Reisverslag USA, Canada & Alaska 2001

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA

15.  Weer op reis, maar in een ander voertuig

januari 2001

Na vier maanden hard werken en sparen belt in januari ineens de makelaar op: “Ik heb huurders voor jullie huis”. Hij is voor ons eigenlijk twee maanden te vroeg. Wij hebben ons huis tussen de twee geplande reizen gewoon in de verhuur laten staan, want het is niet zo eenvoudig om tijdelijke huurders voor een gemeubileerd huis te krijgen. Eigenlijk wilden we pas in maart weer naar de Verenigde Staten, maar flexibel als we zijn, besluiten we de verhuur toch door te laten gaan. De huuropbrengst is tenslotte al twee derde van ons reisbudget.

Een week voordat we vertrekken kan er in Nederland geschaatst worden. Voor het eerst in vier jaar en wij hebben er geen tijd voor! Ik werk vrijdagmorgen nog en ons huis moet zaterdag opgeleverd worden. Het begint zelfs serieus te sneeuwen en de planten en bomen in ons tuintje zijn bedekt met sneeuw. Een mooier van afscheid van Nederland hadden we niet kunnen bedenken.

Op 22 januari brengt mijn schoonvader ons om negen uur 's morgens naar Schiphol. Onze bagage, drie grote reistassen, gaat door het röntgenapparaat. Niemand zegt iets over de olie- en dieselfilters voor de Mercedes en de tentstokken (het bleek dat we zeven maanden met tent, maar zonder tentstokken gereisd hadden). Ook de vele kilo's drop die her en der in de tassen zitten, worden niet opgemerkt.

Tijdens de vlucht steekt iemand tot twee keer toe een sigaretje op in het toilet. De te verwachten alarmbellen en zwaailichten blijven uit, maar de captain weet er kennelijk van en is behoorlijk pissig. "Dames, heren, we vliegen boven het koudste gedeelte van Noord-Amerika en als er brand uitbreekt, maak ik hier niet graag een noodlanding!". 

Acht uur later landen we op Washington D.C. We krijgen van de immigratiebeambte een verblijfsvergunning voor een half jaar. Onze vorige vergunning is nog twee maanden geldig, maar daar zullen we het maar niet meer over hebben. Daarna vliegen we door naar Salt Lake City. We ontmoeten Steve, Jayne en Jody bij de lopende band, maar onze tassen rollen er niet vanaf. Zoek! Waarschijnlijk ergens tussen Washington en Salt Lake blijven hangen? We geven een omschrijving van de tassen aan de medewerkster van de balie ‘verloren voorwerpen’ in de hoop dat ze toch nog binnen komen. We gaan met Jayne en Steve naar hun huis en slapen de eerste nacht bij hen en niet in onze bus.

Bij het wakker worden, hebben we dringend behoefte aan koffie, maar ja, dat drinkt mijn Mormoonse familie niet. We moeten dus maar zo snel mogelijk de bus in orde maken. PJ vindt daar gelukkig een pot oploskoffie en een tandenborstel, maar zonder onze bagage wordt het toch wel lastig.
Het heeft hier in Salt Lake City in november voor het laatst gesneeuwd, maar op schaduwplekken ligt er nog een indrukwekkende hoeveelheid. We halen het zeil van de bus en PJ monteert de accu's terug en start de verwarming. Buiten stijgt de temperatuur tot bijna 15 graden, de zon schijnt en de lucht is blauw. We komen in een wintersportsfeertje.
Ik haal het beddengoed tevoorschijn, want vannacht zullen we lekker weer in ons eigen 1.20 meter brede bedje slapen. PJ probeert de motor te starten. Na vijf keer lukt het en dat na ruim vier wintermaanden stil staan! We ruimen de sneeuw rondom de bus op en zijn hier de hele dag zoet mee. Tucker, de jongste van drie jaar, loopt constant om ons heen. Al snel is het weer van "Pie-djee, Clauja, watch this" en hij laat zijn kunsten zien. 

Aan het eind van de middag wordt onze verloren bagage thuisgebracht. Dat valt mee, maar het ziet er niet uit. Ik had alle spullen in plastic kratten verpakt en daarna in de reistassen gestopt, maar die kratten hebben het niet overleefd. Heel veel is kapot. De chocolade hagelslag zit overal, de doosjes van de cassettebandjes zijn gebroken en zakken drop zijn opengebarsten, maar daar komen we wel overheen.  

Vijf uur 's morgens zijn we allebei klaar wakker. Duidelijk last van jetlag. PJ rookt een shagje en is blij dat we in onze eigen bus liggen. Daarna vallen we toch weer in slaap. Als we weer wakker worden en het gordijn opendoen, zien we dat het sneeuwt; piepkleine vlokjes die gestaag naar beneden vallen. Na acht uur constante sneeuw is er vannacht bijna twintig centimeter gevallen! De bomen zijn bedekt onder een dik pak. In Nederland lag er ook sneeuw toen we vertrokken, maar zoveel als er hier valt, zullen we daar niet zo snel meemaken. We beginnen met het sneeuwvrij maken van het steile garagepad, een klus waar we drie uur mee zoet zijn. Eigenlijk wilden we vandaag kijken of de bus niet alleen start, maar er ook proberen mee te gaan rijden, maar dat is nu met dat pak sneeuw niet zo een goed idee. 

De kachel houdt er 's nachts mee op (-5 graden). De huishoudaccu's zijn leeg. PJ zet de acculader aan en na een tijdje doet de kachel het gelukkig weer.
Als PJ 's morgens de bus wil starten lukt dat niet. Hij sluit als extraatje de huishoudaccu's op de startaccu's aan. Resultaat: er komen wat rookwolken onder PJ's stoel vandaan, maar meer ook niet. Na een paar uur wachten start de bus wel, maar bij PJ groeit steeds meer het idee de bus in te ruilen. Hij is na de pech in Tok het vertrouwen een beetje kwijt. We besluiten eerst maar eens met de bus boodschappen te gaan doen. Bij de supermarkt slaan we bier in, want PJ drinkt al vier dagen alleen koffie. Daarna rijden we langs een paar autodealers om een indruk te krijgen wat een andere auto ons zou kosten. We zoeken een tweedehands pick-up met een laadbak waarop een camperunit past. Deze combinaties hebben we hier in Amerika al veel vaker gezien en het lijkt ons het ideale vervoermiddel.
We rijden het terrein van een dealer op. Een jonge knul met cowboyhoed en laarzen en helderblauwe ogen loopt op ons af. “Hi, I’m Pete, what’s your name” en begint handen te schudden.

“I’m PJ”.
"My name is Claudia".

"Huh, wat zeg je?".

"Claudia, as in clouds".
Het schijnt voor Amerikanen een moeilijke naam te zijn, want ik moet hem overal altijd twee keer herhalen. Hier spreken ze het uit als Clohdia. Deze dealer heeft een mooie pick-up staan, maar geen camperunit. Jammer. We blijven de hele middag in Layton en Ogden doorzoeken. 

Vrijdagavond zijn we uitgenodigd om mee te gaan naar een etentje van de kerk. We gaan pizza and pie's eten. Als we het kerkgebouw inlopen vallen onze monden open van verbazing: in de kerk is een enorme sporthal, met basketbalbaskets en voetbaldoelen enzovoort; de hele mikmak! Er staat een groot aantal tafels en stoelen. Iedereen heeft een of twee zelfgemaakte pie's (vlaaien) meegebracht. We worden aan een aantal mensen voorgesteld en het blijkt dat veel van hen ons met de bus door Layton hebben zien rijden! En Layton is heus niet klein met zijn 68.000 inwoners. Na het gebed mogen we pizza en salade halen. Aan het eind van de tafel staat iemand Coca-Cola in te schenken. Ik heb hartstikke dorst en neem een grote slok. Uuch! Hoe had ik kunnen denken dat het Cola was! Die Mormonen mogen helemaal geen drank met cafeïne er in drinken. Het is Root Beer en dat smaakt als hoestdrank. Maar met bier heeft het natuurlijk niets te maken, want alcohol drinken ze ook niet. Mijn familie ligt in een deuk om mijn reactie en ze beginnen het aan iedereen te vertellen.
De avond is bedoeld om geld binnen te halen voor allerlei activiteiten van de kerk (zelfs de padvinderij valt onder de auspiciën van de kerk) en mensen bieden op een groot prikbord hun diensten aan: auto wassen en zuigen voor U$15, een taart bakken voor U$10 of huishoudelijk werk doen voor U$15. Er is zelfs iemand die voor U$65 je een jaar lang iedere maand een toetje bezorgt. Dat is hier overigens geen gezonde yoghurt ofzo, maar een grote taart!
Mijn nichtje Tesse gedraagt zich echt als een veertienjarige puber. PJ is dat even zat en zegt: "smart ass" tegen haar. Ze is diep geschokt. PJ vloekt in de kerk! Nu is het PJ die verbaasd is: sinds wanneer is ass een vloek?
De Mormonen hebben voor allerlei uitdrukkingen beschaafde vervangingen verzonnen. Zo zeggen ze geen hell, maar heck; shit wordt shoot, damn wordt darn en in plaats van "Oh my God" zeggen ze "oh my gosh". Omdat in Nederland Amerikaanse uiteraard series niet worden gecensureerd weten wij niet beter of woorden als shit of damn gewone spreektaal is. Wij moeten dus bij mijn familie erg op onze woorden letten. Is wel even wennen, maar je moet er iets voor over hebben als je gratis wilt logeren.
Aan het eind van de avond worden de drie bisschoppen bekogeld met papieren bordjes met daarop vla en slagroom. Dat is ook voor het goede doel (U$5 per bordje), maar ik geloof niet dat er iemand betaalt. De kinderen maken er gretig gebruik van en de drie zitten helemaal onder de troep. Natuurlijk zijn we op een christelijk tijdstip weer thuis. 

De hele zaterdag zijn we weinig succesvol met allerlei autoproblemen bezig. We raken een pietsje gefrustreerd. Wel hebben we via e-mail in Nederland een lening kunnen regelen, want voor een andere auto zullen we flink moeten bijbetalen. Het nieuws dat we een andere auto zoeken verspreidt zich en Ron, een vriend van de familie, stelt PJ voor met hem naar een autoveiling te gaan. De veiling is op iedere woensdag. Ron is autohandelaar, maar alleen in benzineauto's, en we willen perse een truck met dieselmotor.
Verder denkt Ron dat er vast wel iemand in de vriendenkring is die zijn truck met camperunit wil verkopen. Hij zal rondbellen en twee dagen later horen we dat hij zijn vriend Chris pusht om zijn auto aan ons te verkopen. Hij vraagt ons nog even geduld te hebben.
We zitten er toch wel een beetje mee dat het nu niet het juiste seizoen is om camperunits te kopen en er dus ook weinig keus is. En ook het vinden van een betrouwbare autohandelaar is best moeilijk. En hebben we dan een truck, hoe vinden we dan een camper die past in het bakkie?
We gaan toch weer wat rondrijden en de prijzen van de trucks vallen erg tegen. Dus een truck kopen van een vriend van de familie lijkt ons een beter plan. Chris is wel bereid over de deal te praten. 

De familie gaat van negen tot twaalf naar de kerk, en wij gebruiken die tijd om achter de computer te zitten. Als ze thuiskomen worden we uitgenodigd voor een lunch bij iemand van de kerk. De 19-jarige jongen heeft zijn bestemming als missionaris te horen gekregen en hij wordt voor twee jaar uitgezonden naar Guam, een eiland in de buurt van Japan. Zoals hier gebruikelijk is, geven zijn ouders een afscheidslunch voor een grote groep mensen van de kerk. Iedereen heeft een salade meegenomen.
Zonder aan de ouders of de jongen voorgesteld te zijn moeten we van Jayne en Steve aansluiten in de rij voor het buffet. We voelen ons erg ongemakkelijk in onze reiskleren, omdat alle gasten direct uit de kerk zijn gekomen en erg correct gekleed gaan. We scheppen een bord vol heerlijke salades op en zoeken een plekje. Uiteindelijk stelt Jayne ons aan de gastvrouw en de jonge missionaris voor. Ik ga nog eens terug naar het buffet voor zoete- en fruitsalades. Ook liggen er schalen vol zelf gebakken koekjes. Hoe kun je hier ook dun blijven? 

Om een uur of vier gaan we naar de broer van Steve. Kevin en Shana wonen met hun twee dochters en een zoon in een prachtig groot huis, wat Kevin zelf gebouwd heeft. Hun oudste zoon is op zijn missie in Paraguay. Als we hier de huizen zien, lijkt iedereen miljonair te zijn. Toch worden Mormonen geacht 10% van hun inkomen aan de kerk te schenken.
Kevin en Shana hadden zin in een feestje en daarom nodigden ze de familie uit om naar de Super Bowl te komen kijken. Deze zeer belangrijke footballwedstrijd wordt op een megascherm in hun basement uitgezonden. Dit is een ruimte onder het huis, met grote banken en vaste vloerbedekking. Het is gezellig, ongedwongen en met veel eten.
Eind januari is hier het huis nog volop versierd met Kerstversiering, maar dat zal wel niets vergeleken met de echte Kerstdagen zijn. Kevin pocht over zijn kerstboom van zes meter hoog en wel drie meter in doorsnee, die in de woonkamer stond. Als ik hier een paar dagen later kom, is het huis ineens versierd voor Valentines Day; rode harten en roze slingers, overal gebloemde dozen, waar Valentijnskaarten ingestopt kunnen worden. Na het diner gaan we bij Chris langs om zijn truck te bekijken. Het is een rode Ford en ziet er goed uit. Bij Chris' vader staat een camperunit, dus daar zullen we morgen een kijkje gaan nemen. Wij zien het al helemaal zitten.

februari

Ik pak Tucker stevig in, want we gaan een sneeuwpop maken, er is weer veel verse sneeuw gevallen. Nou dan kom je van een koude kermis thuis: deze sneeuw plakt niet. Aha, de beroemde poedersneeuw! Ik kan er dus geen bal van rollen. 's Middags gaat de sneeuw wel plakken en ik kan alsnog een sneeuwpop maken. We bekijken de camper en het is wat we zoeken. We bezegelen de deal met een handdruk. 

Vandaag is het 2 februari, Groundhog Day en als de groundhog, een soort marmot, uit zijn kooi komt en zijn schaduw ziet, zal het nog zes weken winter blijven. Het is een zonnige dag, dus de lente zal een tijdje uitblijven. Ik verstuur wat Valentijnskaarten naar Nederland.
Om vier uur 's middags is het dan eindelijk zover; we kunnen onze eigen rode truck gaan ophalen. PJ rijdt wat onwennig in de automaat. Dit is de enige concessie geweest, want hij wilde perse een dieselmotor en een gewone versnellingsbak, maar dat laatste zat er bij deze auto niet in. 

Om tien uur 's morgens rijden we naar de vader van Chris, waar de camperunit geparkeerd staat. De unit moet uit de sneeuw gegraven worden. PJ en ik beginnen met de sneeuw van het dak te schuiven. Als alle sneeuw verwijderd is, laat Chris zien hoe je de unit opkrikt en hoe de truck onder de unit gereden moet worden. Ik heb zo mijn twijfels of we de unit zo gemakkelijk ergens achter gaan laten om met de truck rond te rijden. Wij staan tenslotte nooit op campings, dus dan zouden we de unit ergens in een bos achter moeten laten. Bovendien kost het erop en eraf halen meer dan een uur.
Om twaalf uur zijn we klaar en beginnen we met het overladen van de spullen uit de bus naar de camper. Er zit een hoop opbergruimte in de camper, maar we moeten nog een wel een logische indeling zien te vinden. De truck alleen is al even breed en lang als onze bus. Aangezien de unit in de breedte aan twee kanten dertig centimeter uitsteekt en er aan de achterkant nog een meter bijkomt, zijn we niet bepaald ‘kleiner’ gaan rijden, wat immers altijd ons plan was. We slapen boven de cabine van de truck in een Queensize bed (1.50 meter). Verder heeft de camper een keuken, een zitje en een badkamer met douche en toilet, alles in een schitterende combinatie van beige met mintgroen. Daar moet heel snel iets aan gebeuren!

16. Bevroren in West-Yellowstone.

februari 2001

De voorjaarsvakantie is begonnen en Jayne wil met drie kinderen naar haar ouders in West-Yellowstone. Wij willen ons nieuwe voertuig graag uittesten en zijn klaar voor de 500 kilometer rit naar het noorden. We vertrekken een paar uur eerder, want we moeten eerst boodschappen doen, diesel tanken en aftoppen met water.
De omgeving wordt witter en witter; de zwarte koeien steken mooi af in de sneeuw. PJ moet erg wennen aan de automaat, maar de cruisecontrol is wel erg makkelijk. Dat is standaard in Amerikaanse auto's. PJ begrijpt nu waarom half Amerika op zijn sloffen, slippers of blote voeten rijdt; je hebt hier voor het autorijden alleen je handen (en je hersens) nodig.
Als we het Targhee National Forest inrijden zijn de dennenbomen bedekt met sneeuw. Het lijkt wel of we een kerstkaart inrijden. Het begint te sneeuwen. Ik zie een vrouwtjeseland met haar jong, PJ heeft al zijn aandacht nodig bij het rijden. Op de vierbaansweg zijn nog maar twee sporen zichtbaar. Een vrachtwagen zit op PJ's lip en begint te seinen. PJ gaat aan de kant bij een historisch uitzichtpunt en laat de vrachtwagen passeren. We besluiten dan maar een avondmaaltijd op te warmen; soep dus en een boterham. Ik heb nu een vierpits gasstel in plaats van twee en zelfs een oven. Als we klaar met eten zijn, is het helemaal donker; de verlichting van de camper en de truck zijn waanzinnig! Heel indrukwekkend al die oranje lampjes. PJ schakelt de truck in 4x4 en we rijden het laatste uur naar West-Yellowstone.
 

In het plaatsje met 1000 vaste inwoners en drie keer zoveel toeristen is de sneeuwscooter het gangbare voertuig. Dit futuristische voertuig met puntige neus, twee ski's aan de voorkant en een rupsband aan de achterkant, lijkt voor ons zo uit een James Bond film te zijn weggereden.
We parkeren onze truck op het parkeerterrein van Three Bear Lodge Hotel, waar oom Bill en tante Donna tijdelijk wonen, omdat ze hun huis verkocht hebben. Bill wil begin april beginnen met de bouw van zijn nieuwe huis, en hij zou wel hulp van PJ kunnen gebruiken. We zullen wel zien waar we tegen die tijd zijn. Zoals altijd worden we weer warm ontvangen door de familie. We slapen in onze camper en het wordt 's nachts -5 graden. 

Om zeven uur worden we gewekt door knetterende sneeuwscooters. Bill gaat, met nog vier gidsen, 52 toeristen op sneeuwscooters naar Jackson Hole begeleiden. De tocht zal een stuk door Yellowstone National Park gaan. En zij zijn niet de enigen!
"Als ik dit hoor kan ik me voorstellen dat ze de sneeuwscooters in het park willen verbieden".
"Weet je wel hoeveel auto's er per dag in de zomer door het park rijden?", antwoordt PJ.
"Ja, maar in de winter komen de dieren naar de lager gelegen gebieden op zoek naar voedsel en dan worden ze weggejaagd door die ronkende sneeuwscooters".
PJ beaamt dit. Hij vindt het geluid wel erg lijken op de teringherrie van de scootertjes in Nederland. 

Onze nieuwe camper bevalt prima. Tijdens een kop koffie bespreken we hoe we hem willen veranderen, maar eerst gaan we genieten van het prachtige sneeuwlandschap. Donna stelt voor een tochtje te gaan maken met wat sneeuwscooters. Ondanks mijn eerder genoemde bezwaren, hebben wij hier wel zin in. We gaan het park niet in, maar ik weet dat dit een zwak excuus is om toch gebruik te maken van het aanbod.
Omdat het de eerste keer is dat we op een scooter rijden, wil ik eerst bij PJ achterop, maar Donna staat erop dat ik mijn eigen sneeuwscooter rijd. Ze denkt dat ik bang ben en noemt me een chicken. Jayne is gisterenavond ook gearriveerd en de drie jonge kinderen (3,9 en 10) willen ook mee. De laatste twee rijden wel, maar mogen niet op de openbare weg rijden, dus we zullen toch minstens met vier sneeuwscooters op weg moeten. In een waterig zonnetje rijden we een tocht van 25 kilometer. Zodra we het bos in zijn, smeken Teah en Tanner of ze nu mogen rijden. Ik ga alsnog bij PJ achterop en de kinderen mogen om de beurt mijn scooter berijden. Met 80 kilometer per uur scheuren we door het winterse landschap. Hier ligt nog geen sneeuw op de bomen, maar ze verwachten deze week nog wel wat sneeuwbuien. Het rijden op zo een sneeuwscooter is een waanzinnige ervaring. Bij de huur van het voertuig (voor ons gratis) hoort tevens een lekker warm pak, handschoenen, sneeuwlaarzen, een bivakmuts en helm. De handvaten van de sneeuwscooter zijn verwarmd en je zit met je benen achter een kuip. 

's Avonds gaan we uit eten in een jaren 50 restaurant en als Tucker een poster ziet van James Dean met een sigaret bungelend in zijn mond zegt hij: "Look mama, that's PJ". Ik leer Tucker het lijflied van Ome Willem "Deze vuist op deze vuist", en we maken er meteen een Engelse vertaling van: "Put this fist on top of this (3x) and this is how I climb a ladder". 

Na een koude nacht (-15 graden) in onze camper, start de auto niet meer. Ook is al het water bevroren en het toilet spoelt niet meer doen (jawel, we hebben in plaats van een chemisch toiletje nu een heus spoeltoilet!). We maken er ons maar niet te druk om. 's Middags gaan we weer snowmobilen en omdat je zonder rijbewijs ook niet in het Yellowstone Park mag rijden, gaan we vanwege de kinderen weer een tocht buiten het park maken. Dit keer hebben we twee snellere machines en als ik alleen op zo'n racemonster zit, heb ik het gevoel dat ik hem veel beter onder controle heb. Jayne en Donna nemen de drie kinderen en PJ en ik scheuren ervandoor. Echt kicken! We maken die dag een tocht van 40 kilometer. Natuurlijk laten we Teah en Tanner ook af en toe rijden. 's Nachts valt er een dik pak sneeuw. 

Het is ook overdag -15 graden en de kinderen mogen niet naar buiten. Vandaag start ook Jayne's auto niet en PJ is de hele ochtend in touw met het opladen van accu's en opstarten met startkabels. Ik heb erg veel pijn in mijn onderrug, waarschijnlijk gewoon spierpijn, want ik ben in een erg slechte conditie en de koude nacht heeft mijn spieren geen goed gedaan. 
In onze auto blijkt een opwarmingssysteem voor de motor te zitten. We wisten wel van het bestaan af, maar hadden het niet in onze auto kunnen ontdekken. Jammer dat we dit niet eerder wisten. Na een paar uur start de motor wel, maar in de camper blijft alles stijf bevroren. Aan de binnenkant van de ramen staan geen ijsbloemen, maar ijsmuren!
Ondertussen is nicht Jody ook gekomen en zij heeft de drie kinderen van haar broer meegenomen. Donna en Bill hebben nu geen groot huis meer en het is erg rumoerig met zes jonge kinderen.
's Avonds zakt de temperatuur naar -30 graden en ik verrek van de pijn en ben misselijk. Als Donna voorstelt dat we vannacht maar in een hotelkamer moeten slapen, barst ik in tranen uit. Het idee alleen dat we weer in die koude camper moesten slapen...
Ik neem een gloeiend heet bad, eindelijk rust van al die kinderen en wat privacy, want van sloten op toiletdeuren en badkamerdeuren hebben ze hier niet gehoord. Ik moet 's nachts een paar keer overgeven. 

We willen terug naar Layton en ook Jayne zal, zonder kinderen in de auto van Jody, vandaag vertrekken. Nu blijkt Jody's auto niet te starten. PJ is weer de hele ochtend in de weer en ik lig ziek op bed. De rugpijn trekt weg, maar ik blijf overgeven. Om één uur kunnen we weg. Jayne rijdt een tijdje achter ons, maar als we stoppen voor een foto haalt ze ons wuivend in. Als we ongeveer een drie kwartier onderweg zijn, verliest de motor kracht en er gaat een waarschuwingslampje fuelfilter branden. PJ leest het instructieboekje er eens op na, maar kan niets vinden. Hij haalt het filter eruit en schudt er eens mee. Ik ben blij dat hij dat filter sowieso weet te vinden. We sukkelen nog een beetje door en na een kwartier stranden we in het gehucht Chester. PJ zet de auto aan de kant en loopt naar een lokale benzinepomp. De eigenaresse belt haar vriend, die automonteur is, en hij adviseert een toevoegsel bij de diesel te gooien, een half uur te wachten en dan opnieuw proberen. Het is half vijf 's middags, -20 graden en er staat een windje. Ik voel me nog steeds beroerd. PJ ook, maar dat komt ergens anders door. Ook het additief helpt niet en PJ haalt met auto net de benzinepomp. De eigenaresse belt een garage en Chester blijkt een Fordgarage te hebben! Er zal over een kwartier hulp komen. Om half zes komt er een kerel, die zich voorstelt als Larry. Hij plugt een computer onder ons dashboard in en kan nu van alles aflezen.
“Ik zie dat je met startkabels in de weer bent geweest”.
“Ja, dat klopt”, antwoordt PJ verbaasd, “kun je dat in die computer zien?”.
Larry beaamt dit. Na een aantal minuten is de storing duidelijk. “De oorzaak van jullie probleem is verkeerde diesel. De diesel is zo koud geworden, dat hij bijna niet meer vloeibaar is”.
Wij hebben er geen moment bij stilgestaan dat ze bij de pompen in Idaho, waar het 's nachts toch vriest, geen winterdiesel verkopen!
“Jullie hadden geen slechtere dag hadden kunnen uitkiezen. Het is koud voor de tijd van het jaar en door de rijsnelheid bevriest de diesel in de leiding naar het dieselfilter. Zelfs scholen zijn op dit soort dagen gesloten, zodat de kinderen niet over straat hoeven. Laten we naar mijn garage rijden en daar de motor onder stroom te zetten en zo de boel een beetje opwarmen”, zegt Larry.
Morgen kan hij dan hopelijk ons probleem verhelpen. We lopen zijn piepkleine huisje binnen. In zijn woonkamer staan twee 2-persoonsbedden en overal lopen kinderen. Het blijken er tien in totaal te zijn. Ik bel naar West-Yellowstone en vraag Jody of ze ons kan komen ophalen. Larry stelt voor ons vast halverwege te brengen en dit brengt hij de volgende dag niet in rekening. Er zijn blijkbaar nog genoeg behulpzame mensen op deze wereld. We zijn allebei door en door koud en ik krijg buikgriep. Gelukkig slapen we weer in een hotelkamer, die Bill weer voor ons ritselt. 

Het is vandaag iets minder koud en de kinderen mogen weer naar buiten. Ik blijf in de buurt van het toilet. Larry heeft de hele dag nodig om de motor te ontdooien en de storing te verhelpen. Om half zes 's avonds is de auto klaar en Jody brengt ons naar Larry. Wij rijden weer in onze eigen auto terug naar West-Yellowstone, met Jody in ons kielzog. 

Ondanks dat ik me nog niet goed voel gaan we toch de volgende dag terug naar Layton. PJ hoeft maar een keer een noodstop voor mij te maken. Terug in Layton beginnen we met het ontdooien van de camper en voor zover we dat kunnen beoordelen heeft de camper geen schade opgelopen door de bevriezing. 

Conclusie van deze week: we zijn veel te snel vertrokken met het nieuwe voertuig, zonder ons te verdiepen in de truck, de camperunit en de weersomstandigheden! Dus voorlopig gaan we het heel rustig aan doen; al is het maar omdat we weer ingesneeuwd zijn.
De wereldkampioenschappen Alpine Skiën wordt afgelast, omdat er op Snowbasin in Noord Ogden een halve meter sneeuw is gevallen. Op verse sneeuw kun je kennelijk niet skiën. Wij krijgen hier ook een staartje van mee en in één dag valt er 31 centimeter sneeuw.  

We zijn druk bezig geweest om van de bus af te komen. We hadden hem helemaal verkoopklaar gemaakt voor de veiling, maar op het laatste moment bleek dat ze er geen auto’s met buitenlandse kentekens mogen verkopen. We waren weer eens verkeerd ingelicht. Daarna hadden we een koper, maar het rond krijgen van de papierwinkel (invoer, emissietest, e.d.) bleek voor hem teveel te gaan kosten en hij haakte af. We hebben de bus toen helemaal ‘gestript’; er alles af en uit gehaald wat we nodig denken te hebben, en daarna zijn we langs wat sloperijen gereden, maar ze hadden geen interesse voor het ‘wrak’. Eindelijk vinden we een sloperij die de bus wel voor niets wil hebben. 

Verder koop je hier een auto zonder nummerplaten. Onze aanvraag voor nieuwe nummerplaten wordt geweigerd, omdat we geen emissietest hebben laten doen. Dit zou de verkoper voor ons doen. Alsnog regelen we zelf de emissietest en dienen de aanvraag voor de tweede keer in. Voor ons zijn deze weken dikke stress geweest. We vinden het vreselijk om afhankelijk te zijn van anderen, die hun afspraken niet nakomen of verkeerde informatie geven. Eind februari nemen we afscheid van de familie. Door deze omstandigheden zijn we veel te lang bij mijn familie gebleven en het is voor ons allemaal een opluchting dat we vertrekken. 

We rijden 500 kilometer naar het zuiden over de Interstate. Het is bewolkt en ruim 12 graden. Op www.weather.com hebben we al gezien dat het in Zuid-Utah de eerste paar dagen zal regenen, maar we hebben niet veel keus. In het noorden is het 's nachts nog -20, we kunnen toch moeilijk rond Salt Lake blijven hangen, waar het heerlijk zonnig is. Af en toe rijden we door een lichte sneeuwbui, maar de weg blijft schoon. PJ verveelt zich achter het stuur, met de cruise control blijft er weinig lol aan het rijden over.  

In Red Rock Canyon overnachten we op het parkeerterrein van een informatiecentrum, dat vanwege de winter gesloten is. We krijgen al een voorproefje van het hier vlakbij gelegen Bryce Canyon National Park. Aan alle kanten torenen rode rotsen boven ons uit. Twee geërodeerde figuren houden vannacht over ons de wacht. Na het eten maken van de bank een sofa en zo kunnen we lekker voor de kachel relaxen. 

We worden om half acht wakker van een vrachtwagen die dicht langs onze truck rijdt. En nog een keer. En nog eens. Verbaasd kijken we uit het raampje. Het blijkt een sneeuwschuiver te zijn die het parkeerterrein sneeuwvrij aan het maken is. Er is vijftien centimeter sneeuw gevallen! De sneeuwschuiver heeft een wal om onze truck gecreëerd van een halve meter hoog. PJ probeert de truck te starten. Ondanks twee nieuwe accu's heeft de motor er moeite mee. Na een paar pogingen start hij toch en met de 4x4 aandrijving rijden we door de wal van sneeuw. We rijden door een prachtig sneeuwbos, het rode gesteente van de Red Canyon piept tussen de lagen sneeuw door. We komen bij Bryce Canyon National Park aan. De entree is nu gratis, want er is maar vijf kilometer weg toegankelijk. Bryce is een van mijn favoriete parken.
De sneeuw steekt nu mooi af bij de zalmroze hoodoos en we kunnen nu met eigen ogen zien wat sneeuw en ijs doen met deze canyon. De zon komt een paar tellen door, maar daarna komen grijze wolken de canyon binnen rollen en het begint te sneeuwen.

maart 2001

De zon piept tussen de wolken door. We brengen een bezoekje aan de bieb in het plaatsje Page. Een van berichtjes is waar we op zaten te wachten. Het is van Lynette en Darwin. Zij zullen met hun witte Volkswagen camper op 2 maart naar Zuid-Utah en Arizona op vakantie gaan en het leek ons wel leuk iets met hen af te spreken. Het mailtje meldt dat ze waarschijnlijk 's avonds op 3 maart in Arches National Park zullen zijn. We mailen terug dat wij daar dan ook zullen zijn. We moeten dan wel terug naar het noorden rijden om hen te ontmoeten. 

Via de Mokee Dugway rijden we naar het noorden. Deze weg stijgt in vijf kilometer 360 meter. In spectaculaire haarspeldbochten klimmen we naar een plateau op 2000 meter. Vanaf hier hebben we een prachtig uitzicht over het Indianen reservaat. Het is zonnig. 

Aan het eind van de middag rijden we Arches National Park binnen. In dit park hebben water, ijs, extreme temperaturen en een ondergrond van zout gezorgd voor meer dan 2000 natuurlijke bogen. 100 miljoen jaar van erosie creëerde dit bijzondere zandsteenlandschap. Als eerste rijden we naar Delicate Arch, want deze boog prijkt op onze Utah kentekenplaat. Het is een beetje laat om aan de wandeling naar de voet van de boog te beginnen, dus bewonderen we deze bijzondere boog vanuit de verte. De lucht is prachtig blauw en het is een zonnige dag geweest.
In een krantje, dat ik bij de ingang heb gekregen, lees ik dat de camping in het park in de winter €5,50 kost. Bij de camping aangekomen blijkt dat we toch de dubbele zomerprijs moeten betalen. We vinden dit belachelijk, in de winter is er geen water op de camping en we moeten één chemisch toilet met alle andere campinggasten delen en dat zijn er verbazend veel. We vinden het winterbedrag meer dan genoeg en stoppen dat in het daarvoor bestemde envelopje. Soms moet je je eigen regels maken!
De hele avond wachten we op Lynette en Darwin, maar er komt geen witte Volkswagen de camping op rijden. PJ raakt geïrriteerd, ik heb te vage afspraken gemaakt, wat moeten we morgen nu doen? 

17. Van de snow naar de snowbirds.

Problemen lossen zich vanzelf op, want als we de camping af willen rijden, komen Lynette en Darwin ons net tegemoet. We worden stevig omhelsd en onze nieuwe truck wordt bewonderd.
Het is ondertussen gaan sneeuwen, maar Darwin zegt dat de lucht er bij Delicate Arch veel beter uitzag. Dit park is zo groot, dat verschillende weersomstandigheden goed mogelijk zijn. We rijden achter elkaar aan naar het parkeerterrein van deze boog. De wandeling wordt omschreven als 'inspannend'; is bijna vijf kilometer en klimt 150 meter omhoog. In een uur klimmen we naar het eindpunt. Ondertussen praten we honderduit, zelfs politiek schuwen we niet. Darwin heeft ondanks zijn 61 jaar een ijzersterke conditie en met PJ, die nog een shagje opsteekt, houdt hij er stevig de pas in. Lynette (60) en ik blijven een beetje achter. Het is de klim wel waard en bij de laatste bocht ontvouwt zich in een prachtige omgeving de perfect gevormde boog. Een dikhoornschaap; familie van de antilope, met enorme ronde horens trippelt over de steile rotswand achter ons langs. Helaas begint het een beetje te regenen. Lynette en ik zitten van het gracieuze natuurverschijnsel te genieten, maar Darwin wil al na een paar minuten via een alternatieve route naar beneden.

"Come on girls, let's go".

Lynette ziet deze route helemaal niet zitten, maar Darwin heeft deze hike in november al eens gedaan en zegt: “Vertrouw me maar”.
Lynette krijgt last van hoogtevrees en plakt als een spin tegen de bergwand. "Darwin, I hate you voor this", scheldt ze. PJ en ik liggen in een deuk, omdat Lynette zich na 38 jaar huwelijk nog in dit soort situaties laat dwingen. Na een uur zijn we weer bij het parkeerterrein. Daar kom ik tot de ontdekking dat ik niet alleen de deur van de camper niet op slot heb gedaan, maar ook nog eens wagenwijd open heb laten staan. Gelukkig zijn er weinig toeristen en er is niets ontvreemd. We wandelen naar een andere boog, Landscape Arch, die 100 meter lang is en 90 meter hoog. Ik zou graag nog meer van dit park willen zien, maar het weer zit niet mee. We zullen hier samen later nog eens naar terugkomen. We besluiten gezamenlijk een flink stuk naar het zuiden te rijden in de hoop dat het daar warmer is. 

Op weg naar onze overnachtingstek zie ik ineens een 'grote vogel', slechts twintig meter van de weg af op de grond zitten. PJ en ik hebben geen verstand van vogels en noemen alle roofvogels ‘grote vogel’. PJ remt af en komt tot stilstand. Darwin stopt naast ons en vraagt verbaasd waarom we stoppen.
"Ik zag een golden eagle”, zeg ik plompverloren en gok daarmee maar wat. We stappen uit en Darwin speurt met zijn verrekijker langs de weg en ziet de roofvogel opvliegen.
"Inderdaad, het is een golden eagle", en hij geeft mij een high five.
We brengen hen naar onze favoriete overnachtingsplek in Gooseneck State Park, een plek waar zij nog niet eerder geweest waren. We drinken wijn en eten pretzels (zoute stengels) en genieten met jas, muts en handschoenen aan van de zonsondergang. 

Omdat we weten dat Darwin en Lynette vroege vogels zijn, zorgen we dat we om acht uur reisvaardig zijn. We rijden door een rode prairiewoestijn naar Monument Valley Navajo Tribal Park. Deze enorme zandstenen rotsbulten zijn onsterfelijk gemaakt door de films How the West was won, Easy Rider, Back to the Future, Marlboro-sigarettenreclames en vele autoreclames. De Navajo Indianen zijn eigenaar van het 2000 vierkante kilometer grote park. Hierdoor kunnen wij niet op onze Eagle pas naar binnen. Darwin merkt dat wij weifelen, omdat we geen zin hebben om de entreeprijs te betalen.
“Wij nodigen jullie uit om met ons mee te gaan”, zegt hij gul. Er loopt een 27 kilometer onverharde doodlopende weg door de woestijn en het is ten strengste verboden zelfstandig door het park te wandelen of van de weg af te gaan. Dit mag alleen maar met de Indianengidsen. Wij houden het bij een ritje met de Volkswagen.
Het bijzondere van dit park is dat de vlakke woestijn wordt onverwachts doorbroken door 300 meter hoge bulten, die door de Indianen mesas en buttes genoemd worden en als heilig worden beschouwd. Dit zijn de laatste geërodeerde overblijfselen van de zandsteen lagen die 270 miljoen jaar geleden het hele gebied bedekte. We bewonderen de bulten in de vorm van een totempaal, linker- en rechter ovenwanten, de drie zusters en het panoramische uitzicht bij Artist’s Point. Door de vele keren dat wij dit op televisie en in de film gezien hebben, komt het gebied ons in eerste instantie vertrouwd voor, maar in werkelijkheid zijn de mesas onverwacht hoog. Wel moet gezegd worden dat dit prachtige landschap ook vanaf de weg goed te zien is. De Indianen verkopen hier souvenirs, zoals handgemaakte sierraden met turkooizen edelstenen en zelf geweven kleden en dekens. 

Arizona

We rijden Arizona in en vervolgen onze weg naar het zuiden. Canyon de Chelly National Park (spreek je uit als canyon d'sje) is ons volgende doel. Dit ravijn herbergt ruïnes van oude Indianenwoningen die verborgen zitten in de grote spleten. Soms op de meest onmogelijke plaatsen. Het bijzondere van deze canyon is dat er nu nog steeds Indianenfamilies leven. Hun maïs staat driehonderd meter lager op de bodem te groeien en hun vee loopt er te grazen. Een Navajo Indiaan verkoopt handnijverheid. "Heb je de ruïnes kunnen vinden?" vraagt hij vriendelijk, "ik woon daar beneden met mijn gezin; je staat nu eigenlijk in mijn achtertuin". We kopen een stuk versteend hout bij hem. Darwin maakt ons attent op huilende coyotes, ergens diep in het ravijn.
"Ik hoor ook een raaf", zeg ik. Darwin begint te glunderen.
"Claudia, jij hebt een talent waar je nog geen weet van hebt. Ga dit weekend met mij mee. Als Lynette op bezoek gaat bij haar moeder ga ik met wat vrienden serieus birdwatchen in Zuid Arizona. Je zult ontdekken hoe leuk het is".
"Darwin, het enige waar ik om half zes mijn bed voor uit kom, is een grizzlybeer!". 

Ondertussen is het heerlijk warm geworden en we rijden naar de camping aan het begin van het park (zie tips). Het is weer borreltijd, maar omdat we in een Indianenreservaat zitten, moet de wijn uit koffiemokken gedronken worden. Ik maak een Mexicaanse maaltijd voor ons vieren.
De volgende dag nemen we afscheid van Lynette en Darwin. Zij hebben nog steeds haast en wij moeten nodig naar een wasserette, de bieb en een camping met douche vinden. Bij het afscheid ontvangen we een exemplaar van zijn boek Continental Drifting,  waarin hij over hun reizen verteld. Darwin heeft voorin geschreven: "For Claudia and PJ!
Two of my favorite drifters!".

Toen we hen vorig jaar opzochten heeft hij ons zijn manuscript laten zien. Nadat we vertrokken zijn heeft hij er nog iets aan toegevoegd. In de appendix staat: ‘Op een dag in juni, stonden ineens onze Hollandse vrienden, Claudia en PJ, voor onze deur in Jackson Hole. Hun grote oude Mercedes camper stond op ons garagepad. We zullen hen in Alaska weer opzoeken’.
Dat laatste is helaas nog niet gelukt, maar wie weet wat de toekomst zal brengen. 

We rijden naar Holbrook en nadat we onze kleren in een wasserette gewassen hebben lezen we om vier uur 's middags in de bieb een bericht van reiziger Doug, de Engelsman die we in Alaska ontmoet hebben. Hij is vanaf Florida naar California aan het rijden in zijn huurauto en beantwoordt mijn dringende vraag "Waar kunnen we elkaar ontmoeten???" met "Ik zit nu in een motel in Prescott" en geeft het telefoonnummer van het motel door. Prescott ligt vier uur rijden van Holbrook vandaan, maar we kunnen de verleiding niet weerstaan hem te verrassen. We vliegen over de snelweg naar het westen en kloppen om negen uur 's avonds op zijn moteldeur.
"Surprise!".
Doug is aangenaam verrast. We moeten vijf maanden bijpraten, dus het wordt erg laat. 

We hebben illegaal op het parkeerterrein van Doug's motel overnacht. Na een heerlijke douche vertrekken we gezamenlijk naar Sedona. Sedona heeft grote aantrekkingskracht op New Age mensen. Zeven spirituele draaikolken (elektromagnetische energievelden) schijnen hier vanaf de aarde de ruimte in te stralen, of andersom, dat ben ik vergeten. Hierdoor ontstaan er wonderbaarlijke krachten en bezielen degene die ze kan voelen.
We beklimmen de enorme boulders (keien) in het Red Rock State Park en genieten op de top van de zon en het uitzicht. We praten over buitenaardse wezens, graancirkels en UFO's, want Doug is net naar Roswell geweest, maar we merken niets van de zogenaamde spirituele draaikolken. Als we verderop twee mensen bij een afgrond allerlei oefeningen zien doen, die niets met rek- en strekoefeningen te maken hebben, krijgen we alledrie de slappe lach. Doug checkt in bij het motel en ik vraag aan de receptionist of we op het parkeerterrein mogen overnachten. Dat is goed. We drinken een borrel op het balkon van Doug's kamer en 's avonds trakteert Doug ons op een etentje in het Rainbows End restaurant. 

In een regenachtig Sedona nemen we afscheid van Doug. Hij heeft hier zichtbaar moeite mee; zo alleen reizen gaat je niet in je koude kleren zitten. We hebben al vaker opgemerkt dat alleen reizende reizigers onderweg hun verhaal aan niemand kwijt kunnen. Doug is erg eenzaam en begint een beetje door te draaien. Hij heeft vorig jaar anderhalve maand in de spookstad Hyder doorgebracht, waar wij vijftien dagen geweest zijn. Nu is hij van plan een appartement te huren en er vijf maanden door te brengen. Zodra de eerste zalm de rivier opzwemt wil hij er zijn. Wij zijn van plan pas twee en halve maand later in Fish Creek aan te komen. Ik ben benieuwd in wat voor staat we Doug daar aantreffen...  

We rijden een mooie bergroute door het Tonto National Forest, maar als het begint te sneeuwen is de lol er snel af. We overnachten langs de kant van de weg naast een woeste modderrivier. De volgende morgen komt het zonnetje een beetje door, de regen is gestopt en de woeste rivier is weer een rustig beekje. We rijden de lager gelegen bergen in, een woestijnachtig gebied. Hier heeft het blijkbaar ook geregend, want de woestijn staat in bloei. Chollo cactussen hebben kleine gele vruchtachtige bloemen, velden met paarse wilde lupinen schieten uit de grond en de bergruggen zijn bedekt met golden poppys; oranje bloemetjes. 

We gaan van de asfaltweg af en rijden dertig kilometer onverharde weg naar het zuidoosten van Arizona waar de Hot Wells Dunes (zie tips) zich bevinden. In 1924 werd er hier naar olie geboord maar in plaats van olie stuitten ze op een hete minerale bron. Vanuit 600 meter diepte komt 1000 liter water per minuut naar boven. Er zijn twee grote stenen badkuipen gebouwd, waar ongeveer acht personen tegelijk in kunnen. Wij laten ons in het kristalheldere water van 42 graden zakken en kletsen met een oude man uit Michigan. Hij is de sneeuw uit zijn staat ontvlucht. De zon gaat met veel kleurenpracht onder en aan de andere kant komt de volle maan met veel licht boven. Als het donker wordt, horen we dichtbij coyotes huilen.

Ik loop 's morgens naar een van de baden. Er zit al een man in.
"Er bezwaar tegen als ik erbij kom?" vraag ik.
"Nee hoor, als jij geen bezwaar tegen mijn naaktheid hebt", antwoordt de man.
Slik. "Welnee", zeg ik dapper en in mijn badpak stap ik het bad in. Ik ben een beetje verbaasd dat die preutse Amerikanen hier ineens uit de kleren gaan, ondanks het bord dat naakt badderen verboden is. Het is hier in de woestijn ondertussen 20 graden geworden en we genieten een paar dagen van de zon en de baden.  

In het weekend wordt deze plek druk bezocht en dat merken we in de loop van de vrijdagmiddag. In de zandduinen rond de bron mag off the road gereden worden en langzamerhand loopt de stek vol met aanhangwagens met daarop quads (gemotoriseerde vierwielers) waarop ze door de duinen gaan scheuren. 

‘s Morgens hangen bij het ene bad een aantal herenonderbroeken in de bomen. De bijbehorende jongens zijn nergens te zien. Bij de toiletten heeft iemand naast de pot gekotst. Het andere bad is troebel van de modder. Na een nachtelijk moddergevecht hebben ze zich doodleuk afgespoeld in het bad, maar modder zakt naar de bodem en wordt niet meteen afgevoerd via de overloop.
Het weekend is begonnen en wij vinden het de hoogste tijd om te vertrekken. Een opgevoerd golfkarretje schiet voor ons de struiken in en we worden ingehaald door het onderstel van een Volkswagen Kever.
De temperatuur is ineens naar 10 graden gezakt. We rijden door het Coronado Forest. Een adelaar vliegt voor ons op met in zijn klauwen een konijntje. Twee raven volgen hem in zijn kielzog in de hoop zijn buit af te kunnen pikken. We kunnen geen geschikte overnachtingsplek vinden en slapen vlakbij de grote plaats Tucson bij een benzinepomp. 

Tucson kennen we door de verplichte stop vorig jaar op ons duimpje. We gaan we naar een grote campingwinkel. Nu we een Amerikaanse camper hebben, kunnen we heel gemakkelijk aan ontbrekende onderdelen komen. PJ informeert wat het kost om extra veren onder de truck te laten monteren, want de camper is topzwaar en we schudden nogal. Naast het feit dat het een dure aangelegenheid is, zijn ze de komende twee weken volgeboekt. Dit is het hoogseizoen van de snowbirds; de gepensioneerden die vanuit koudere staten hier de winter komen doorbrengen, een soort Zuid-Spanje voor de Nederlanders.  

De zon schijnt, het weekend is voorbij dus rijden we terug naar de Hot Wells Dunes. De toiletten zijn schoongemaakt en de modder in een van baden wordt langzaam afgevoerd.
PJ legt een nieuwe vloer in de camper; een laminaatvloer in plaats het beige zeil. Het resultaat mag er zijn. Ik heb bij mijn nicht Jayne al de muren vrolijk geel geschilderd en heb ik de bank en de tuttige lampjes bij het bed gestoffeerd met giraffenprint. Over het bed ligt een velours sprei in dierenprint. Verder heeft PJ een leuk houten tafeltje gemaakt, in plaats van de witte tafel met gouden randje. Aan de muren hangen we onze eigen uitvergrote foto’s van beren. Ik schilder de blauwe banden op de buitenkant van de camper rood.
Ik merk wel dat anderen er vreemd tegenaan kijken dat we zoveel veranderingen aan de camper aanbrengen. Toen ik tegen Lynette zei dat we die blauwe banden rood zouden gaan schilderen reageerde ze met:"Ah, you're picky" (kieskeurig). Toen ik Doug alvast de nieuwe laminaatplanken liet zien, zei hij: “Why bother" (waarom zou je je daarom bekommeren).
Lynette en Darwin hebben nooit iets veranderd aan hun Volkswagenbusjes en Doug woont al dertien maanden in motelkamers, maar ik vind het wel erg belangrijk dat ik me 'thuis' voel in de camper. We gaan er tenslotte een jaar in wonen. PJ brengt ook meer functionele aanpassingen aan zoals zonnecellen op het dak, aansluitingen voor de oplaadbare zaklamp en een dakventilator, allemaal uit de Mercedes gesloopt.

We blijven hier de hele week staan. Het zijn heerlijk warme dagen van rond de 23 graden. We hoeven ons niet meer te schamen als we in korte broek rondlopen, want onze benen zijn al lekker gekleurd. Ik bak brownies (chocolade cake) in de oven. De oven moet hiervoor drie kwartier aanstaan, dus ik weet niet of het echt rendabel is, maar het ruikt wel heerlijk huiselijk in de camper. 

De baden worden afwisselend door naakte mensen en mensen in badkleding bezocht. PJ vindt het maar een genante bedoeling, want hij zit echt niet voor zijn plezier naast die ongeklede oude dames. Ik zit op een gegeven moment met twee snowbirds in badkleding in het bad, even later komt er een meid van een jaar of twintig in haar blootje bij zitten. Een lokale Koos Koets met staartje houdt zijn broek aan, maar zijn 17-jarige vriendin niet. Een rare mix en PJ loopt deze schone dames net mis! 

"Jullie zijn vannacht zeker wel geschrokken?", begint een man tegen ons.
Wij kijken hem schaapachtig aan.
"Heb je het niet gehoord dan?".
"Waar heeft u het over?".
"Om half een vannacht reed een dronken kerel rondjes om jullie camper. Op een gegeven moment gooide hij zijn deur open en viel buiten westen op het zand. Z'n 'vrienden' vonden het na tien minuten wel welletjes en gooiden hem met kleren en al in het bad. En jullie hebben niets gehoord?", zegt de man ongelovig.
"Nee, helemaal niets".
We waren gisterenavond al om half elf naar bed gegaan en sliepen dus als een blok. Hot Wells Dunes  is een aparte plek, maar het trekt wel raar volk aan. 

Tijdens een gesprek in het bad horen we op vrijdagmorgen van snowbird Tim uit Minnesota dat hier niet ver vandaan ook een gratis camping is. Hij heeft er een week gestaan en geen kip gezien, er is geen water, alleen een toilet en picknicktafels. We besluiten daarheen te vluchten voordat het weekend begint.
Happy Camp Canyon
ligt tussen grote ronde keien en het is er inderdaad rustig op twee hitsige stieren na. Deze beesten laten met een hoop lawaai horen dat ze op zoek zijn naar een koe. Wij vinden dit een beetje eng, want ze staan aan onze kant van het wildrooster! We blijven dus maar dicht bij onze camper. We zijn er nog geen uur als er een pick-up truck het terrein op komt rijden. Twee mannen in spijkerbroek, geruite hemden en cowboyhoeden komen tevoorschijn. De eerste heeft een jachtgeweer bij zich, die hij op een van de picknicktafels legt, daarna komen de hamburgers en de houtskool tevoorschijn. Na een barbecuemaaltijd vertrekken ze weer. We hebben geen woord gewisseld en we hadden daar ook geen behoefte aan. 

De volgende morgen komt er een Jeep onze kant op en een knul begint vanuit het raam te schieten op iets boven onze hoofden. We voelen ons hier niet meer veilig en besluiten weg te gaan.

18. Je hoofd koel houden met uitwerpselen op je poten.

maart 2001

We rijden over de snelweg New Mexico in en in de loop van de dag komen we in de grote plaats Deming aan. Hier kunnen we e-mailen en daarna gaan we op zoek naar een dokter. Ik heb namelijk al twee weken last van mijn rechterschouder en na vijf dagen begon het te tintelen vanuit mijn arm naar mijn pink en ringvinger. Vooral dat laatste baarde mij nogal zorgen.
In het ziekenhuis krijgen we van de receptioniste een adres van een huisarts die nog niet zolang in deze stad werkt en dus nog geen overvolle praktijk heeft. Na inschrijving en toezegging tot contante betaling hoeven we maar een kwartier te wachten voordat ik bij de dokter terecht kan. Nadat Doktor Williams mij onderzocht heeft constateert hij een beknelde zenuw tussen mijn zesde en zevende halswervel. Hij 'kraakt' me links- en rechtsom en schrijft me een kuur Prednison voor. Ik moet dan altijd gelijk aan kanker denken, maar het schijnt dat dit medicijn voor veel meer kwalen en ziektes gebruikt wordt. De dokter verwacht dat door het 'kraken' het euvel verholpen is en inderdaad na twee dagen is de pijn helemaal weg. En hoe ik er aan kwam? Geen idee; verkeerde onverwachte beweging, verkeerd geslapen, het kan vele oorzaken hebben. 

Texas

We volgen in de staat Texas de grens met Mexico die gevormd wordt door de rivier de Rio Grande. We kunnen alleen nog maar Spaanstalige radiostations ontvangen. Zo dicht langs de Mexicaanse grens wordt er ineens erg on-Amerikaans gereden. Op de tweebaansweg verwacht het inhalende verkeer dat we op de vluchtstrook gaan rijden. Nu kan PJ dit natuurlijk gewoon negeren, maar dan gaan ze wel erg dicht op zijn staart zitten (ook vrachtwagens) of ze halen gewoon in terwijl er een tegenligger aankomt! En dan moet je wel erg stalen zenuwen hebben wil je dan niet naar de vluchtstrook uitwijken.  

We komen terecht in een fuik van de grenspolitie. Een vrachtwagen met oplegger en twee lagen nieuwe auto's moet opzij. Een agent klimt vlot naar de tweede laag en begint in de auto's te kijken. Een andere agent neemt de onderste laag voor zijn rekening. De Greyhoundbus, die voor ons staat, wordt ook naar opzij gemaand. Een agent met een blaffende herdershond aan de lijn laat de hond de bagageruimte van de bus besnuffelen. Wij zitten dit tafereel uitgebreid te bekijken, maar na een blik op onze kentekenplaat worden we doorgewuifd. Jammer, nu weten we niet hoe het afloopt. Ik neem aan dat ze op zoek zijn naar illegale Mexicanen. 

We zien voor 't eerst een roadrunner, die vogel uit de gelijknamige tekenfilm, die zo hard kan weglopen (miep, miep) voor een coyote. Deze vogel is 30 centimeter lang, vliegt zelden en kan ook in werkelijkheid twintig kilometer per uur rennen. Op deze manier vangt hij hagedissen en zelfs kleine ratelslangen, die hij met een paar ferme tikken op hun kop dood. Het begint al lekker op te warmen en 's avonds is het heerlijk zwoel. 

We rijden Big Bend National Park in. Dit park dankt zijn naam aan de grote bocht (bend) die de Rio Grande maakt. De rivier vormt ook hier de grens met Mexico. Een gedeelte van de Mexicaanse Chihuahuan woestijn ligt in het park, de hoogste en natste woestijn van Noord-Amerika.
Dat dit de natste woestijn is geloven wij graag, want de prickly pear cactussen staan overal volop in bloei met gele bloemen en daartussen groeien veldbloemen in allerlei kleuren. De yuccaplant bloeit met witte trossen bloemen die fier de lucht in steken. De charme van dit park is de combinatie van tweeduizend meter hoge bergen, de woestijn en de het groene gebied langs de Rio Grande.
Het is ondertussen 33 graden geworden en we maken een wandeling naar een ravijn. Op de terugweg worden we aangesproken door Marc (36) en Monique (32) uit Eindhoven. Deze Brabanders hebben een green card (werkvergunning) weten te bemachtigen en willen zich in California gaan vestigen. Maar eerst reizen ze een half jaar door Amerika en Canada met een kampeerauto die ze in Florida gekocht hebben. Al kletsend komen we bij hun kampeerauto aan en Marc biedt ons een koud blikje fris aan. Bij een picknicktafel worden verhalen uitgewisseld en we rijden aan het eind van de middag achter hen aan naar hun kampeerstek.
Marc informeert wat er in die witte ton zit, die achter op de bumper van onze camper staat. Trots vertellen we dat die zuurkoolton onze 'wasmachine' is (zie tips). Maar dan merken we dat ze nog geen doorgewinterde reizigers zijn, want Monique vraagt: "Maar wat doe je dan met je witte was?"
"Meid, je gooit toch gewoon alle was bij elkaar!"
De hele avond zitten we gezellig te kletsen. Onze routes hebben zich vandaag gekruist, maar misschien zien we hen nog wel weer in het noorden. 

Vanuit ons bed zie ik een knalrood vogeltje, dat op de top van een groene tak zit te poseren tegen een helderblauwe ochtendlucht. Helaas, het fototoestel ligt in de truck, dat is wel lastig dat we vanuit de camper niet in de bestuurderscabine kunnen komen zonder eerst naar buiten te moeten gaan. We zeggen Marc en Monique gedag en we gaan de rest van het park bezichtigen.

In deze bergen leven 24 mountain lions genoemd en in de maand februari zijn ze wel twaalf keer gesignaleerd, best veel voor zo’n zeldzaam dier. Dit zandkleurige beest doet niet onder voor zijn Afrikaanse neef, alleen heeft het mannetje geen manen. Wel verwarrend dat hij wel vijftien benamingen heeft (o.a. cougar, panter en poema). Ook de zwarte beer is blijkbaar al uit zijn winterslaap en wordt regelmatig gezien, maar niet door ons. We maken nog twee wandeltochten, een warme bedoeling bij +30 graden, en ik fotografeer wel vijf verschillende soorten bloeiende cactussen en dat terwijl het bloeiseizoen pas volgende maand begint. De veldbloemen kleuren de bermen paars, geel, roze en wit. Het lijkt wel of de natuur er elke dag een kleur bij doet.  

Tot onze stomme verbazing is het de volgende morgen bewolkt en slechts 17 graden. We rijden weer in een fuik van de grenspolitie.
"Zijn jullie Amerikaanse staatsburgers?", vraagt de agent.
"Nee, Hollanders".
"Ga maar even aan de kant".
De agent bekijkt onze paspoorten en begint een gezellig praatje. Zijn blonde vrouwelijke collega komt erbij staan. "Zo, jullie komen uit Nederland", zegt ze, "daar kun je goed skiën hè?".
Prompt schieten wij in de lach.
"Skiën? Eén derde van Nederland ligt onder zeeniveau en Nederland ligt aan de zee!", antwoordt PJ. Dit vindt het domme blondje ook wel grappig. 

We overnachten bij een restarea langs de snelweg. Het is er erg druk en lawaaierig door vrachtwagens. Om half tien luisteren we naar de wereldomroep. Dit doen we in eerste plaats om te horen of er geen oproep voor ons is van de ANWB-alarmcentrale en ten tweede om een beetje op de hoogte te blijven van het nieuws.
"Ik kan u alvast melden dat er een oproep is van de ANWB-alarmcentrale" zegt de nieuwslezer voordat hij het hele nieuws gaat voorlezen. Dat is voor ons altijd weer even spannend en dan schiet er van alles door je hoofd. We hebben vandaag nog in de e-mail gekeken, nee, dat kan nooit voor ons zijn, stellen we onszelf gerust. Na het nieuws komt de oproep.
"De oproep is bestemd voor mevrouw en meneer Marc van der Voort uit Eindhoven, reizend in een kampeerauto uit Florida".
PJ zegt gelijk: "Dat zijn Marc en Monique!".
We weten dat Marc en Monique wel één keer per week naar Nederland bellen, maar met een sterfgeval ben je dan nooit op tijd. Zouden zij ook dagelijks naar de wereldomroep luisteren? We voelen ons erg onmachtig, het enige wat we kunnen doen is hen morgen een e-mail sturen.
Ik slaap die nacht erg onrustig. Het monotone gebrom van de vrachtwagens die 's nachts hun motor later lopen stoort me meer dan anders.  

Verder Texas in zien we onderweg een stuk of 30 turkey vultures (zwarte gieren met rode koppen) op een hek zitten. Als we stoppen vliegen ze met een imposante vleugelslag weg. Door zijn zwarte veren kan de gier het erg heet krijgen. Om af te koelen smeert hij zijn roze poten met uitwerpselen in. Dit koelt zijn huid vier keer sneller af dan lucht en dood tevens bacteriën. De gier staat tenslotte dagelijks op half vergane dieren. Daarom lijken de poten van gieren wit in plaats van roze.
Texas wordt voor mij een echte roofvogelstaat. We hebben in deze staat al zoveel roofvogels (arend, valk, adelaar, gier, caracara, havik) gezien. We overnachten op het parkeerterrein van een 24-uurs benzinepomp. De oproep van gisteren van de ANWB-alarmcentrale wordt niet herhaald, dus blijkbaar is er gisteren op gereageerd. Marc en Monique zijn misschien al op weg naar Nederland. Ook deze nacht storen de vrachtwagens ons.

Het is nog steeds bewolkt, maar de temperatuur stijgt langzaam. We doen wat boodschappen en stoppen bij Home Depot, een soort Gamma. PJ koopt heel fijn gaas, wat hij voor de radiator wil gaan spannen. Zo blijft hij altijd lekker bezig.
Als ik een Barns & Noble boekwinkel zie, wil ik daar toch even naar binnen. Ik loop direct naar de vogelboeken. Darwin heeft iets bij me losgemaakt. Ik heb me tijdens het reizen altijd in de natuur geïnteresseerd en vogels hoorden daar ook bij. Maar nu merk ik dat, als ik een vogel zie, ik wil weten hoe die vogel heet. Ik koop een dikke vogelgids. Ik zal toch geen vogelaar worden? Wij moeten altijd gniffelen om die bejaarden die met een verrekijker in een boom staan te turen. Maar vogels kijken is een hobby die je overal en altijd kunt doen, je hele leven. Misschien heeft Darwin gelijk en schuilt er diep in mij een birdwatcher.  

We toppen af met water, zorgen dat de afvaltanks leeg zijn en doen boodschappen, want we zijn van plan een week op het strand zonder voorzieningen te kamperen. Voor Corpus Christi ligt in de Golf van Mexico een keten van eilanden. Een daarvan is Padre eiland waarop het Padre Island National Seashore reservaat ligt. 90 kilometer hard strand waar met de auto (4x4) op gereden mag worden (20 km p/u) en overal mag er gekampeerd worden. Het is geen tweede Daytona Beach of Hot Wells, want er mag niet geracet worden. De eerste vijf kilometer is het strand zo goed begaanbaar dat het er vol staat met enorme kampeerauto's die 's avonds met generatoren hun televisies en magnetrons gaande houden. 

Als ik op een badlaken lig te zonnen, merk ik dat er iets voor de zon komt. Als ik mijn ogen open tel ik 42 grijze pelikanen die slechts tien meter boven mij komen overvliegen. We hebben er hier al honderden gezien, maar het blijft fascinerend om die majestueuze vogels te zien vliegen.
Rondom het badlaken zie ik de holletjes van de kangeroorat. Dit knaagdiertje heeft zich goed aangepast aan de droge omgeving, want hij hoeft nooit te drinken. Hij haalt zijn vocht uit zijn voedsel en kan ook vocht uit de lucht halen tijdens het ademen.
We raken gewend aan het lawaai dat de duizenden zeemeeuwen maken. Steek je een arm in de lucht, denken ze dat ze gevoerd worden en komen met honderden aanvliegen. Een paar keer voeren we hen brood en dat levert mooie foto's en video op.
Na een paar prachtige zonnige dagen vertrekken we weer van het eiland. In vier dagen zijn we helemaal door onze 130 liter watervoorraad heen. Dat is best snel, want we hebben niet gedoucht, alleen een beetje gepoedeld. Bij het eerste het beste waterkraantje toppen we af met water. Als we al het water verbruikt hebben, is het natuurlijk logisch dat de afvaltank dan vol is. Maar ik ben eigenwijs en ik wil gelijk onder de douche en mijn haren wassen. Nadat ik voor de tweede keer mijn haar inzeep, merk ik dat mijn voeten nog in het water staan. Onnodig te zeggen dat we de douche nooit de hele tijd laten stromen, zoals je dat thuis gewend bent?
"PJ! Het water stroomt niet meer weg!".
"Dan is de afvaltank vol", merkt PJ nuchter op.
"Wat nu?".
"Ik zal wel heel voorzichtig naar de rioolstortplaats rijden".
Gelukkig is die stortplaats slechts 500 meter verderop. Terwijl PJ heel rustig die afstand overbrugt, zit ik poedelnaakt op de toiletdeksel, mijn haar in het schuim, te wachten totdat het water rond mijn enkels zakt. Nadat ook PJ zich gedoucht heeft, we opnieuw afgetopt hebben met water, rijden we naar het noorden. Later denkt PJ dat iemand stiekem op het strand water afgetapt moet hebben, want we doen daarna nooit meer zo kort met de watervoorraad!

19. Bestaat The Hennie Houseman Show nog?

april 2001

We hebben overnacht langs een redelijk rustige weg op een picknickplaats. Terwijl we met een kop koffie trachten wakker te worden, landt er 30 meter verderop een crested caracara. Deze roofvogel komt in Amerika alleen in Texas voor. Hij is ongeveer 40 centimeter hoog, heeft een witte kop met een zwart dakje en graaft nu als een enorme kip met zijn gele klauwen in de grond. Als ik hem voorzichtig met het fototoestel besluip, vliegt hij er vandoor.
We laten bij een Camping World winkel luchtveren onder de auto installeren. Blijkbaar is Texas geen snowbird bestemming, want er is geen wachttijd en de prijs voor het installeren ligt aanzienlijk lager dan in Arizona. Hiervoor moet de camper van de truck af en dat valt niet echt mee. Als de truck op de brug staat, staat de camper op het parkeerterrein te balanceren op vier dunne pootjes. Ik moet nog maar zien of we dit voor ons plezier nog eens doen.
PJ pompt bij een tankstation lucht in de veren en dat rijdt meteen een stuk stabieler. We rijden over de snelweg de stad San Antonio in met een miljoen inwoners. Dat valt voor PJ niet mee, na al die gemakkelijk toegankelijke steden. Na veel gezweet zijn we in het centrum. We bezoeken de stad met veel oude gebouwen en een Mexicaanse markt. De San Antonio rivier slingert zich dwars door de stad en naast de rivier is de Riverwalk, een wandelpromenade, schaduwrijk door de grote bomen en tropisch aandoend door de vele enorme varens en waterplanten. Er kan in platte boten een tochtje over de rivier gemaakt worden, maar dat laten wij graag over aan de vele Duitse toeristen die hier zijn.
Natuurlijk bezoeken we wel The Alamo. Deze missiepost werd in 1718 gebouwd door Spaanse missionarissen met als doel de Indianen tot het Katholieke geloof te bekeren. Echt bekend werd deze missiepost tijdens de Texas War of Independence (1835-1836) toen een groep van bijna 200 rebelse Texanen probeerde onder het Mexicaanse bewind uit te komen. Dertien dagen hielden ze stand tegen Generaal Antonio López de Santa Anna. Ondanks dat The Alamo op 6 maart 1836 viel, is de dood van de verdedigers symbool geworden voor hun moed en opoffering voor de onafhankelijkheid van Texas. Pas negen jaar later mocht Texas zich voegen aan de Verenigde Staten.
50 kilometer ten noorden van de stad is het San Marco Factory winkelcentrum met meer dan 200 outlet shops, waar bekende modemerken voor 30 tot 70% goedkoper verkocht worden. We shoppen wat rond en ik koop twee truitjes van een voor mij onbekend merk. We overnachten op het heerlijk rustige parkeerterrein van het winkelcentrum. 

In de bibliotheek van San Marco leg ik als legitimatie mijn paspoort op de balie.
"Hè, kom je uit Nederland, bestaat de Hennie Houseman Show nog?", vraagt de baliemedewerker in het Engels. Deze opmerking schreeuwt om een verklaring en die krijgen we ook. Die knul z’n moeder is vanuit Nederland naar Amerika geëmigreerd en om oma in Holland te verrassen heeft Hennie Huisman het gezin twaalf jaar geleden in de Surpriseshow naar Nederland gehaald.
"Ja, Hennie Huisman is nog steeds op de televisie", laten we hem weten. 

We rijden door Hillcountry naar het westen. Het is de hele dag bewolkt maar toch rond de 20 graden. We zien weer veel gieren en andere roofvogels. Twee haviken zitten op de weg aan een aangereden konijntje te peuzelen. Als we stoppen vliegen ze op en gaan in de buurt op een hek zitten. Ik stel de fotocamera scherp op het konijn voor een spectaculaire foto. Daarna stellen PJ en ik ons verdekt op achter de camper. Na vijf minuten geeft PJ het met de filmcamera op. Ik houd het nog vijf minuten langer vol, maar de roofvogels hebben blijkbaar veel meer geduld dan wij. En dat konijn loopt toch niet meer weg!
De dieselprijs is voor ons de laagste die we meegemaakt hebben. Dat mag ook wel, want we rijden hier over de olie. Overal pompen de jaknikkers de olie uit de grond. Ter vergelijking: in Utah betalen we U$1,80 per gallon, hier in Texas maar U$1,25. 

Vandaag zijn we twaalf jaar getrouwd. Voordat we een plek voor de nacht gaan zoeken, gaan we eerst even naar de bieb. We willen het thuisfront vertellen dat ze op 7 oktober geen 12½ jarig huwelijksfeest hoeven te verwachten, want we hebben voor die dag een reisje geboekt naar Churchill om ijsberen te gaan bekijken. In de mail is er antwoord van Monique en Marc. De ANWB oproep was niet voor hen bestemd en ze reizen nog vrolijk verder. Allemaal loos alarm van onze kant. Waar we ons als reiziger allemaal druk om maken! In het midden van het dorpje vinden we een camping met water, elektriciteit en picknicktafels. We worden wel geacht geld te doneren, maar kunnen niet ontdekken waar. Het is rond de 30 graden. PJ maakt van kippengaas een bescherming voor de motorkap tegen opvliegend grind. Later ‘vangen’ we hier wel 100 vlinders in! In de ondergaande zon eten we steak van de barbecue, cole slaw en aardappels in de schil gebakken. Toe een banaan met een mini snickers erin, die even op de hete kolen gelegen heeft. Het is tenslotte niet elke dag feest.
Na zeventien dagen rijden we de staat Texas weer uit. Ik had niet verwacht dat ik deze staat zo leuk zou vinden! 

Ons doel vandaag is terug te keren naar Hot Well Dunes. Monique en Marc zijn op ons aanraden ook naar deze bronnen geweest en schelden in een e-mail op de slechte weg er naar toe. Ze hebben er twee en een half uur over gedaan. Mochten we af en toe twijfelen of we wel het juiste vervoermiddel hebben gekocht, op zo'n moment weten we zeker dat het de juiste beslissing is geweest: wij doen nog geen half uur over dezelfde weg! Waarschijnlijk hadden we er met onze oude bus ook zo lang over gedaan. Het is rustig op Hot Wells Dunes en we nemen een heerlijk heet bad.  

PJ is al een uur eerder op dan ik. Als ik eindelijk ons bed uit kom, ligt de verrekijker op tafel.
"Naar wie heb je zitten gluren?", vraag ik.
"Naar vogels".
Ik val bijna van de bank van verbazing. "Sinds wanneer vind jij vogels interessant?".
"Ik had niets beters te doen", antwoordt PJ. Ik vraag hem waar hij naar gekeken heeft, want ik heb hier niet veel vogels gezien.
"Okergele vogels, rode vogels, vogels met een groene rug, vogels met een rode kop, lichtgele vogels... ".
Ik tuur met hem mee en inderdaad, de vogels zijn blijkbaar aan het migreren naar het noorden, want ineens zit het hier vol met van die kleurige 'parkieten'. Ik zoek de namen van de vogels op in mijn nieuwe vogelgids. De zon schijnt, maar het is nog niet erg opgewarmd. We warmen ons dan maar op in het hete bad. We hebben nog maar net onze lunch achter onze kiezen, als de praatzieke buurman (natuurlijk een snowbird) langs komt. "Kan ik jullie een glas rode wijn aanbieden?".
"Nou nee, dank u".
"Houden jullie niet van rode wijn?".
"Jawel, maar niet op dit tijdstip!".
De buurman druipt weer af. Na een paar meter draait hij zich om. "Hoe laat is het nu in Nederland?", vraagt hij.
"Acht uur later".
"Om acht uur 's avonds kun je toch wel een glaasje wijn drinken?".
"Ja doei buurman", wuiven wij hem weg. Het is ondertussen 25 graden geworden en we luieren de hele middag in de zon. Als we 's avonds met onze roodverbrande huid in het bad stappen, houdt PJ het nog geen vijf seconden uit, ik nog geen vijf minuten. 

Het begint steeds drukker te worden op Hot Wells Dunes en dat zijn niet de mensen die voor de hete baden komen. Het wordt steeds lawaaieriger door de quads en crossmotoren en om drie uur 's middags zijn we helemaal ingebouwd door kampeerauto's, aanhangers, trucks en vierwielers. We zijn het zat en vertrekken. Het kost PJ nog moeite om er tussendoor te laveren en weg te komen.
Bij het begin van het park staat vrijwel niemand; we zijn eigenlijk gek dat we ons zo weg laten jagen en PJ parkeert de truck onder een oude boom. We staan nu wel ver van de bron, maar ook ver van alle herrie. 

Waarom wij, ondanks de ergernissen, voor de derde keer zijn teruggekomen naar deze plek? Allereerst hebben wij op de gratis overnachtingstekken bijna nooit water, en is het daarom heerlijk om ruim in het water te zitten. Er is altijd wel een wasje dat uitgespoeld moet worden, of de afwas of de camper die gesopt kan worden, en dan is het lekker dat we daarvoor niet ons drinkwater hoeven te gebruiken. Bovendien missen we door het reizen een lekkere lange hete douche en dan zijn de hete baden natuurlijk erg luxe. 't Is jammer dat hier de combinatie van off the road rijden met die hete bron zijn gecombineerd. 's Nachts koelt het af naar 2 graden en overdag wordt het dertig graden hoger. Het is te heet om in de zon te zitten, maar zodra we de neiging krijgen om te klagen, lopen we de camper in en kijken naar het prikbord. Daar heb ik een foto van de camper opgeprikt, bedolven onder 30 centimeter sneeuw…! De hele dag probeer ik het rode Kardinaalsvogeltje te fotograferen, echter zonder enig resultaat.  

We nemen een route door de bergen naar het noorden. De weg loopt constant vrij hoog op ongeveer 2500 meter en dat is wel wennen na een paar dagen in de laag gelegen woestijn. Er ligt zelfs nog sneeuw aan de kant van de weg. Het is vandaag Eerste Paasdag. Dat de Amerikanen graag hun tuin en huis versieren met de Kerst is wel bekend. Het begint zelfs in Nederland aardig normaal te worden om in december je huis met verlichte rendieren en Kerstmannen te versieren, maar hier in Amerika blijft het niet bij de kerstdagen. Rond Valentijn (14 februari) komen de harten tevoorschijn, rond Halloween (31 oktober) de uitgeholde pompoenen, vliegende heksen en ik zag zelfs een keer een tuin vol plastic grafstenen. En nu liggen met Pasen de tuinen vol met enorme pastelkleurige eieren en paashazen met strikken. Het gaat mij allemaal een beetje te ver. 

We rijden verder door het Apache National Forest en de sneeuw langs de kant van de weg wordt een steeds dikker pak. Later komt de zon komt door en warmt het op naar 22 graden.
Een wilde mannetjes kalkoen fladdert onhandig op van de weg en komt terecht op een vier meter hoger gelegen rotswand. Zijn blauwe kop en de rode keelzak komen mooi uit in de zon. Als hij wegloopt, begint hij als een pauw zijn veren op te zetten en is hij ineens twee keer zo dik, terwijl het al geen kleine vogel is (85 centimeter hoog). 

Vanuit Arizona rijden we New Mexico in. We zijn weer terug op de savanne, waar we El Morro National Monument gaan bezoeken. Op een belangrijke oost-west route, daterend uit de oudheid, rijst een grote zandstenen rots (El Morro) op uit de woestijn met aan zijn voet een waterpoel. Door de eeuwen heen stopten degenen die over deze route reisden hier om te overnachten in deze schaduwrijke oase onder de rotswand. Ze lieten bewijzen achter dat ze er geweest waren; symbolen, namen, data, fragmenten van hun verhaal krasten ze op de zachte rotswand. De Indianen begonnen hier al vele eeuwen geleden mee; een berenklauw, wat steenbokken, een jager. Rond eind 1200 bouwden de Zuni-Indianen boven op de rots hun stenen huizen. Halverwege 1500 kwamen de Spaanse conquistadores, die het geschreven woord achterlieten.
"Paso por aqui", “ik kwam hier langs op 11 maart 1583, Antonio de Espeje”.
In 1846 kwamen de Amerikaanse soldaten hun dorst lessen bij de waterpoel en vanaf dan worden de eerste Engelse woorden op de muur geschreven. Nu lopen wij langs de rotswand en bekijken deze eeuwenoude ‘graffiti’. Het is verboden op de muur te krassen. Gelukkig maar, want mijn cultuurbarbaar had dan vast "Seen it, done it, PJ" op de muur geschreven. Via een pad klimmen we naar de top van de 70 meter hoge rots. Naast het weidse uitzicht zijn hier ook de ruïnes van de stenen huizen van de Zuni Indianen.  

Op weg naar het noorden rijden we weer eens door een hedendaags Indianen reservaat. Onmiddellijk zijn de bermen bezaaid met bierflesje en -blikjes. Ik heb hier wel een theorietje over: in de reservaten mag vrijwel nooit alcohol gedronken worden, dus als zo'n Indiaan in zijn auto een biertje drinkt kan hij natuurlijk niet met het lege flesje(s) thuiskomen. Conclusie: gooi maar uit het raam! Lekker hypocriet!
Ik begin het steeds vervelender te vinden om door die reservaten te rijden. Overal staan borden dat van alles verboden is; fotograferen, kamperen en dergelijke. En alles is heilig voor die Indianen, komt er weer een rots uit de grond zetten; is het gelijk een heilige plaats, waar niets mag. En er komen hier nogal wat rotsen uit de zandgrond omhoog. We overnachten op een restarea met uitzicht op de 'heilige' Shiprock. Er staan borden "Maak er geen troep van", maar ze hebben vergeten afvalbakken neer te zetten. De grond schittert van het gebroken glas. Jammer! We worden gelukkig niet weggestuurd.

20. Pas op: het leeft, maar het bijt niet!

april 2001 Colorado

We rijden de staat Colorado in waar we het Mesa Verde National Park bezoeken. Ongeveer 900 jaar geleden bouwden de Anasazi Indianen hier dorpen in grotten. 100 meter van de bovenkant van het klif en 200 meter van de bodem van het ravijn. Zomaar ergens halverwege bouwden ze een dorpje, alsof ze vleugels hadden om er te komen. Ze waren waarschijnlijk bedoeld om iets of iemand buiten ‘de deur’ te houden. De Anasazi moesten ergens doodsbang voor geweest zijn en hebben misschien deze ‘forten’ gebouwd om zichzelf te beschermen. 600 van deze cliff dwellings zijn blootgelegd. Maar Mesa Verde bestaat niet alleen uit woningen van de Anasazi. Er zijn in totaal bijna 4000 sites gevonden, variërend van een paar scherven tot een zonnetempel en de eerste woningen van de “Manden-Makers-Indianen”, want Mesa Verde is van de 6de tot de 12de eeuw door verschillende stammen bewoond geweest. Archeologen hebben door Mesa Verde een belangrijk hoofdstuk in de prehistorische geschiedenis van Amerika bijeengebracht. Toch blijven nog vele vragen onbeantwoord. Waarom trokken de Anasazi na 100 jaar ineens weg? Was er droogte, oorlog of religieuze tegenstellingen? Waar werd de zonnetempel voor gebruikt? Was dit voor ceremoniën, astronomische metingen of werd de tempel als kalender gebruikt? Waarom bouwden ze hun huizen juist op die plaatsen? Ook hebben de Anasazi zichzelf nooit zo genoemd, dat is een term die de archeologen van de Navajo Indianen overgenomen hebben. Toen zij hen vroegen wie in deze rotswoningen gewoond hebben, antwoordden zij: “Het oude volk”,  Anasazi in het Navajo.
De stenen gebouwen zijn vrijwel nog in originele staat en het ziet er indrukwekkend uit. Sommige cliff dwellings mogen we alleen van bovenaf bekijken (Square Tower House), door anderen mogen we zelfstandig heen lopen (Spruce Tree House) en twee dorpjes kunnen alleen met een gids bezocht worden (Balcony House en Cliff Palace). Het Balcony House is vanwege een tekort aan gidsen zo vroeg in het seizoen helaas nog niet te bezichtigen. Wij hebben bij de ingang van het park kaartjes gekocht voor een gidstour om vijf uur voor Cliff Palace, maar we hebben aan het eind van de middag al zoveel gezien, dat we helemaal verzadigd zijn van Indianen ruïnes. Het lijkt wel of we tegenwoordig, net zoals de Amerikanen, een concentratievermogen van pakweg vijftien minuten hebben. We hebben geen zin meer in een tour van een uur. We kunnen het Cliff Palace van bovenaf schitterend zien liggen onder het overhellende rotsdak en het is echt een wonder dat dit toentertijd gebouwd is. We rijden het park weer uit. We kunnen begrijpen waarom de Spanjaarden dit gebied Mesa Verde noemden: de groene hoogvlakte. Ondanks het feit dat twee bosbranden in 2000 vele hectaren bos verwoestten, kunnen we ons ook nu nog goed voorstellen hoe dit land er honderden jaren geleden uit moet hebben gezien. Het voordeel van de branden is wel dat er nog veel meer sites zijn blootgelegd!
Vandaag schijnt de zon, de lucht is kobaltblauw, kortom het is weer een geslaagde dag geweest. 

Via de Lizard Head pas, op meer dan 3000 meter, rijden we naar het noorden, dieper Colorado in. Hier liggen nog meters sneeuw. We hebben het gevoel dat we door de Oostenrijkse Alpen rijden, maar als we vanuit de bergen Telluride inrijden, is dit alles behalve een skidorpje. Skiën kan hier wel, maar de houten huizen zijn in Victoriaanse stijl gebouwd en elk huis is in een andere kleur geschilderd. Paarse huizen met groene daken, roze huizen met gele kleuraccenten, veranda's in alle kleuren van de regenboog, het is een erg vrolijk geheel.
In de hoofdstraat wordt net een commercial voor een nieuw model Chevrolet 4x4 opgenomen. We staan een tijdje te kijken, maar het duurt uren voordat er weer een paar seconden is opgenomen. Zes maanden later zien we toevallig het resultaat van deze opnames in een hotel in Churchill.
We rijden op een doodlopende weg naar de 'Bruidssluier waterval', die in deze tijd van het jaar bevroren blijkt te zijn. Onderweg zien we een geelbuik marmot. Ik begrijp nu hoe correct de uitdrukking 'slapen als een marmot is', want deze marmotten houden een winterslaap van de vroege herfst tot maart en verdwijnen weer in juni om de heetste maanden van de zomer te 'verslapen'. Tjonge, jonge wat een leven! We rijden over een ongeasfalteerde weg en overnachten bij een waterreservoir (zie tips). 

In Utah volgen we de Coloradorivier naar het plaatsje Moab. We nemen een douche in de camper op het parkeerterrein van een visitorscenter en vullen de watertank weer op met water. Hier horen we de medewerker tegen iemand zeggen dat er in de omgeving van Moab niet vrij gekampeerd kan worden. Wij overnachten twee kilometer van Moab, natuurlijk in het 'wild'.
We gaan nog een keer Arches National Park in. Vorige keer was het zulk slecht weer en hebben toen eigenlijk met Darwin en Lynette  maar een klein stukje van het park bekeken. Ook vandaag zit het weer niet mee, maar als af en toe de zon doorkomt, zijn de wandelingen die we maken erg aangenaam. Overal staan borden waarmee verzocht wordt op de paden te blijven. De donkere korst die de zandgrond bedekt blijkt een levend organisme te zijn, bestaande uit schimmels, bacteriën en algen, die erosie voorkomen. Door er op te lopen verstoor je het evenwicht in de natuur. "Pas op, het leeft, maar het bijt niet", zeggen de waarschuwingsborden. Heel bijzonder!
De natuurlijke bogen zijn in werkelijkheid veel mooier dan op foto's. Als ik een van de bogen op een foto zie, denk ik vaak: "Tja". Zie ik het in het echt, maar van een afstand denk ik: "Hmm", maar zodra ik er dan ondersta zeg ik: "Wow". Ik probeer daarom zo vaak mogelijk mensen op de foto's te krijgen, waardoor je kunt zien hoe indrukwekkend groot de stenen boog is. Soms trekken de wolken even weg, komt de zon door en staan de bogen in een blauwe hemel. Andere momenten begint het te hagelen en hebben we prachtige vergezichten; het vreemde landschap met erboven donderwolken waaruit regen en hagel komt. Zo heeft elk natuurmoment zijn charme. 

Ook Canyonlands National Park hebben we vorige keer vanwege het weer overgeslagen. Dit park wordt niet zo druk bezocht en ik wist er toen ook niet zo veel van af. Het ligt tegenover Arches. Ik heb nu wat brochures verzameld en laat PJ foto's van Canyonlands zien.
"Ja erg mooi, maar die foto's zijn vanuit een vliegtuig genomen".
Het blijkt dat hij ongelijk heeft. Vanaf 'het eiland in de lucht' hebben we een prachtig uitzicht op de kronkels van de Colorado- en de Green River. Het lijkt wel een decor, de Grand Canyon heeft de naam, maar dit is bijna net zo mooi. We informeren hoe de conditie van de onverharde weg is, die achter langs Canyonlands door de San Rafael woestijn loopt. Deze weg van tweehonderd kilometer lijkt ons een leuke alternatieve route. De weg blijkt begin deze maand (letterlijk vertaald) 'geraspt' te zijn, dat wil zeggen dat een bulldozer de weg glad geschraapt heeft. We beginnen er nog dezelfde dag aan. Het is al zes uur dus na vijf kilometer stoppen we langs de kant van de weg om te overnachten.  

We rijden door de San Rafael woestijn. Soms is een zandduin over de weg heen geblazen, maar we hebben de 4x4 aandrijving nog niet nodig. De zon schijnt en in de verte zien we besneeuwde toppen. Een mooi contrast met de roze duinen. Als we een halve dag gereden hebben, waarbij we maar drie tegenliggers zijn tegengekomen, staat er een groot bord langs de weg. "Belangrijke informatie". We stoppen om dit te lezen: als we deze weg vervolgen komen we in Glen Canyon Recreation Area. Indien we hier willen overnachten, moeten we bij het rangerstation Hans Flat een toestemming kopen van €34,-. We staan net uitgebreid de topografische kaart te bekijken als we achter ons horen: "Need any help?".
Een vrolijke meid, gekleed in een groen rangeroutfit met twee dikke bruine vlechten onder haar rangerpet uit, komt op ons aflopen. Wij waanden ons in de middle of nowhere.
"Waar kom jij ineens vandaan?".
"Oh, ik woon op Hans Flat rangerstation en ik rijd hier wat rond en zag jullie staan".
We staan een hele tijd te kletsen met deze aardige meid en natuurlijk vragen we haar of het met ons voertuig mogelijk is de hele weg af te rijden.
“Eerlijk gezegd heb ik nog nooit een camper op deze trail gezien, alleen kleine vierwiel aangedreven voertuigen”, bekend ze. “Er zit een heel moeilijk stuk in van slechts tien kilometer, maar waarschijnlijk redden jullie het wel als je het niet erg vindt als de camper een beetje beschadigt.”.
"Uchm". Dit klinkt niet erg aanlokkelijk.
“Dat moeilijke stuk is een bergpas waar maar één auto tegelijk over heen kan, maar dan ga je toch gewoon even kijken en dan beslis je het daar”, stelt de ranger voor. “Vanaf dit bord tot aan de geasfalteerde weg is het nog vijf uur, dus dan hoeven jullie niet in het park te overnachten en dus niets te betalen”.
We gaan het proberen. De weg wordt steeds slechter en we moeten over rotsachtige bodem rijden, waardoor de camper erg gaat schudden. Na een half uur houden we het voor gezien. Dit stuk zou nog het gemakkelijke gedeelte moeten zijn, we zijn nog niet eens bij het 'kijkpunt'! De weg is zo smal dat keren hier heel moeilijk gaat, maar PJ heeft ook geen zin om het hele stuk achteruit terug te rijden. Hij draait de berm in en komt vast te zitten in het zachte zand van de San Rafael woestijn. Bovendien rijdt hij dwars door 'pas op, het leeft'. Gelukkig komt hij met de vierwielaandrijving toch los en na een stuk achteruit gereden te hebben, kan hij op een rotsplateau draaien.
We komen snel op een iets betere onverharde weg en kunnen nu de tocht via een andere route vervolgen. Drie pronghorn antilopen gaan er als razende vandoor als ze ons horen. Deze dieren kunnen ruim 100 kilometer per uur halen en zijn daarmee de snelste zoogdieren van Noord-Amerika. Bij de volgende bocht schiet een coyote de weg over en ook hij begint het op een lopen te zetten. Blijkbaar zijn de dieren hier niet echt aan auto’s gewend. Hij is zo groot en grijs dat ik zou zweren dat het een grijze wolf was, maar wolven rennen met hun staart recht achteruit en coyotes rennen met hun staart naar beneden. Door zulke details weten we precies wat we gezien hebben. Een coyote dus. We komen weer op de geasfalteerde weg. In totaal hebben toch nog zo’n 200 kilometer onverharde weg gereden.  

We hebben de smaak te pakken en rijden naar Lake Powell waar we de Burr Trail doorsteek willen maken. Deze is 100 kilometer. Ook deze weg is pittig met aardige vergezichten op gekleurde rotspartijen. Na anderhalf uur rijden hebben we 28 kilometer afgelegd en splitst de weg zich. Beide wegen lopen dwars door een rivier en we stappen uit om te kijken welke weg wij moeten hebben en hoe PJ de auto door de rivier moet krijgen.
"De wastonnen!", roept PJ uit.
Hij had beter kunnen roepen "Geen wastonnen", want we hebben allebei de tonnen verloren!
Dat is natuurlijk onwijs balen, want naast de kleding die er in zit, zijn die zuurkooltonnen in Amerika moeilijk te vervangen. We besluiten terug te rijden om ze te gaan zoeken. Na elf kilometer zien we de kleine ton langs de weg staan. De grote moet dus in de buurt zijn, want ze zaten met één spanband vast. We zoeken lopend de weg af, maar de grote ton is nergens te bekennen. We gaan nog verder terug en tot onze grote verbazing vinden we hem zes kilometer verderop! Hoe heeft die kleine ton het zo lang zonder spanband uitgehouden op die hobbelige weg, nadat die grote ton eraf was gevallen? Wij staan voor een raadsel, maar zijn blij dat we beide tonnen weer gevonden hebben.
We hebben even onze buik vol hebben van onverharde wegen. We rijden terug naar de geasfalteerde weg en besluiten naar mijn familie in Layton te rijden, waar de pick-up een grote beurt zal krijgen. 

Op zaterdag vertrekken we weer na toch nog tien dagen in Layton geweest te zijn. We rijden door naar Oost-Utah waar we overnachten op een restarea die Musket Hot Springs heet. Ik ga meteen op zoek naar die hete bron en kom verontwaardigd terug. "Ik kan die hot springs niet vinden hoor!".
PJ ligt in een deuk. "Er staat geen hot springs, maar Shot Springs!". 

We willen graag via de zuid-oost ingang het Yellowstone National Park inrijden, maar overal waar we informeren krijgen we te horen dat die ingang nog gesloten is. Ik besluit zelf maar naar het park te bellen en dan wordt mij verteld dat die ingang op 1 mei geopend is. Dat scheelt ons toch een flink stuk omrijden. Nog voor we het park inrijden, hebben we al pronghorn antilopen, een adelaar, herten, bizons, dikhoornschapen en een grizzlybeer gezien! Vooral die laatste maakt ons erg opgewonden. De beer eet eerst een tijdje gras naast de weg, loopt daarna naar de rivier om een paar baantjes te trekken en steekt dan kletsnat voor onze auto de weg over. Een show van een half uur zonder andere pottenkijkers. Ik ben verbaasd dat andere auto's gewoon doorrijden.
500 meter na de ingang zien we al een zwarte beer en even later weer een grizzlybeer, maar beide in de verte. De bizons hebben net gekalfd en de kleine roodbruine kalfjes rusten in de schaduw uit. De bizons grazen ook buiten de parkgrenzen, want het gras is daar (letterlijk) groener dan in het park.
Het grote Yellowstone meer is nog bevroren. Er ligt ook nog sneeuw en het park is weer indrukwekkend mooi. Voor het eerst van ons leven zien we een wolf. Hij doet zich te goed aan een bizonkarkas, die half in het water ligt. 

De volgende morgen zetten we er flink de sokken in en om zeven uur 's avonds gaan we de grens van Canada over. We worden drie keer ondervraagd, maar de auto wordt niet onderzocht en we krijgen een visum voor een half jaar.

lees verder

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA