevada een beetje op Sodom en Gomorra. In Utah is 70% van de bevolking Mormoon, met als gevolg dat je vrijwel niemand op straat ziet roken of alcohol drinken. Bovendien is gokken daar officieel verboden. In Nevada zijn gokken, alcohol en prostitutie legaal en het is raar na een maand dit allemaal zomaar op straat te zien. Bij elke benzinepomp staan fruitautomaten en sterke drank is in iedere supermarkt verkrijgbaar.
De route naar het zuiden loopt door een groen heuvellandschap. De kniehoge saliestruiken staan dicht op elkaar, maar hoe zuidelijker we komen hoe meer droge grond tussen de struiken en hoe heter het wordt. 36 graden geeft de temperatuurmeter in de bus aan.
We nemen de Extraterrestrial Highway 95; ook bekend als E.T. Highway. Aan deze weg ligt de Nellis Airforce Range, met de militaire basis "Area fifty-one". Deze basis was zo geheim dat defensie pas recent heeft toegegeven dat hij bestaat. Waarom is Area 51 zo geheim? De een beweert dat de luchtmacht daar super geheime vliegtuigen test zoals de U2 en F-117 Stealth Fighter. Anderen zeggen dat ze daar neergestorte UFO's proberen te repareren en er wordt zelfs gezegd dat de buitenaardse wezens uit Roswell indertijd hier naar toe zijn gebracht. Allemaal geruchten, maar in ieder geval is het een feit dat er boven Nevada regelmatig Unidentified Flying Objects worden gesignaleerd. De vraag is alleen of deze UFO’s wel of niet buitenaards zijn. Waarschijnlijk zijn het militaire uitprobeersels, gestationeerd op de supergeheime Area 51.
Na het UFO museum in Roswell en de White Sands Missile Range is Area 51 voor ons een logisch vervolg. Natuurlijk wordt de geheime basis niet op de verkeersborden aangegeven, het gevolg is dat we er straal voorbij rijden. Drie kwartier lang rijden we door een vallei met Joshuabomen. Deze unieke, op de yucca-plant lijkende, bomen staan nu in bloei met trossen zachtgele vruchten.
Halverwege de eenzame snelweg ligt het plaatsje Rachel: tien stacaravans en een motel waar aliens & earthlings welkom zijn. Rachel is een soort hoofdkwartier geworden voor UFO-spotters. Ze verkopen er souvenirs en leuke T-shirts met als thema het buitenaardse.
PJ koopt een shirt met de tekst: "As a matter of fact I do work at Area 51, but I can't talk about it".
In het museum, in een van de stacaravans, krijgen we een plattegrond met de routebeschrijving naar Area 51. We moeten terug en gewoon bij de enige postbus langs de E.T. Highway een van de vier onverharde wegen nemen. Dan kom je vanzelf aan de rand van de basis. Wel drukken ze ons op het hart vooral níet verder dan de borden te rijden, want we worden gegarandeerd door het leger in de gaten gehouden!
Na een half uur stofhappen komen we bij die 'verboden toegang' borden. Een patrouillewagen houdt ons vanaf een heuveltop in de gaten. Een Japanner is ons net voor en staat uitgebreid foto's te nemen, ondanks de dreigende taal op de borden. Dus schieten ook wij snel een paar foto's.  Natuurlijk staat er nergens ‘Area 51’ op de borden, want officieel bestond dat tot voor kort dus niet. Met de verrekijker tuur ik naar de patrouillewagen en zie tot mijn schrik dat ze ook mij met een verrekijker bestuderen. Daar krijg ik het toch wel Spaans benauwd van, want het is de militairen toegestaan onbevoegden zonder waarschuwing neer te schieten.
PJ krijgt het vooral op de terugweg benauwd, want we zien een anderhalve meter lange rozeachtige slang opgekruld op de weg liggen. Als PJ er vlak langs rijdt ontdekken we allebei in de buitenspiegels dat hij niet dood is, maar vrolijk weg glibbert. Brrr. We denken dat het een ratelslang is.
Al snel vinden we een leuke kampeerstek. Om negen uur 's avonds zakt de temperatuur eindelijk onder de 30 graden. De zon gaat om half tien onder en vanwege de vliegen, muggen en de warmte zitten we in de bus. Opeens horen we twee keer een gigantische knal en een laag brommend geluid. Als we naar buiten springen is de lucht knalrood. Even denk ik dat we getuige zijn van een landing van een UFO, maar het is een samenloop van omstandigheden: de zon is net onder (vandaar die prachtige lucht) en een supersonisch vliegtuig vloog twee keer door de geluidsbarrière. Tja, we zijn tenslotte in het Nevada-testgebied.

Voordat we naar Las Vegas gaan, maken we een omweg voor Valley of Fires State Park. Dit park dankt zijn naam aan de rotsen die allerlei vuurrode kleuren hebben. Maar het is ondertussen 40 graden en wij kunnen alleen maar aan de hitte van vuur denken. Het park is prachtig, maar de warmte eist zijn tol. We raken snel geïrriteerd en we doen erg lelijk tegen elkaar. De koelkast kan ook niet tegen deze temperatuur. In lunchen hebben we geen trek, alleen behoefte aan vocht, vocht, vocht. Liters water gieten we door onze kelen, maar ook dat is inmiddels lauw.

PJ en ik houden allebei niet van gokken en we zijn dan ook nog nooit in een casino geweest. Waarom gaan we dan toch naar de gokstad Las Vegas? Omdat iedereen die hier geweest is, zegt dat je de lichtstad gezien moet hebben en er is meer spektakel dan alleen het gokken.
We willen proberen op een RV-camping midden in de stad te gaan staan. Dit lukt ook nog: we staan aan het begin van de Strip, de casino-hotel zone in het centrum van de stad. De camping bestaat uit een plaat asfalt en af en toe een boom. We parkeren de bus op het hete asfalt en gaan in de schaduw van een boom zitten, maar de 42 graden wind geeft niet echt verkoeling.
Na een verfrissende douche gaan we lopend de Strip op. Het is nog middag dus de verlichting is nog niet aan. Wel is het een drukte van belang in de aircocasino’s. Fruitautomaten rinkelen en de mensen gooien schijnbaar achteloos hun munten in de machines. We eten een Big-Mac met een coupon "twee-voor-de-prijs-van-een". In de gokhallen worden we duizelig van de verlichting, de vele gokautomaten en de trappen en gangen. We kunnen zelfs de uitgang van het casino niet meer vinden en moeten een beveiligingsbeambte de weg vragen. Er in komen is gemakkelijk, maar eruit komen is bijna onmogelijk. Dat hebben ze volgens PJ vast expres gedaan.
We lopen verder over de Strip. Op straat bieden mannen de passerende toeristen kaartjes aan. Niet alleen PJ maar zelfs ik, als vrouw,  krijg er verschillende in mijn handen gedrukt. Er staan halfnaakte vrouwen op afgebeeld die voor U$100 hun diensten aanbieden. Ook aan mij?
De hotels zijn schitterend, de een heeft een nog vreemdere vorm dan de andere. Hele piratenschepen liggen in een meertje voor Hotel Treasure Island. Dat zal wel een spektakel worden vanavond, want overdag gebeurt er buiten niets. De skyline van New York, de piramide van Cheops, het San Marco plein van Venetië, de Eiffeltoren, je kunt het zo gek niet bedenken of ze hebben het hier nagemaakt als hotel.
Het is bloedverziekend heet en we worden er een beetje apathisch van. Mijn hersenen lijken wel gelei, mijn ogen zijn bloeddoorlopen en dat komt echt niet van drank. Mijn benen voelen als pap en mijn voeten staan in brand. Een paar keer zeg ik iets en dan zegt PJ geïrriteerd: “daar hadden we het vijf minuten geleden ook al over!”, wat ik me absoluut niet kan herinneren.
We lopen weer terug naar de camping. Ik kook een warme maaltijd, maar trek hebben we niet. De zon gaat onder en het 'koelt' een beetje af naar 38 graden. Om half tien gaan we weer de Strip op. We zijn net op tijd voor een zeeslag tussen die oude piratenschepen. Bommen ontploffen, mensen vallen in het water, er breekt brand uit en een van de schepen kapseist langzaam! En dat in een vijver van nog geen driehonderd vierkante meter! Kunstig gedaan en het publiek klapt terecht. Het volgende spektakel is bij Hotel Mirage: een verlichte waterval verandert elk half uur in een vuurspugende vulkaan! Het ziet er erg realistisch uit. We lopen Hotel Venice binnen en gokkende mensen staan tussen marmeren zuilen. De plafonds zijn door een Amerikaanse Michael Engelo geschilderd (zo spreken ze in Amerika Michelangelo uit). Het marmer blijkt beschilderd hout te zijn. Niets is wat het lijkt in Las Vegas. Maar heel speciaal, een zo uit het zand gestampte water- en lichtstad midden in de woestijn.
We willen met de bus naar Down Town Las Vegas, want daar is een stuk straat overkoepeld met miljarden lampjes die een soort voorstelling geven: bijvoorbeeld een overvliegend vliegtuig. Dat schijnt nogal spectaculair te zijn. Maar Las Vegas blijft verbazen: midden in de nacht wordt een druk kruispunt geasfalteerd, waardoor er een grote verkeersopstopping ontstaat. Zonder boe of bah rijden de stadsbussen via een omweg en bejaarden staan voor niets bij de bushaltes te wachten. Na een gratis Margarita Cocktail in een casino vinden we uiteindelijk om een uur 's nachts toch een bus die ons naar Down Town kan brengen. Een gedeelte van de hotelverlichting is op een laag pitje gezet en alle spectaculaire attracties zijn ook al gestopt. Om half twee komen we in D.T. aan, maar om twaalf uur is de laatste voorstelling geweest! Is dat nu het beroemde nachtleven?
We nemen gelijk de bus terug. Een jongen vraagt waar we vandaan komen en als ik antwoord: “From Holland”, maakt hij meteen een joint-rook gebaar.
-zucht-
Ik zeg achteloos: "Oh, die kun je bij ons gewoon in de supermarkt kopen"
Hij krijgt ogen als schoteltjes en vraagt: "Je bedoelt bij de kruidenier?"
"Ja, het ligt meestal gekoeld naast de melk"
"Heb jij het wel eens gebruikt?" vraagt de jongen gretig.
"Nee", antwoord ik.
"Zeker omdat jij er zo gemakkelijk aan kunt komen".
Ik realiseer me dat ik de vooroordelen over Nederland hiermee nog meer bevestigd heb, maar toch wel leuk om af en toe iemand in de maling te nemen.
Als we om twee uur 's nachts op de camping komen, is het nog steeds 36 graden en we zien er tegenop de hete bus in te gaan. De ventilator maakt overuren, maar uiteindelijk vallen we toch van uitputting in slaap.

Badend in het zweet worden we wakker en langzaam bewegen we richting douche. We zijn door de warmte alweer apathisch en het idee alleen al dat onze volgende stop Death Valley National Park is, de heetste plek van Amerika, doet me verlangen naar het koele noorden. We komen niet echt op gang en pas om elf uur rijden we de camping af.
PJ heeft op de kaart vlak bij Las Vegas een skigebied ontdekt, daar moet het toch ook ’s zomers koel zijn. Hij stelt voor hier eerst naar toe te gaan, voordat we de woestijn weer intrekken. Goed plan. Als we dichter bij de bergen komen zakt de temperatuur en stijgt ons humeur. We vinden een plek in een bos, honderd meter van ons vandaan ligt zelfs nog een pluk sneeuw en bij een buitentemperatuur van 22 graden val ik 's middags heerlijk in slaap. Nooit gedacht dat warmte ons zo lamlendig kan maken! Ik kan weer helder denken en mijn dagboek bijwerken. 's Nachts slapen we als een roos bij een temperatuur van 10 graden.

Door de heerlijke afkoeling begint ‘onze oververhitting’ ons een beetje onwaarschijnlijk over te komen. In Afrika hebben we toch ook wel dagen van 42 graden meegemaakt. Maar dat maakte ons lang niet zo labiel. Waarschijnlijk komt het omdat het hier 's nachts niet afkoelt. In Afrika werd het 's nachts altijd flink kouder, soms tot het vriespunt. En ik denk dat een asfaltcamping ook niet erg bevorderlijk is, want dat houdt de warmte lang vast. We zijn nu in ieder geval klaar voor de op een na heetste plek ter wereld, 56½ graden Celsius is er gemeten. In de woestijn van Libië is het record slechts een halve graad meer.

Even tanken en aftoppen met water en dan rijden we Death Valley National Park en tevens de staat California in. Ik had bij ‘dode vallei’ een kale vlakte verwacht, maar vallei betekent natuurlijk dat er ook bergen moeten zijn. In het dal van de vallei ligt een zoutpan en bij de plek Badwater is zelfs een piepklein meertje met zout water. De zoutpan is grillig gevormd en wordt ‘de golfbaan van de duivel’ genoemd.
De rotsen zijn prachtig van kleur; dit keer variëren de tinten van donkerpaars naar violet, van okergeel naar groen(!) en van dieprood naar zalmroze. Dit wordt zeer toepasselijk 'schilderspalet' genoemd. Je kunt hier wel een heel fotorolletje volschieten. Het wordt 43 graden, normaal de gemiddelde temperatuur voor juli, dus best warm voor de tijd van het jaar. Ondanks dat onze bus geen airco heeft, hebben we toch veel minder last van de warmte dan in Las Vegas, waarschijnlijk omdat we ons verder niet bewegen. Maar ik moet er niet aan denken hier een mooie wandeltocht door dit gebied te maken. Het park is behoorlijk groot, is het al zeven uur als we er weer uitrijden. De zon gaat schitterend onder achter het Nevada gebergte. In het donker vinden we een restarea langs de snelweg, waar we kunnen overnachten.

5. Houdt u van uw glimlach?

mei 2000

Om in Yosemite National Park te komen moeten we eerst tot 3000 meter stijgen. Als we het park inrijden ligt er nog volop sneeuw, ondanks dat er voor Amerikaanse begrippen deze winter weinig gevallen is. Zelfs op de velden waar het toch als eerste wegsmelt, ligt nog sneeuw. We rijden een mooie route dwars door het noorden van het park. Het is de vrijdag voor Memorial Day, het grote begin van de zomervakanties voor de Amerikanen. Niet zo slim van ons om dan in één van de populairste parken van Amerika te zijn, maar zo liep onze route nu eenmaal.
Dit park wordt meer gebruikt als recreatiepark dan dat men voor het wildpark komt, zoals bijvoorbeeld bij Yellowstone. Wandelen, langlaufen, picknicken en bergbeklimmen zijn favoriete bezigheden. De auto's rijden hard en ik zie een paar keer een hert, maar stoppen is er niet bij, dat zou grote ongelukken veroorzaken. PJ kan bijna niet om zich heen kijken, want iedereen wil ons inhalen en de weg is smal.
We lezen in de brochure dat zwarte beren hier zeer regelmatig auto’s openbreken en wel 352 keer per jaar. Dat is gemiddeld bijna elke avond een auto! Ze herkennen koelboxen en blikjes frisdrank, dus al het voedsel moet op de camping buiten de auto in bearproof boxen opgeborgen worden. Maar niet alleen 's nachts, ook tijdens een wandeltocht mag je geen voedsel in de auto achterlaten. Bij het bezoekerscentrum zien we een voorlichtingsfilmpje over deze inbraken. Eigenlijk fantastisch om te zien hoe ze dat doen. Ze haken hun nagels achter de deurlijst van de auto en trekken zonder moeite het raamgedeelte dubbel. Het glas knapt dan en breekt in duizend stukjes. De beer klimt door het ontstane gat naar binnen en peuzelt ter plaatse het achtergelaten voedsel op. De ‘probleemberen’ (wie veroorzaakt eigenlijk nu het probleem: de beer of de toerist?)  worden gevangen en krijgen een oormerk. Als ze na hun vrijlating voor een tweede keer worden gesnapt, krijgen ze ook in hun andere oor een merk en worden ze naar een verlaten gedeelte van het park getransporteerd. De derde keer gesnapt betekent het einde van het leven van de beer.
Voor een overnachtingsplek rijden we een stukje het park uit en parkeren de bus in een bos. Een onrustige nacht, waarbij we allebei dromen van berenbezoek, omdat ons voedsel wél in de bus zit. Weten die beren veel waar de grens van het park ligt?
Al heel vroeg rijden we het park weer in. Overal zitten mensen te barbecuen en voor ons is de lol er nu wel af. We rijden er aan de zuidkant weer uit. Zonder verder nog een beest gezien te hebben, hebben we toch al met al 225 kilometer in het park gereden. 

Buiten het park zien we een doodlopende weg. Een mooi slaapstekkie, denkt PJ. Voor een doodlopende weg komen we wel veel auto's met jongelui tegen. Na een half uur komt de weg uit op een grote picknickplaats. Bij de ingang staat politie, een agent laat ons stoppen.
“Heeft u alcoholische drank bij u?”.
"Ja, een pilsje of twintig", antwoordt PJ.
“Dan kunt u beter omdraaien, want alcohol mag hier niet genuttigd worden en bovendien: u mag hier niet overnachten”.
Een agente rent achter een vertrekkende auto aan, terwijl ze "stop him" roept naar onze agent. Ze heeft waarschijnlijk gezien dat de bestuurder een biertje dronk en dat hij snel het lege flesje in een greppel gooide, want ze begint die koortsachtig af te zoeken. Onze agent heeft daar al zijn aandacht voor en wij knijpen er tussenuit.
We hebben geen zin meer om op zoek te gaan naar een andere leuke overnachtingstek en dus wordt het een tankstation langs de weg. Als het begint te schemeren loop ik de boomgaard naast het tankstation in en raap vijf kilo navelsinaasappelen van de grond. Terug in de bus pers ik ze, zonder sinaasappelpers, tot een liter sap.
 

Na een gezond ontbijt rijden we door een heuvellandschap naar de kust. Om aan de Stille Oceaan te komen moeten we over een kronkelige bergpas. Onderweg zien we op één dag meer dode en levende slangen dan we in zeven maanden in Afrika hebben gezien. Sommige lijken dood op de weg te liggen, maar als we er langsrijden beginnen ze ineens te bewegen. PJ zit, ondanks de 30 graden, elke keer te klappertanden achter het stuur.  

Het eerste gedeelte van onze reis from coast to coast is hiermee voltooid. We hebben er 12.000 kilometer opzitten! Vanaf nu gaan we alleen nog maar naar het noorden. Grijze pelikanen vliegen voorbij en in de oceaan spelen zeeotters. We kunnen uren naar die beweeglijke diertjes kijken.
Over de kronkelige kustweg rijden we richting San Francisco. Het uitzicht is prachtig, maar als je naar het noorden rijdt, is er geen gelegenheid tot stoppen, want alle parkeerplaatsen liggen links. PJ moet mij dus maar op mijn woord geloven dat de zee onstuimig is, de rotspartijen grillig en de vegetatie kleurrijk. Hij heeft al zijn aandacht bij het rijden nodig. We bezoeken wat kustplaatsjes en versturen een paar e-mailtjes. Aan het eind van de middag vinden we een parkeerplaats met uitzicht op de file auto's die San Francisco inrijdt. Hier blijven we slapen. 

De volgende dag is het druk op de snelweg, maar niet zo druk als aan de andere kant; San Francisco is blijkbaar een slaapstad, geen werkstad. We rijden de prachtige stad in. Victoriaanse houten huizen, mooi aangelegde tuintjes en de straten lopen constant steil heuvel op, heuvel af. We negeren de borden 'verboden voor bussen en auto's met meer dan acht personen', passeren borden 'verboden voor trucks zwaarder dan drie ton' en parkeren de bus vlakbij het centrum. Natuurlijk bezoeken we de Fishermans Wharf,  kijken naar de zeehondenkolonie in de haven en nemen de cabletram naar de binnenstad als heuse toeristen. San Francisco komt heel relaxed en vriendelijk op ons over.
Bij de Chinese Bibliotheek in China Town schrijven we ons in voor gebruik van de Internet computers. Computer nummer 1 is over tien minuten beschikbaar. Maar ook dan zit een Engelse stel (ongeveer 50 jaar en ook reizigers, blijkt later) nog druk te e-mailen op computer 1, terwijl computer nummer 2 vrij is. PJ informeert bij de balie of wij van die gebruik mogen maken.
"Dat is goed, maar dan moet je wel even je naam invullen op de lijst bij pc2", antwoordt de baliemedewerkster.
"Akkoord, maar dan haal ik wel de naam van mijn vrouw weg bij pc1". PJ gumt mijn naam weg en vult zijn naam in bij pc nummer 2.
"Mag ik uw paspoort in bewaring nemen?"
PJ antwoordt verbaasd: "Heeft u dan ook het paspoort van mijn vrouw, die ingeschreven stond bij pc1, ingenomen?"
De baliemedewerkster kijkt op de lijst en zegt verontwaardigd: "Er staat niemand ingeschreven bij pc1"
PJ verzucht: "Nee, die heb ik net weggegumd". PJ probeert de situatie nog eens uit te leggen en zegt dan dat hij het raar vindt dat hij wel zijn paspoort moet afgeven en zijn vrouw niet.
"Ja, waaróm heb ik het paspoort van uw vrouw niet gevraagd?"
"Dat weet ík niet! Hier heeft u míjn paspoort", zegt PJ om de zaak een beetje te sussen.
De baliemedewerkster houdt ineens triomfantelijk een paspoort omhoog dat ze uit een laatje vist: "Hier heb ik het paspoort van uw vrouw".
"Nee, dat is een Engels paspoort en wij zijn Nederlanders, bovendien is mijn echtgenote geen man".
"Van wie is dit paspoort dan?".
PJ houdt zich in en antwoordt met een diepe zucht: "Van die Engelsman die op pc1 zit te mailen".
PJ laat zijn paspoort achter, terwijl ik ondertussen al tien minuten zit te e-mailen op pc2. Neem van mij aan dat bovenstaande conversatie niet veroorzaakt werd door het niveau van PJ’s Engels, maar door het niveau van de heringetreden huisvrouw. 

Buiten kletsen we nog een tijdje met het Engelse stel. Ze zijn al twee jaar op reis, meestal met het openbaar vervoer. Wat een leuk stel, jammer dat ze niet met hun eigen auto reizen, want ik zou best een tijdje met hen willen optrekken. We missen op dit continent wel een beetje dat we zo weinig reizigers tegenkomen.
We rijden over de Golden Gate brug, die voor de verandering niet in de mist zit, naar het Golden Gate National Recreation Area, waar we een plekje voor de nacht hopen te vinden. Bij alle uitzichtpunten en strandjes staan echter borden dat overnachten verboden is. Uiteindelijk vinden we toch een plekje zonder verbodsbord. Het is al half acht en ik trek maar weer eens een blik soep open. Er stopt een politiewagen naast ons. “Geniet u van de zonsondergang of bent u van plan hier te overnachten?”.
"Beide", antwoordt PJ.
Nou, dat laatste is dus verboden, we moeten hier weg. We lepelen snel de soep naar binnen en zoeken op de kaart naar een andere mogelijkheid.
In het donker rijden we nog anderhalf uur door naar een restarea langs de snelweg. We zien verbazend veel mensen en er staan nogal wat auto’s. Ik ben moe en kruip meteen in bed. PJ zegt voor een geintje als hij naar de toiletten loopt: "Nou, ik ga even kijken of er nog iets lekkers op het parkeerterrein loopt". Bij het verlaten van het toilet staan een oudere man en een neger hem 'op te wachten'. De neger loopt vriendelijk doch vasthoudend achter hem aan, al roepend: "Hé, pssssst". PJ heeft niets lekkers gezien, maar de heren hebben dat duidelijk wel!

juni

Vandaag willen we proberen Darwin en Lynette te vinden. We hebben dit oudere echtpaar op onze reis in het Midden-Oosten twee keer ontmoet, geen adressen uitgewisseld, maar als we in Jackson, in de staat Wyoming, zouden vragen naar Darwin, the birdwatcher, zouden we hen wel vinden.
We willen natuurlijk niet ongewassen bij hen aankomen dus gaan we om de beurt op een parkeerterrein onder PJ's ‘doucheconstructie’: een twintig liter waterjerrycan op het dak die door de zon de hele dag verwarmd wordt, slang met douchekop eraan via het dakluik naar de doucheruimte. Op deze manier hoeven we voor het douchen niet onze voorraad drinkwater aan te spreken en bovendien wordt het water kosteloos verwarmd. Op de kaart zie ik een kortere route naar Jackson, achteraf blijkt het de Tetonpas (2500 m) te zijn. De bus kruipt heel langzaam omhoog en, om de remmen te sparen, in hetzelfde slakkengangetje naar beneden. Pas om een uur of zeven 's avonds rijden we Jackson in, een western stadje vol houten gebouwen. Op de vier hoeken van een plein staan triomfbogen gemaakt van hertengeweien. In elke boog zitten er wel honderden verwerkt! Als ik dit de eerste keer zie, moet ik even slikken. Wat een slachtpartij moet dat geweest zijn! Maar op dat moment ben ik dan ook nog onwetend van het feit dat herten en elanden hun geweien in de herfst afwerpen.
Volgens de Lonely Planet gids heeft Jackson 5000 inwoners, maar het aantal toeristen lijkt mij net zo groot. Er zijn veel motels, hotels en souvenirwinkeltjes, dus waar moeten we beginnen met zoeken naar Darwin en Lynette? Gelukkig is het visitor center nog open. In het boekenrek zie ik een vogelboek staan, geschreven door een zekere Darwin Wile.
“Natuurlijk ken ik Darwin, de vogelaar!”, zegt de medewerkster en zoekt zijn adres op in het telefoonboek. Zij legt ons uit hoe we moeten rijden. Dit is echt ongelooflijk. De eerste de beste aan wie wij het vroegen kent Darwin!
Een beetje in spanning rijden we naar het opgegeven adres. Darwin doet tot onze stomme verbazing open in een djellabah, een Arabische mannenjurk, herkent onze gezichten, maar weet ons niet te plaatsen. Ik help hem een handje op weg en noem onze namen en wijs naar de bus. We worden hartelijk binnengehaald en Darwin pakt meteen een dikke stapel getypte vellen. Het blijkt een 450 pagina’s tellend manuscript over hun reizen te zijn. Het wordt binnenkort gedrukt. Darwin begint te bladeren en leest dan voor over zijn ontmoeting in Turkije met een Hollands stel op weg naar Afrika. Hij noemt in zijn boek niet onze namen en daarom wist hij ze daarnet ook niet meer. Verderop in het boek beschrijft hij ook nog onze tweede ontmoeting in het Midden Oosten.
Zes maanden later zien we ze weer en in het nu inmiddels uitgegeven boek, waarvan we er een cadeau krijgen, zien we dat hij kennelijk nog vlug onze namen heeft toegevoegd aan het manuscript.
Ondertussen heeft Lynette haar telefoongesprek afgebroken en vliegt ons om de hals. We hebben elkaar veel te vertellen en de vragen vliegen over en weer. Ondanks dat Lynette en Darwin qua leeftijd mijn ouders hadden kunnen zijn, heb ik niet het gevoel bij mijn vader en moeder op visite te zijn. Als ik hen zie denk ik eerder: is dit ons toekomstbeeld?
Darwin nam op 33 jarige leeftijd zijn vrouw en gezin (dochter van zes en zoon van negen) mee voor een reis die twee jaar zou gaan duren. In een Volkswagen camper trokken ze door Midden en Zuid Amerika, Europa en Marokko. Dertien jaar later begint het weer te kriebelen en, dit keer zonder kinderen, maar nog steeds in een Volkswagen camper, vertrekken ze naar Canada, Alaska en Afrika. Slechts vier jaar later gaat de reis naar Australië en in 1997 komen wij hen in het Midden-Oosten tegen als ze op weg zijn naar Azië. Overal zijn ze geweest. PJ en ik waren 32 toen we begonnen met reizen, geen wonder dat het klikt tussen ons vieren. Wij zijn volgens Darwin de drifters van deze aarde. 

De volgende dag heeft Darwin een uitgebreid ontbijt voor ons klaargemaakt en we doen zijn vooroordeel dat Hollanders altijd vroeg opstaan te niet. We hebben een gezellige relaxte dag zonder verplichtingen, Darwin en Lynette doen gewoon de dingen die ze van plan waren, waardoor we een goede indruk krijgen van het leven van een stijlvolle Amerikaanse familie, die voor elke maaltijd de tafel dekt, kaarsen brandt ook als het geen Kerst is, een glas wijn bij het avondeten drinkt, culinair koken, nooit van plastic borden eten en hun afval recyclen. Wat een verschil met Steve en Jayne in Layton!
Darwin en Lynette vragen ons nog een dag te blijven. Darwin moet 's morgens wel even naar de tandarts en ik zie meteen mijn kans schoon om PJ ervan te overtuigen dat hij met Darwin mee moet gaan. Hij heeft eigenlijk al drie maanden last van een zeurderige pijn in een kies en die wordt de laatste dagen alleen maar erger. PJ twijfelt nog even. Hij wil na die blamage van mij niet de tweede zijn die voor niets naar de tandarts gaat, maar gaat toch overstag. 

Om kwart voor acht is het al een bedrijvigheid van jewelste bij het tandartsenechtpaar en de tien assistentes. PJ moet alvast in een van de acht stoelen plaatsnemen en een lijst met wel honderd vragen invullen. Naast de bekende vragen over allergieën staan er ook vragen zoals:
"Do you like your smile?, Why not?”.

Een bevallige assistente onderzoekt PJ en stelt nog meer vragen. Nadat twee röntgenfoto’s ontwikkeld zijn, komt de tandarts, onderzoekt PJ vluchtig en trekt de conclusie dat hij een wortelkanaalbehandeling moet hebben! En of hij wel van tevoren contant wil afrekenen. De behandeling duurt anderhalf uur, maar PJ is eindelijk van zijn pijn af. Door bemiddeling van Darwin krijgt hij 20% korting op de huizenhoge rekening. Van de verzekering in Nederland krijgen we later gelukkig nog eens de helft terug. Na een gezellige lunch post ik mezelf in de achtertuin bij een voederbak voor kolibries en probeer ik foto's van die razendsnelle minivogeltjes te maken. Overal staan allerlei vogelbakken en de kleurrijke vogeltjes vliegen af en aan. Darwin grijpt af en toe zijn verrekijker en wijst mij op de verschillende soorten. Hier legt hij bij mij de kiem voor een nieuwe hobby. 

Na nog een gezellige avond vertrekken we de volgende morgen. Net buiten Jackson is een enorm toevluchtsoord voor herten, waar ze in de winter naartoe kunnen als in de bergen het gras onder een dikke laag sneeuw ligt. In het voorjaar rapen padvinders de geweien op en in het dorp wordt jaarlijks een grote veiling gehouden, waar vooral Japanners op af komen. Van het restant zijn de triomfbogen op het plein gemaakt. En bij de herten groeit het gewei gewoon weer aan, soms wel tien centimeter per dag. Jackson ligt aan de voet van het Grand Teton gebergte, maar de grijze wolken hangen zo laag dat we er niets van kunnen zien. Dus door naar Yellowstone National Park, dat er aan vast zit.

lees verder

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA