Reisverslag USA, Canada & Alaska 2001

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA

21. In Nederland spreken we Duits en Vlaams met elkaar…

mei 2001

Via het Kootenay National Park rijden we naar Banff. Onderweg zien we dikhoornschapen, berggeiten, witstaart herten en een coyote. We hebben voor morgen om vijf uur afgesproken met Annemarie en Arjan. Annemarie (36) is mijn oud-collega. Haar man Arjan (36) hebben we pas één keer ontmoet, dus we weten niet of dat samen reizen wel klikt. Omdat we uitgerekend hebben dat zij waarschijnlijk vandaag al met hun gehuurde kampeerauto in Banff zullen aankomen, rijden we wat campings in de omgeving af. En jawel, onderweg zien we de twee blonde stekelkoppies van Annemarie en Arjan in een camper rijden. We rijden hen voor naar een wildstek waar wij vorig jaar ook al eens gestaan hebben. Midden in de natuur met uitzicht op een meer en besneeuwde bergen klinken we op onze hereniging. 

Als PJ en ik om zeven uur 's morgens slaperig achter een bak koffie zitten, komen Annemarie en Arjan zeer uitgeslapen terug van een wandeling. Door de jetlag waren zij al om vijf uur wakker en besloten om zes uur de omgeving lopend te gaan verkennen. Ze vertellen ons dat vanochtend een stuk of vier wapitiherten naast onze campers stonden te grazen. Ze kunnen ons zelfs meteen de bewijzen laten zien, want ze hebben er foto's van genomen met hun digitale fotocamera.
Na een kort bezoek aan de plaats Banff gaan we Banff National Park in. PJ heeft gisteren walkietalkies gekocht en zo kunnen we tijdens het rijden contact houden met hen. Wij gaan voorop.
"Links een paar herten".
"Rechts een kudde dikhoornschapen".
We zien zelfs een timberwolf (zwarte wolf). En zo 'gidsen' wij hen door het park. In de folders en reisgidsen wordt opgeschept over de prachtige kleuren van de verschillende meren. Wat ze er niet bij schrijven is dat deze meren in dit seizoen nog allemaal bevroren zijn en dus nog niet hun kleurenpracht tonen. 

We rijden door naar Jasper National Park. Inmiddels hebben we meer dan 300 kilometer gereden,  Annemarie en Arjan willen, net zoals wij, zoveel mogelijk wild zien. En dat zien we! Wij hebben in één dag nog nooit zoveel verschillende dieren gezien. Het is al donker als we eindelijk stoppen en we kamperen bij het begin van een wandelpad op ongeveer 1850 meter. Later horen we dat dit wandelpad ook wel het grizzlylaantje wordt genoemd, maar jammer genoeg is hier drie jaar geleden voor het laatst een grizzlybeer gesignaleerd.  

We rijden een aantal wegen rondom de plaats Jasper en we zien nog veel meer wild. Opvallend dat we hier begin mei veel meer wild zien dan vorig jaar in juni. 's Avonds rijden we naar een hete bron. We moeten nodig onder de douche, dus brengen we een bezoek aan de Miette Hot Springs. Het blijken twee zwembaden te zijn, met een temperatuur van 40 graden. Een oudere vrouw met haar op haar lippen komt op mij af zwemmen. "Ik hoorde jullie praten, waar komen jullie vandaan?".
"Uit Nederland", antwoord ik.
"En wat spreken jullie daar?".
"Nederlands".
"Maar jullie spreken onderling toch ook Duits in Nederland hé?".
"Nee hoor, we zijn een klein landje, maar we hebben onze eigen taal".
"Nou, ik ken veel Nederlanders die onderling Duits spreken".
"……..." geen commentaar.
"En jullie spreken ook Vlaams in Nederland hé?", houdt ‘de snor’ vol.
"Nee, Vlaams spreken ze in België", probeer ik nog.
"Vanochtend was hier een groep Nederlanders en die spraken Duits met elkaar", mokt de snor verder.
Het is nu negen uur 's avonds. "Zit u al de hele dag in dit bad?" vraag ik verbaasd en verander hiermee meteen van onderwerp.
"Ja, ik ben hier al drie dagen", antwoordt de snor, alsof dit de gewoonste zaak van de wereld is.
Met borden wordt er gewaarschuwd niet langer dan twintig minuten in het hete water te blijven, want dat is slecht voor je gestel. Geen wonder dat dit mensje zoveel onzin uitkraamt.
Annemarie zwemt met langzame slagen van ons weg. Arjan gaat het andere bad uitproberen.
"Hebben jullie ook bergen in Nederland?" begint de snor weer.
"Nee, Nederland ligt onder zeeniveau", roept PJ, die zich ook langzaam aan het verwijderen is.
"Maar jullie hebben toch de Alpen", protesteert de snor.
"Nee, de Alpen liggen in Zwitserland".
De snor kijkt mij aan met een blik die zegt "nou dat kan toch nooit ver weg zijn".
Ik ben het zat en volg de rest naar het andere bad, wat een paar graden heter blijkt te zijn. Na een half uur zijn we lekker schoon geweekt en bij de douches wassen we onze haren.

Als we terugrijden naar Jasper zien we enorme kuddes wapitiherten. Ik heb nog nooit zoveel dieren tegelijk gezien. De geweien van de mannetjes zijn al een flink stuk aangegroeid en zijn bedekt met een laagje ‘fluweel’. Pas om een uur of tien komen we aan bij een plekje in het bos, net buiten het dorp, waar we willen overnachten. We maken nog snel een kop noedelsoep, want het avondeten is er vandaag bij ingeschoten. Annemarie merkt als eerste de blauwe zwaailichten op. "Jongens, politie!".
We weten dat we hier illegaal staan, dus wachten we rustig af op wat er komen gaat en eten onze soep verder op.
"Goedenavond", begint de agent vriendelijk. De rest van zijn verhaal is duidelijk. We mogen hier niet kamperen en we worden vriendelijk verzocht ons naar de camping te begeven. Onze paspoorten worden ingenomen en gecheckt in de computer en nadat we ze terug hebben gekregen, rijdt de agent weer weg.
PJ en ik kamperen nu al een jaar in 't wild en zijn pas één keer eerder weggestuurd door de politie. Dat dit nu net moet gebeuren als we met Annemarie en Arjan reizen! Gelukkig nemen zij het laconiek op en om half elf ’s avonds rijden we, in het donker, het park uit en overnachten we op een truck stopplaats, want we hebben geen zin zo laat nog op een camping aan te komen.
Voor Annemarie en Arjan zal het niet bij deze keer blijven, een week later worden ze om twee uur ’s nachts uit hun bed gelicht door de politie als ze in Banff op datzelfde plekje staan, waar we toen met ons vieren stonden. Daar hebben PJ en ik ook al veel vaker, maar zonder problemen overnacht! 

We rijden naar Wells Gray Park, een park waar veel zwarte beren moeten zitten. Vorig jaar zijn wij hier in juni geweest, maar toen hebben we geen enkele beer gezien. Op weg naar de camping zien we nu wel gelijk een zwarte beer, die naast de weg aan het grazen is. Dat vier weken eerder zoveel uitmaakt! Het jonge gras naast de weg zit vol met proteïnen en dat hebben beren hard nodig als ze uit hun winterslaap komen. Het is voor Annemarie en Arjan hun eerste beer dus ze zijn dolenthousiast. Als we de beer een tijdje bestuderen vanuit de auto's, zie ik dat ze opgezwollen tepels heeft. Dat zou moeten betekenen dat ze jonkies heeft en we speuren met verrekijkers de bomen af. Helaas zien we de kleine beertjes niet. 's Avonds op de camping maakt Annemarie pilaf met rijst en we kletsen de hele avond bij een kampvuur. Het is wel duidelijk dat het lekker klikt tussen ons vieren.  

Als we het park uitrijden zien we weer een zwarte beer. Het is een kleinere beer dan gisteren. Vrij snel zien we er nog één en daar lopen twee jonkies achter! Zou dat de moeder van gisteren zijn? Ik vind het vreemd dat die twee volwassen beren elkaar tolereren, maar het blijkt dat mams die andere beer nog niet gezien heeft. Zodra ze hem in de gaten krijgt, stuurt ze haar kleintjes met een grom een boom in en gaat tot de aanval over. De kleinere beer kiest het hazenpad en vliegt ook een boom in. Moe klimt hem een klein stukje achterna en blijft daarna zenuwachtig heen en weer lopen. Tot mijn grote verbazing klimmen de twee jonkies tot in de top van de boom, die gevaarlijk heen en weer begint te zwiepen. Logisch dat we gisteren die jonkies niet konden vinden, ik wist niet dat ik zo hoog naar ze moest zoeken. Annemarie en ik klimmen op het dak van onze campers en hebben zo een mooi uitzicht op de beren, die we een dik uur bewonderen. Moeder graast tot vlak naast de campers en de kleintjes proberen verschillende bomen uit. We genieten met volle teugen. Daarna is het tijd om afscheid te nemen, want wij hebben voor vanavond met onze Engelse reisvriend Doug in Jasper afgesproken.  

Wij rijden terug naar Jasper, waar we om een uur of vijf aankomen. Vlak voor het stadje zien we een magere zwarte beer. We hopen hier veel beren te zien, dus het begint goed. Doug heeft nog niet ingecheckt in zijn hotel, hij komt vanuit Zuid-Alaska naar Jasper rijden, om de beren en ons te zien. We rijden alvast naar het doodlopende weggetje van elf kilometer. Doug heeft 'opgeschept' over de grote hoeveelheden zwarte beren die hier eind mei te zien zouden zijn. Op de heenweg zien we helaas geen beren, maar op de terugweg steekt een flinke zwarte beer de weg over. Aan de overkant begint hij te grazen en we bekijken hem een half uur. De imposante beer is net verdwenen als er een personenauto achter ons stopt. Het is Doug! Na de gebruikelijke omhelzingen, roept hij uit: "Wat is het hier droog!". Het blijkt dat het rond deze tijd van het jaar op deze plek veel groener had moeten zijn. Dat is de reden dat de beren het bos uitkomen om hier te grazen. Ik maak avondeten klaar, terwijl Doug nog wat heen en weer rijdt. PJ geeft hem een walkietalkie mee. Even later meldt Doug dat hij een zwarte berin gevonden heeft met wel drie jongen! Het is weer een schattig gezicht om de drieling in de bomen te zien klimmen. Moeder graast vlak langs de weg. Na drie kwartier verdwijnt ze achter een boom, en blijft daar. Dan zien we ineens dat ze haar kinderen aan het zogen is! Ze ligt er blijkbaar van te genieten, want ze legt haar kop op een omgevallen boomstam en sluit haar ogen. Af en toe zien we een snoetje van één van de drieling. Wat een vertederend tafereel! Als we nog een keer de doodlopende weg op en neer rijden, zien we een opnieuw een zwarte beer.
Na de ontmoeting met de politie vorige week, durven we niet meer wild te kamperen in dit park en dus slapen we op de camping. Best zonde van het geld, want we komen om elf uur 's avonds aan en zijn van plan om zes uur 's morgens weer te vertrekken. 

Om half zes staan we op en kwart voor zes rijden we al weer. Het gaat een stralende dag worden (20 graden). Pas om acht uur zien we de eerste beer. Het is weer die imposante grote zwarte. Hij heeft blijkbaar jeuk, want regelmatig gaat hij rechtop tegen een boom staan om zijn rug te krabben. Later meten we na hoe groot hij is. Twee meter hoog! Een flinke jongen dus. We zien hem die ochtend nog een paar keer. Om twaalf uur rijden we naar Jasper, waar we lunchen en e-mailen in de bieb. We zitten nog niet in ons vroege ritme en vallen 's middags in het zonnetje in slaap.
Na een borreltje op de hotelsuite van Doug en een hamburger bij McDonalds gaan we weer op weg. We zien een kaneelkleurige zwarte beer. Een professionele fotograaf met een meter lens aan zijn camera gaat uit de auto en post zich voor onze motorkap. Da's lekker, nu staat hij precies in mijn beeld. Ik wil geen ruzie maken, maar trek zijn aandacht en steek mijn camera in de lucht. Hij begrijpt de hint en verschuift een stukje. Nadat hij zijn plaatjes geschoten heeft, gaat hij weer weg op zoek naar andere beren. Wij blijven geduldig naar dit exemplaar kijken. Doug heeft zijn auto tien meter voor ons geparkeerd. Ineens krijgt de beer interesse in zijn auto, loopt er op af en gaat op zijn achterpoten staan. Met zijn neus besnuffelt hij rondom de ruiten. Als hij hiermee klaar is en onze kant op kijkt, kunnen we er donder op zeggen dat het nu onze beurt is. Met gesloten ramen wachten we af. Hij verdwijnt voor de motorkap en komt daarna niet meer tevoorschijn. Waar is hij? Ineens steekt hij zijn kop boven de motorkap uit. Ik slaak verschrikt een gil. Daarna wandelt hij naar PJ's kant en gaat weer op zijn achterpoten staan en komt met zijn kop voor het raam. Later meten we dit weer na en hij is staande 1.55 meter. PJ maakt waanzinnige video-opnamen en ik klik er op los met de fotocamera.
Wat een belevenis! De donkere kant van deze ervaring is, dat hij gevoerd moet zijn vanuit een auto, anders zou hij nooit zoveel interesse in onze auto’s hebben gehad. En dat is natuurlijk wel erg triest.
We rijden nog een paar keer de doodlopende weg en zien weer die grote zwarte. Dit keer knapt hij, tijdens het rugkrabben, kerstbomen dubbel als luciferhoutjes. Hij laat een flinke ravage achter.
We overnachten net buiten het park bij een truckstopplaats. We hebben die dag totaal driehonderd kilometer gereden, en bijna alleen de doodlopende weg van elf kilometer gezien! 

Ook de volgende morgen is het prachtig weer en zien we zes keer een beer. 's Middags douchen we in Doug's hotelkamer en ik maak pasta voor ons drieën. We nemen afscheid van Doug, die weer terug naar Hyder zal gaan. Hij heeft daar inderdaad een appartement gehuurd en zelfs al een paar grizzlyberen gezien in de vallei. Het hoogtepunt voor hem was het moment dat hij vanaf zijn balkon een beer zag lopen. Voor een berenliefhebber is dat toch wel het ultieme genot. Later mailt hij dat hij op de terugweg de zeldzame witte Kermode beer heeft gezien! Zijn reis kan niet meer stuk. 

De volgende dag zien we pas om kwart over vijf 's avonds de eerste beer van die dag. We zijn verwend geraakt! Een professionele fotograaf staat de bruingekleurde zwarte beer te fotograferen. Wij posten ons naast hem. Een ranger stopt. Dit is eigenlijk de eerste keer dat wij op deze weg een ranger zien. Hij stapt uit en pakt een pistool uit de auto en schiet een vuurwerkkogel af in de lucht! De beer schrikt zich rot en maakt dat hij weg komt. De fotograaf schudt meewarig zijn hoofd.
PJ en ik ontploffen.
"What's this all about?", vraag ik woest.
De ranger legt uit dat dit voor de beer zijn bestwil is. Als hij teveel langs de kant van de weg graast, wordt hij straks overreden door een auto.
"Welke auto? Er rijden hier nooit auto's!", briest PJ. Dat is de reden dat hier zoveel beren zitten, er komen hier heel weinig toeristen en de auto’s die hier rijden zijn van de fotografen en die rijden niet harder dan vijftien kilometer per uur. De ranger gooit het over een andere boeg: "Ik schoot niet met echte kogels hoor!".
Dat zou er nog eens bij moeten komen. "Nee, je jaagt hem alleen maar weg, zodat wij geen foto's kunnen maken" zeg ik boos.
"Oh, hij komt heus wel weer terug hoor", probeert hij nog.
Ik laat duidelijk blijken dat dit antwoord werkelijk belachelijk is en besluit hem de les te lezen. "Waarom denk je dat die beer hier langs de weg naar voedsel komt zoeken? Dat doet hij echt niet voor ons, zodat wij hem kunnen fotograferen, nee, dat doet hij omdat er hier voedsel groeit dat hij in het bos niet kan vinden. En jij jaagt hem nu weg van zijn voedselbron!" zeg ik in één adem.
De ranger haalt zijn schouders op. Hij denkt vast "stomme toerist, je begrijpt er niets van". PJ en ik stappen in onze pick-up en rijden boos weg. 

Een kwartier later zien we een bruingekleurde beer met een zwart en een bruin jong. Al gauw staan we omringd door vijf fotografen met lange lenzen. Onder hen is Bela Balika, een professionele Canadese fotograaf die we ook in Fish Creek hebben ontmoet. Bela heeft zijn zoon William (5) weer meegenomen, een erg aanhalig blond knuffelkind. Met engelengeduld kan hij zich uren in zijn vaders auto vermaken en soms bewondert hij samen met ons de beren. Zou hij beseffen wat een wonderlijke jeugd hij heeft?
We blijven nog drie dagen in Jasper, maar zien minder beren dan in die week met Doug. We leren een aantal professionele natuurfotografen kennen. Het lijkt  ons heerlijk om voor je beroep de hele dag in de natuur te zijn, maar de werkelijkheid is vaak minder rooskleurig. Overnachten doen ze in hun auto, want een camping of hotel is te duur. Hun vrouw en gezin zien hen soms hele weken niet. Op zoek naar dieren rijden ze constant heen en weer. Altijd de vraag of je niets mist, als je hier bent, wat zal er dan daar weer zijn. En dan het probleem dat die freelancers hun foto’s aan de straatstenen niet kwijt kunnen. Ondanks dat ze concurrenten van elkaar zijn, gaan ze leuk met elkaar om en er hangt een gezellig sfeertje.
Van fotograaf Bela krijgen we zijn berenkalender, met foto's genomen in Jasper, Fish Creek en Churchill en andere voor ons nog geheime plekjes (moet ik toch nog eens navragen). Nadat ik hem verteld heb dat Doug op de Cassiar Highway een Kermodei beer gezien heeft, kan hij niet wachten ook naar het noorden te rijden om zijn geluk te beproeven. Na 100 knuffels van William en een hand van Bela vertrekken zij. We zullen hen zeker weer terugzien in Fish Creek. Onder invloed van de fotografen durven we steeds dichter bij de beren te komen. We gaan uit de auto en naderen een beer soms tot tien meter. Niet altijd even verstandig, maar we voelen ons al hele pro’s. We leren van de fotografen wel dat je op zo’n moment ook verantwoordelijk bent voor eventuele andere omstanders. Ga jij uit de auto, dan denken mensen met minder berenervaring dat zij dat dus ook kunnen doen. Maar…het blijft een riskante hobby!  

In de bieb staan we tegen de bibliothecaresse op te scheppen over onze reis. De Nederlandse Ingrid (27) heeft dit gehoord en spreekt ons aan. Zij reist samen met haar man Wim (36) in hun zelfgebouwde Hollandse kampeerauto. Ze zijn van plan van Alaska naar Vuurland (het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika) te reizen. We kunnen hen veel tips geven en besluiten naar een rustiger plekje te rijden. Wim had onze auto al bekeken, maar ondanks de rode houten klompjes op de voorkant, het woord Holland op de voor- en achterkant en de NL sticker, had hij niet begrepen dat wij uit Nederland kwamen!! Hij was door de Utah kentekenplaten op het verkeerde been gezet. Na een gezellige middag wisselen we e-mailadressen uit. Wie weet komen we hen in Alaska nog eens tegen.   

22. Duizend kilometer naar het noorden over de MacKenzie Highway.

juni 2001

We staan bij kilometerpaaltje nul van de MacKenzie Highway. Deze route zal ons pakweg 1000 kilometer vrijwel recht naar het noorden voeren naar Yellowknife. Op de kaart sprak hij tot onze verbeelding, maar het blijkt jammer genoeg een erg saaie lange rechte asfaltweg te zijn.
Probeer het je eens voor te stellen dat je vanuit Nederland 1000 kilometer naar het zuiden rijdt tot in Zuid-Frankrijk. Maar in plaats van snelwegen, grote en kleine steden, een steeds veranderend landschap zie je dit: de hele route is vrijwel recht, met af en toe een flauwe bocht. De natuur verandert de hele route niet, geen heuvels of bergen, alleen maar bos, bos en bos. Naast de weg loopt aan beide kanten een grasstrook van een meter of vijftien. Daarachter een bos met sparren, dat zo dichtbegroeid is, dat we er niet verder doorheen kunnen kijken. Soms schemert er een watertje tussen de bomen, maar we kunnen geen wild ontdekken. Af en toe passeren we een dorpje (zestien om precies te zijn) met een inwoneraantal variërend van 10 (!) tot 10.000. Zie je het voor je? Met andere woorden: Canada is groot! Heel erg groot! Op de radio horen we dat een achttien jarige jongen ten westen van Yellowknife door een zwarte beer gedood is. Geen leuk bericht, maar ook dit is Canada. 

Na een halve dag rijden komen we in de provincie North West Territories. Alleen deze provincie is al zeventien keer groter dan Nederland en er lopen maar drie wegen doorheen, de MacKenzie, de Liardtrail en de Dempster, die we alle drie zullen rijden. NWT heeft 40.000 inwoners, waarvan bijna de helft in de provinciehoofdstad Yellowknife woont.
Het is nu nog 700 kilometer naar Yellowknife. De zon schijnt al de hele dag en het is rond de 27 graden. Zo warm hadden we het zo noordelijk eigenlijk niet verwacht. We rijden de zestigste breedtegraad over. In Europa zou dit ter hoogte van Bergen, Stockholm en Helsinki zijn. Om half vier 's middags komen we bij de gratis veerpont aan, die ons over de MacKenzierivier moet brengen. De veerpont opereert vanaf half mei tot oktober. In de overige maanden is de rivier bevroren en kan er over een ijsbrug(!) gereden worden. In het water drijven nog een flink aantal ijsschoten, de rivier is tenslotte net een paar weken open! Ik kom in gesprek met een bewoonster uit Yellowknife met een typisch Eskimogezicht. Ze woont daar nog niet zo heel lang, maar vindt het geweldig om in het noorden te wonen. "In de zomer hebben we 24 uur per dag licht", zegt ze genietend. "In het begin konden we niet slapen, maar we hebben de slaapkamerramen geblindeerd met isolatiefolie en nu gaat het prima".
"Maar hoe zijn hier de winters?" vraag ik.
"Heel lang en heel koud" bekent ze.
Zodra we de veerpont afrijden komen we in het MacKenzie Woodbizon Sanctuary, een gebied half zo groot als Nederland, waar ongeveer 2000 woudbizons vrij rondstruinen. Deze beesten zijn een stuk groter dan de plain bizons die we in Amerika gezien hebben. De eerste kudde ligt bij de aanlegsteiger van de veerpont. Natuurlijk zijn wij de enige die stoppen voor deze dieren, de rest van de veerpontgebruikers zijn lokalen. De mannetjes dieren hebben een robuuste kop, echte oerbeesten. De laatste 300 kilometer is een doodlopende weg naar Yellowknife. Vanaf hier begint de weg interessant te worden. Het bos is opener en we zien watervogels en bevercreaties in de diverse meertjes. 

Het volgende dier waar we voor stoppen is een zwarte beer. Deze beer heeft ongezonde belangstelling voor een leegstaande geparkeerde pick-up. PJ parkeert onze pick-up er ongeveer tien meter vandaan en we filmen en fotograferen de beer terwijl hij de auto besnuffelt. Als hij ineens belangstelling krijgt voor onze auto ga ik klaar zitten voor een paar unieke foto's. PJ denkt hier toch wat anders over.
"Ik geloof dat het tijd wordt deze beer af te schrikken, het is niet goed dat hij niet bang is voor auto's en mensen". PJ toetert en start de motor. Ik vermoed dat PJ dit doet, omdat zijn videotape op is en een nieuwe tape (onbereikbaar) in de camper ligt! De beer schrikt even, maar komt snel weer onze kant op. Dit is zeker niet gezond! PJ geeft een dot gas en rijdt hem voorbij. Even later keert hij de auto en we rijden weer terug. We bekijken de beer nu van een flinke veilige afstand. Een auto stopt naast ons en de bestuurder probeert in paniek onze aandacht te trekken.
"Beren zijn gevaarlijk, er is afgelopen weekend een knul gedood door een beer!" roept de man.
"Ja, dat weten we, we zullen geen rare dingen doen" antwoordt PJ.
We besluiten de beer bij de pick-up te laten voor wat het is. In de spiegels zien we dat hij tegen de truck op gaat staan. Later vraag ik PJ waarom hij de beer niet naar onze truck liet komen, net zoals die in Jasper. "Omdat deze beer een flink stuk groter is en hij zo een ruitje indrukt".
Misschien is die vent van mij nog niet zo onverstandig! 

We overnachten op een piepklein schiereilandje in het Caen Lake.
"Clau, jij hebt toch net met je verrekijker de rand van het meer afgezocht naar gevaarlijke dieren?".
"Nou, nee", beken ik. "Ik heb alleen wat watervogels in het meer geïdentificeerd. Hoezo?"
"Er loopt daar een kudde bizons!".
Door de constante zwerm muggen om hen heen worden deze dieren tot het uiterste getergd en kunnen zonder enige reden aanvallen. We zullen ze een beetje in de gaten moeten houden. 

We vervolgen onze weg. 100 kilometer voor Yellowknife houdt plotseling het asfalt op, raar als je al zo lang op asfalt gereden hebt. Hadden ze dat laatste eindje nou ook niet kunnen asfalteren?
Om drie uur 's middags rijden we Yellowknife in. Deze stad dankt zijn naam aan de goudmijnen waar koperen (gele) messen werden gebruikt om de dynamietkisten open te maken. De gewone stalen messen zouden wel eens vonken kunnen veroorzaken. De stad adopteerde deze naam, omdat goudmijnen één van de belangrijkste industrieën waren in dit gebied. Het is nu een stad met 18.000 inwoners, hoogbouw en verschillende winkelcentra, maar dat klinkt beter dan het in werkelijkheid is.  We brengen een bezoek aan de bieb en wat winkels. Voor het eerst moeten we parkeergeld betalen, een echte stad dus. Bij de benzinepomp kopen we een krant en krijgen we inzicht in het volledige verhaal van de jongen die door een beer is gedood: Vijf vrienden en twee vriendinnen hebben vrijdagavond langs de Ingraham Trail wild gekampeerd. Dit doen ze al een aantal jaren en hebben daar nog nooit een beer gezien. Zaterdagmorgen gaan vier jongens en een meisje terug naar Yellowknife met de enige auto om te douchen en wat boodschappen te doen. Kyle Harry en een veertien jarig meisje blijven achter. Ineens zien ze een zwarte beer hun kamp naderen. Ze grijpen snel wat rondslingerende spullen en voedsel en willen dit in de tent verstoppen. Als ze de tent weer uitkomen is de beer hen tot een paar meter genaderd. In paniek rennen ze weg. De beer grijpt Kyle. Het meisje kan wegkomen en gaat hulp halen. Als ze omkijkt ziet ze dat de beer aan Kyle’s benen aan het trekken is. "Ga hulp halen", roept hij nog. Als de hulp eindelijk arriveert, is de jongen al overleden aan zijn verwondingen. De omgeving wordt uitgekamd door de politie, brandweer en vrijwilligers. Maandag wordt er vanuit een helikopter een beer neergeschoten. Het blijkt de verkeerde te zijn!! Dinsdag wordt er weer een beer neergehaald, deze keer is het wel de killer bear

Natuurlijk is het vreselijk triest dat die knul door een beer gedood is, maar ik vind hun reactie op de beer onbegrijpelijk. Ten eerste staat de Ingraham Trail bekend om zijn beren en dat is ook de reden dat wij er naar toe willen. Ten tweede hadden ze geen beerafschrikkers bij zich (een wapen, pepperspray of rotjes), en dat terwijl de enige bescherming (de auto) naar Yellowknife was. Ten derde hadden ze geen schoon kamp, rondslingerend eten is niet erg slim, en dat terwijl deze feiten er vanaf jonge leeftijd ingehamerd worden. Ze wonen verdorie in bearcountry. Ten vierde ga je je niet in een tent verstoppen als er een beer aankomt en je begint zeker niet te rennen! Maar het blijft een triest verhaal. 

We rijden de 60 kilometer lange Ingraham Trail op, want hier hopen we gratis te kunnen overnachten. We zien een groot stekelvarken, een visarend, een vos, een bever en allerlei soorten eenden die alleen hier, heel noordelijk, voorkomen. De beren zijn vorig weekend door de helikopters dieper het bos ingejaagd en laten zich niet zien. We overnachten aan het einde van de weg, die abrupt ophoudt bij Lake Tibbet. In de winter gaat deze weg nog honderden kilometers door: zodra het ijs op de meren hard genoeg is, worden de sneeuwschuivers uit de schuur gehaald en een weg over de meren sneeuwvrij gemaakt. Het ijs kan dan nog verder uitharden en een paar weken later kunnen zelfs zware vrachtwagens over deze ijswegen rijden. IJsbruggen, ijswegen... dit spreekt wel heel erg tot mijn verbeelding!
Het lijkt wel of de zon er uren over doet om onder te gaan. En als ze om half twaalf achter de horizon verdwijnt, zweeft ze zo dicht onder de horizon dat het licht blijft. Het is raar nachts om half één 's  de vogels nog te horen fluiten. Ook horen we de typische roep van een visarend over het water schallen. En om half vier komt de zon alweer op. 

In Yellowknife gaan we nog een keer naar de bieb, doen we wat boodschappen en om een uur of drie vertrekken we uit deze stad. PJ rijdt met een flinke snelheid over de onverharde weg, want de weg is redelijk goed. Hele kleine felgekleurde vlaggetjes, die in de weg geprikt zijn, geven aan wanneer er een gat in de weg zit. Dan moet je wel direct op de rem trappen, anders ben je te laat. Helaas ziet PJ een vlaggetje over het hoofd en schiet keihard een pothole (gat) in. Gevolg: onze allereerste lekke band!
Nadat PJ in de brandende zon de band verwisseld heeft, rijden we terug naar Yellowknife, zodat we hem morgen kunnen laten plakken. We besluiten onderweg maar een nachtje op een camping aan een meer te gaan staan, want in de buurt van Yellowknife kunnen we nergens gratis staan. Ik maak een couscous maaltijd met een heerlijke groentesaus. Terwijl we buiten naar de wereldomroep luisteren, worden we door massa’s fanatieke muggen dwars door onze kleren heen gestoken. Na een douche stel ik voor om op het zandstrand bij het meer te gaan kaarten. Het is elf uur 's avonds en de zon kleurt het water met een roze gloed. Een watervliegtuig landt in een gordijn van water op het meer. Ook hier zijn we niet veilig voor de muggen, ze komen op onze vochtige haren af. Na één potje kaarten vluchten we de camper in. 

Ik kan ’s morgens geen plekje op mijn benen vinden waar geen jeukende bobbeltjes zitten. Ik neem nog maar een douche, maar dat verergert de jeuk alleen maar! Ik smeer mijn benen in met pure huishoudammoniak en dat geeft gelukkig wel even verlichting. We rijden naar een bandenboer en besluiten vier nieuwe banden te kopen. Om drie uur zijn ze klaar. Gauw even aftoppen met vers water bij de 'dumpstraat'. Daar staat een kampeerauto uit Georgia, de staat waar wij vorig jaar begonnen zijn. Die zijn ook een flink eind van huis! De snowbirds maken een praatje met ons. Tien jaar geleden hebben ze de Dempster Highway ook gereden (700 kilometer onverharde doodlopende weg!) en nu willen ze hem opnieuw doen. Deze weg staat ook op ons lijstje. Natuurlijk is het leuker om mensen van onze eigen leeftijd te ontmoeten, maar ik heb wel bewondering voor die oudjes die dit toch allemaal maar doen. Als zij op het punt staan te vertrekken, drukt ze mij een boek in handen. Ze heeft het zelf geschreven en uitgegeven en gaat over haar observaties van de natuur vanaf hun veranda en aanlegsteiger aan Lake Seminole, Georgia. Wat heb je toch een schattige mensen op deze wereld rondreizen. We rijden weer naar het Caen meertje om te overnachten. Een stuk of zes muggen hebben kans gezien zich in de camper te verschansen en nadat we genoten hebben van een spectaculaire zonsondergang gaan we om half één naar bed.

Om half vier slapen we nog niet. Steeds horen en voelen we een mug. Ik heb er al drie doodgeslagen, maar dan horen we toch weer een nieuwe. Ik kan het niet nalaten om af en toe naar buiten te kijken en zie de lucht van roze naar rood naar paars naar bleekwit veranderen. Tegen de tijd dat de lucht geel wordt en de zon weer opkomt vallen we in slaap. 

Om tien uur worden we wakker. Tijdens het aankleden sla ik drie vette muggen dood, die verse bloedspatten op mijn handen achterlaten. Zo, die hebben in ieder geval niet lang van ons bloed genoten! We gaan weer terug richting veerpont en zien woudbizons en twee zwarte beren. Eén daarvan observeren we maar een minuutje, want zijn voorpoot ontbreekt, dus dat beest heeft het al moeilijk genoeg. De andere ligt met haar kont naar ons toe in het gras te grazen. Als we stoppen draait ze zich om, maar gaat wel door met grazen. Na vijf minuten wordt ze toch nieuwsgierig en komt op de auto af. Ook deze beer blijft hangen voor de motorkap, waar we haar niet kunnen zien. Waarschijnlijk knabbelt ze aan de vlinders en insecten die in het kippengaas verstrikt zijn geraakt. Plotseling komt ze aan mijn kant tevoorschijn en kijkt me recht in mijn gezicht aan. De adrenaline giert door mijn lijf. Ik heb deze keer de videocamera. PJ heeft zijn hand bij de contactsleutel; hij kan elk moment de motor starten en wegrijden. Dit is gelukkig niet nodig. De beer loopt een rondje om de auto en gaat weer verder met grazen aan de kant van de weg. De muggen vliegen door het (nu) open raam naar binnen en als ik wat Autan opspuit, kijkt de beer verstoord op. Heeft ze een goed gehoor of een goede neus? Waarschijnlijk beide! Na een minuut of twintig rijden we door.

In de MacKenzierivier drijft nu geen ijs meer, dat gaat snel! Vlak na de veerpont gaan we van deze route af en zullen dan met een grote boog op de Alaska Highway uitkomen. Maar eerst moeten we nog 650 kilometer onverharde weg rijden, de Liard Trail. Om de 50 kilometer staan emergency cabins, een blokhut met een kachel, een flinke stapel hout en een brede stevige bank die tevens als bed dienst kan doen. PJ noemt het een variatie op de ANWB praatpaal.

Na 200 kilometer worden we bij een tankstation aangesproken door de vervroegd gepensioneerde Bryan en zijn vrouw Barb. Zij zijn ook op weg naar Alaska en Bryan biedt ons een ijsje aan. Zij gaan een paar minuten eerder weer op weg dan wij en we zien in elke bocht het stof dat hun auto opwaait nog even hangen. Als we bij een picknickplaats stoppen om te overnachten, staan zij daar ook. Ze zijn eerst van plan alleen hier te eten, maar blijven uiteindelijk toch ook maar slapen zodat we een paar uur gezellig met ze kunnen kletsen. Zij zijn eigenlijk niet van plan de Demspter te rijden, alhoewel maar wij alleen maar enthousiaste verhalen gehoord hebben. Barb begint te twijfelen. 

We slapen uit en zien dat onze buren inmiddels zijn vertrokken. Als we nog geen uur gereden hebben, stopt PJ bij een camping. Ik heb voorgesteld om in deze zeer afgelegen gebieden wat vaker op campings te gaan staan, zodat we wat meer reizigers ontmoeten. Hoe krijgt PJ het voor elkaar: er staat helemaal niemand op deze camping! Maar hij ligt zo vreselijk mooi aan de Liard rivier dat we toch maar besluiten te blijven. 

We moeten nog 300 kilometer onverharde weg. Als we bij een picknickplaats willen stoppen (zoveel zijn er niet op deze weg) ligt er net een kudde woudbizons uit te rusten. Ik houd mijn plasje maar wat langer op. We overnachten op een parkeerplaats met uitzicht op een mooie oude brug. Vanwege de muggen zitten we binnen, maar we worden toch gestoken. Dit keer worden we ernstig geplaagd door ‘ziezenietjes’. Ze zijn zo klein dat zo door de horren heen komen. 

Aan het eind van de Liard Trail ligt de geasfalteerde Alaska Highway, die we in westelijke richting volgen. Het is een mooie route door een wat rotsachtig gebied. Op en naast de weg staan steenbokken met lammetjes. Deze beesten hebben prachtige bruine ogen met opvallende gele spikkels erin.

Na anderhalve dag rijden, komen we aan bij Liard Hot Springs. Om bij de hete bronnen te komen, moeten we eerst tien minuten over houten vlonders lopen die dwars door een moeras loopt. We zien gelijk een eland die staat te grazen. In dit water zwemmen warmwater vissen. Na vijf minuten komen we in een dichtbegroeid bos. Door de warme temperatuur van de bron groeien hier exotische bloemen en planten die normaal zo noordelijk niet voorkomen. Er groeien hier wel veertien verschillende soorten orchideeën. De eerste bron (Alpha) borrelt gloeiend heet op uit de grond en stroomt verder als rivier. De oevers zijn begroeid met varens en er bloeien gele bloemen. We kunnen op verschillende plaatsen via trapjes de rivier inwandelen. Net na een watervalletje is het water lekker warm en hoe dichter we bij de bron komen hoe heter het wordt. Het water is glashelder, maar ruikt een beetje zwavelig. De tweede bron (Betha) is vijf minuten verder lopen door een met varens begroeid bos. Deze poel is groot en rond en in het midden drie meter diep. Ook hier zijn de oevers begroeid, de bodem is slijmerig, het water niet helder, maar ruikt nergens naar. Toch gaan we vaker naar deze bron, omdat het water niet zo heet is en de poel minder druk bezocht wordt. Bovendien kan PJ (met zijn watervrees) lekker onderuit op het trapje blijven zitten, terwijl ik rondjes zwem. Ik heb het gevoel in het paradijs beland te zijn, deze ‘oase’ komt absoluut op de lijst 'hoogtepunten van deze reis'. We betalen de camping gelijk maar voor twee nachten.
We hebben weer een tijdje in het tweede bad gelegen en lopen terug. Ik hoor ineens iets kraken en ritselen in de varens. "PJ, een beer!".
De beer is ongeveer veertig meter van ons weggerend, stopt, draait zich om en kijkt ons aan. Dit is de eerste keer dat wij een beer zien zonder de bescherming van de auto in de buurt.
"Clau, pak de pepperspray!".
PJ heeft de rugzak om en draait zijn rug naar mij toe. Als ik nu toch de peperspuitbus moet pakken, dan kan ik gelijk ook de video en het fototoestel grijpen, denk ik koelbloedig terwijl mijn hart in mijn keel te keer gaat. PJ filmt en ik neem een foto en dan gaat de beer ervandoor.
We waarschuwen een ranger die meteen over het plankier gaat patrouilleren en veel lawaai maakt.

Beren schijnen hier wel vaker gesignaleerd te worden. Vorige week zijn de bronnen een week afgesloten geweest, omdat er een agressieve grizzlybeer rondliep. Als ik aan de ranger vraag hoe dat vorige week afgelopen is, zegt hij nuchter: "Oh, ik heb hem doodgeschoten".
"Moest dat nou echt?", vraag ik.
"Ja, het was of een dode beer of een dode toerist!".

Hhm!
Waarschijnlijk nemen ze na het ongeluk van 1997, toen hier twee mensen gedood en twee gewond werden door een zwarte beer, geen risico's meer. Twee weken na ons bezoek wordt er toch weer een toerist gedood door een zwarte beer.
PJ heeft een pepperspray gekocht toen we Canada in kwamen. Sindsdien zijn die spuitbus en PJ onafscheidelijk. Dit schijnt een probaat middel te zijn tegen beren, maar ik hoop dat hij (of ik) dat niet hoeft uit te proberen.

23. We hebben de Dempster Highway gereden, en weer terug!

juni

We vervolgen onze weg over de Alaska Highway en komen uit in Watson Lake. In deze plaats komen vier wegen samen; twee daarvan hebben we al eerder gereden. Het voordeel van in een plaats komen waar we al geweest zijn, is dat je globaal weet wat er allemaal te vinden is. PJ wilde drie dagen geleden nog inkopen doen in Fort Nelson.
“Dat is niet nodig, ik weet dat er een goede supermarkt in Watson Lake is”. Ook de bieb is erg relaxed, je mag achter de computer blijven zitten zolang er geen andere wachtenden zijn.
We komen om drie uur aan in de bieb, maar we wisten niet dat hij op vrijdag al om half vier dicht gaat. De tweede teleurstelling is de supermarkt; het hele gebouw is afgebroken en die lekkere bakker is ook weg. We kopen dan maar fabrieksbrood, dat na twee dagen al beschimmeld is, en dure verse groenten bij de kruidenier. Vervolgens rijden we de Robert Campbell Highway 4 op. 600 kilometer onverharde weg. ‘Snelweg’ vinden wij een wel erg grote naam voor deze weg.
We zijn ondertussen weer terug in de provincie Yukon Territory. Na een uur stoppen we voor het avondeten. Daarna rijden we nog een stuk in de hoop wat dieren te zien, maar de beesten laten zich helaas niet zien. We overnachten langs de kant van de weg.

Ook de volgende dag rijden we door het bos zonder een dier te zien. Zo beginnen die wegen wel een beetje teleurstellend te worden. We bezoeken de enige twee dorpjes op de Campbell Highway, Ross River en Faro. Het eerste plaatsje ziet er zo troosteloos uit, dat we er snel weer uitrijden. Faro ziet er wat zonniger uit. Gebouwd om mijnwerkers huisvesting te bieden, die in de mijnen naar zilver, ijzer en zink zochten. Sinds 1998 zijn de mijnen gesloten en het dorpje loopt langzaam leeg. We gaan op zoek naar Fannin schapen (wilde schapen met mooie kromme horens), maar blijkbaar is dit niet het juiste seizoen, want we zien er niet één. 

De Campbell Highway komt uit in het plaatsje Carmacks. Vanaf hier moeten we naar het noorden gaan rijden, maar we rijden eerst 100 kilometer naar het zuiden. Waarom? Grizzlyberen natuurlijk!
In de wildlife viewing guide (zie tips) lees ik dat er in dit gebied ‘s zomers grizzlyberen langs de kant van de weg grazen. Vanaf tien uur 's avonds rijden we een stuk van 50 kilometer een paar keer heen en weer. En jawel, als we het voor de derde keer rijden, ziet PJ twee jonge grizzlyberen. Het is kwart voor elf en de zon piept nog net boven de bergen uit en schijnt precies in de greppel waar die twee rondstruinen. Het is waarschijnlijk de eerste zomer dat ze zonder hun moeder moeten doorkomen en dan komt het wel vaker voor dat een tweeling een paar jaar bij elkaar blijft. Dit is de eerste keer dat we zulke blonde beren zien, ook wel Yukon blonds genoemd.
We hebben €27,- aan diesel verstookt en 330 kilometer extra gereden. PJ vindt het een dure grap, ik vond het zeker wel de moeite waard. 

Aan het eind van de middag komen we aan bij het begin van de Dempster Highway 5. Deze doodlopende onverharde weg is ruim 700 kilometer lang en loopt pal naar het noorden door vijf verschillende natuurzones naar het plaatsje Inuvik. Dit is de droom van elke noordelijke reiziger en PJ hoopt dat het geen nachtmerrie wordt, want de Dempster staat bekend om zijn lekke banden. “Neem minstens twee reservebanden mee”, wordt ons geadviseerd. Wij hebben er maar één. Met de aanleg van deze weg is begonnen in 1959 en twintig jaar later was de gravelweg af. Hij begint 40 kilometer ten oosten van Dawson City. Het eerste stuk gaat door een boslandschap en na 70 kilometer overnachten we op een camping. 

Pas om half twaalf vertrekken we en zijn dan al vrij snel boven de boomgrens. De Tombstone bergen zien er zeer onherbergzaam uit. De rivieren zijn gedeeltelijk nog bedekt met een dikke laag sneeuw en ijs. We gaan over het hoogste punt van de weg, 1330 meter boven zeeniveau; omdat we zo noordelijk zitten, kunnen alleen toendraplantjes hier overleven. Van veraf lijkt de toendra op glooiend gras, maar dichterbij zien we dat het uit dikke droge plantjes bestaat. In tien vierkante centimeter tel ik maar liefst vijftien verschillende soorten plantjes. Dichterbij zien we ook dat de toendra niet egaal is, maar vol met kuilen en gaten zit en als ik eroverheen probeer te lopen, verzwik ik haast mijn enkels. Over deze toendra zwerft een kudde kariboes (grote broer van het rendier) van wel 700.000 dieren.

De weg volgt de rivier en de bergen toornen weer hoog boven ons uit. Nu zijn we ineens weer in een bosrijke omgeving. Leuk dat deze weg zo afwisselend is. In de kliffen naast de rivier nestelen valken en andere vogels. Na 250 kilometer begint de weg te klimmen en hebben we weer een zeer weids uitzicht over de toendra. Ik ontdek twee bruine stippen en vraag PJ te stoppen. Met de verrekijker zie ik het beter, de bruine vlekken bewegen en het zijn twee grote bruingekleurde zwarte beren die zich langzaam van ons verwijderen. Een ander zou het snel opgeven en doorrijden, maar wij wachten rustig af welke route deze beren volgen. Ineens wijkt één van hen van de route af en zien we hem richting de weg lopen. We rijden er snel naar toe en zien hem van dichtbij de weg oversteken. Een flink stuk verder gaat hij weer op zoek naar voedsel. Aangezien ze met zijn tweeën waren, verwachten we dat de andere ook wel deze kant op zal komen. Geduldig wachten we af en inderdaad, na tien minuten zien we een ‘bruin stipje’ onze kant op komen. In een prachtige omgeving loopt de zeer lichtgekleurde beer precies in mijn fotolens. Hij loopt recht op de auto af, scharrelt nog een tijdje in de greppel en steekt dan de weg over en voegt zich bij de andere beer. Wij hebben weer erg genoten. 

Na 370 kilometer gereden te hebben kunnen we voor het eerst tanken in Eagle Plains. We wachten op onze beurt en horen ineens getoeter achter ons. Daar staan Bryan en Barb! Zij zijn toch de Dempster opgereden en hebben er absoluut geen spijt van. Alleen zijn ze niet verder gekomen dan ruim 500 kilometer, de weg was door sneeuw en regen nat en glibberig geworden en nadat ze een vierwiel aangedreven auto met caravan alle kanten op zagen schuiven hielden zij het voor gezien. We houden ons hart vast. 

Als we weer 400 kilometer gereden hebben passeren we de poolcirkel. Hier zullen we overnachten. Het is onbewolkt, zonnig, maar slechts een graad of 7. Ik zie een 'grote vogel' en als ik hem volg met mijn verrekijker blijkt het een enorme sneeuwuil te zijn, met een spanwijdte van anderhalve meter. Normaal zien we deze nachtdieren nooit, maar als deze vogel wacht met jagen totdat het donker is, zal hij wel honger krijgen. We fotograferen de zon die om half twee 's nachts nog steeds boven de horizon hangt. Ik blijf het moeilijk vinden om naar bed te gaan als de zon nog schijnt. 

We slapen toch nog zeven uur en vertrekken daardoor dus laat. We rijden nu over de toppen van glooiende bergen en hebben schitterende vergezichten. We hopen een grizzlybeer op de toendra te zien, maar dit gebeurt helaas niet. We zien wel voor het eerst de ‘verkeersborden’ van de Inuit bevolking: een berg stenen in de vorm van een mens. Deze stenen mannetjes, Inuksuit, werden bijvoorbeeld gebruikt om trails te markeren, om aan te geven dat er dichtbij voedsel te vinden is zoals vis- en jachtplaatsen of dat er dichtbij mensen wonen. Nu zijn deze mannetjes symbool voor het trotse volk.  

De weg wordt hard en rotsachtig en PJ rijdt een schamele 30 kilometer per uur. Het is zonnig, dus de weg is droog en wij hebben geen last van glibberige wegen. We komen bij de eerste veerpont aan. Tot hier zijn Bryan en Barb gekomen, dus dat zou betekenen dat we het ergste hebben gehad. Ook deze rivier is ’s winters bevroren en kan bereden worden over een ijsbrug. Ik kan me hier weinig bij voorstellen, geen foto van te vinden en mijn fantasie slaat op hol. Hier een winter meemaken moet werkelijk fantastisch zijn! 

De Peelrivier vormt de provinciegrens met Yukon Territories en Northwest Territories. Aan de overkant van de rivier ligt Fort McPherson. Hier wonen ongeveer 650 afstammelingen van de Dene Indianen. We kopen brood in de supermarkt waar veel ongewassen en ongekamde kinderen rondlopen. Tot 1978 kon deze plaats alleen via de lucht of met een boot bereikt worden en in de winter met de hondenslee. De regering besloot rond 1900 dat de Royal Canandian Mounted Police moest patrouilleren in het schaars bewoonde noorden om een oogje in het zeil te houden of de wet wel nageleefd werd. In de winter van 1905 ging de eerste politiepatrouille met de hondenslee op weg vanuit Dawson City naar Fort McPherson. Een stuk van 750 kilometer waar ze een maand over deden. In 1910 ging Inspecteur Fitzgerald met drie man en vier hondensleden op weg, maar komen nooit aan….! Ze reizen zonder inheemse gids, die niet alleen de weg beter kan vinden, maar bijvoorbeeld ook elanden kan ruiken, zodat de voedselvoorraad niet opraakt. Ze raken de weg kwijt. Met temperaturen van -50 graden vriezen ze langzaam dood. Korporaal Dempster is degene die ze vindt, drie maanden nadat ze vertrokken zijn. Fitzgerald heeft een logboek bijgehouden en daardoor kan de tocht gedeeltelijk gereconstrueerd worden. Dan blijkt dat de vier mannen om te overleven de sledehonden hebben opgegeten en daarna zijn ze hun leren bovenbroeken gaan koken om daarop te kunnen kauwen. De mannen worden bekend als The Lost Patrol en begraven in Fort McPerson. De Dempster Highway wordt vernoemd naar Korporaal Dempster die de barre sledetocht in totaal acht keer heeft afgelegd. In 1945 werd deze tocht voor de laatste keer gemaakt. Een tragisch verhaal. 

We vervolgen onze weg en na 50 kilometer is er de volgende veerpont. Deze pont brengt ons over de Tsiigehtchic River oftewel de rode poolrivier. Nu is het nog maar 100 kilometer naar de plaats Inuvik, de eindbestemming van deze trip. Het laatste stuk is de natuur minder interessant en ik kan nergens in terugvinden of hier ook beren leven. We zijn ondertussen weer terug in Northwest Territories en mogen niet meer in het wild kamperen. Deze provincie heeft namelijk een erg streng beleid tegen toeristen. Overal hebben we hier een permit nodig, er moet betaald worden om te vissen, er mag nergens gekampeerd worden en zelfs voor parkeren bij een toeristenattractie moet betaald worden. PJ bedenkt een nieuwe uitleg voor de afkorting: NWT is Not Welcoming Tourists!

We melden ons dus bij een camping, drie kilometer buiten Inuvik. Terwijl wij ons in staan te schrijven bij de receptie komt er een jongen binnen met de laconieke mededeling: "Ik kom even melden dat er een grote zwarte beer bij de ingang van de camping loopt", en hij loopt weer weg.
De receptionist pakt gelijk de telefoon en meldt dit aan iemand. Wij geloven onze oren haast niet. We laten alles vallen; laten een verbouwereerde receptionist achter en stappen in onze auto.
"We zijn zo terug", roepen we nog.
"Blijf je wel in de auto?", roept de receptionist nog haastig.
"Jaah!".
We moeten even zoeken, maar dan vinden we de beer die zich op een holletje uit de voeten maakt, richting Inuvik! Als we teruggaan naar de camping merken we dat het telefoontje van de receptionist het één en ander in werking gesteld heeft. Een man rijdt over de camping en waarschuwt alle kampeerders, die op de motor of liftend zijn, voor de beer. Ze moeten hun voedsel in een van de gebouwen opbergen. Een ranger rijdt over de camping en speurt rond. Hij weet blijkbaar niet dat die beer al halverwege het dorp is….! 

We bezoeken Inuvik, een plaatsje met ruim 3000 inwoners. Pas in 1958 is deze plaats gesticht, omdat de regering besloot dat er een regionaal administratief centrum moest komen in het hoge noorden. Het stuk vlakke land naast de rivier leek hen een goede plaats. Het was een grote uitdaging om een plaatsje vanuit het niets op te bouwen op de permafrost, de permanent bevroren grond. Een 'slimme' ingenieur besloot dat de huizen op houten heipalen gebouwd moesten worden, met minstens een meter ruimte tussen het huis en de grond, zodat de warmte van het huis, de grond niet verwarmt en laat smelten. Diepe gaten werden er in de harde grond geboord. Helaas groeien er vrijwel geen bomen op de toendra, dus moesten de palen over de MacKenzie rivier van heel ver naar Inuvik gevlotterd worden. De Dempster werd immers pas een jaar later aangelegd. Nu weet elke leek dat de steunpalen van zijn tuinschutting na een jaar of vijftien verrotten. Dat gebeurt nu helaas ook in Inuvik. Het vervangen van de palen gaat veel geld kosten. Had die ingenieur dat niet zelf kunnen bedenken?

Ook de waterleiding en riolering moeten bovengronds gebouwd worden, die weer door buizen lopen die verwarmd worden. Dit systeem werkt wel goed en is dus uitstekend uitgedacht. Als wij door het stadje wandelen is het één en al buis. Bij elk huis zijn de slaapkamerramen geblindeerd met isolatiefolie; dat houdt het zonlicht buiten in de zomer en de kou in de winter. We kunnen wel merken dat ze hier gewend zijn dat de grond ongeveer negen maanden per jaar bedekt is met sneeuw, want de tuinen zijn erg rommelig en er ligt veel troep in.

Toch vinden we het een leuk stadje. Er staat een kerk in de vorm van een iglo, de supermarkt verkoopt alles en in de bieb kunnen we gratis mailen. In een soort kleine V&D verkopen ze bij het naaigerei stukken bont voor €7,- (konijn en sneeuwhaas). Ook hangt er een zeehondenvel vol met littekens en scheuren. Gelukkig moet dit vel toch nog €113,- opleveren, is het beest niet helemaal voor de uitverkoop gedood. Deze stukken bont worden gebruikt om bijvoorbeeld bontkragen aan capuchons te maken. In een paar souvenirwinkeltjes moeten we bij de ingang onze schoenen uitdoen, omdat het vandaag zo modderig is op straat! Dit vind ik wel erg raar, als het hier niet sneeuwt of regent zijn de ongeasfalteerde wegen natuurlijk stoffig. Dan leg je toch geen vaste vloerbedekking in je winkel, maar laminaat of parket! Ook in de bieb zitten we op kousenvoeten te mailen.

Het is vandaag 21 juni en vannacht om twaalf uur begint de zomer en zal de zon hier in het hoge noorden niet meer achter de horizon verdwijnen. Het Midzomernachtfeest dat wij verwachten wordt hier voor het gemak op vrijdag gevierd. Het is vandaag donderdag. Bovendien zal het ook niet zo’n uitbundig feest worden, de winkels zijn de hele avond open, er is een disco en wat kraampjes op straat. Niet spectaculair dus. Wij zullen de midzomernachtzon wel vanaf de camping bewonderen.  

Verbazingwekkend hoeveel echt grote voertuigen deze niet al te eenvoudige weg gereden hebben. Er staan op de camping kampeerauto's van wel twaalf meter lang naast vierwiel aangedreven pick-ups die een caravan van tien meter trekken. Wel horen we dat deze voertuigen vaak een lekke band hebben gekregen of een ster in de voorruit hebben. We zijn er zeker van dat ze veel te snel gereden hebben.

Ik heb alle ingrediënten gekocht voor een lekkere stoofpot; vlees dat lang op het vuur moet staan, aardappelen, wortelen, selderij, uien enzovoort, dus ik zet PJ aan tot het maken van een kampvuur en ondanks de kou zitten we buiten te wachten tot de stoofpot gaar is. Als het begint te sneeuwen is de maaltijd gelukkig net klaar. Binnen zetten we de kachel aan en genieten we van het stoofpotje. We wachten niet tot het twaalf uur wordt, want met die zon wordt het vannacht toch niets. 

De volgende morgen komen we in gesprek met de 65-plusser Paul uit Duitsland die al sinds zijn 25ste in Canada woont. Hij spreekt vloeiend Engels, maar als er een Duits echtpaar bij komt staan, schakelt hij moeiteloos over in het Duits. Hij zit boordevol interessante verhalen en het is plezierig om naar hem te luisteren. Om een uur of twaalf vangen we de terugweg aan. Onderweg begint het te sneeuwen en de weg wordt spekglad. In een winters landschap, waarbij we niet verder dan twintig meter kunnen kijken, besluiten we te overnachten op een parkeerplaats. De pick-up en de camper zien zwart van de modder. 

De lucht is opgeklaard, de weg al een beetje droger en we staan in een weids toendralandschap. Bij een riviertje wassen we snel de ramen schoon en dan kunnen we weer op weg. We komen Paul een paar keer tegen, ook hij neemt de tijd voor deze schitterende weg en wij hebben altijd tijd voor een praatje. Paul vertelt nog een interessant verhaal over de bewoners van Inuvik. Ze hebben daar een gemeenschappelijke 'ijskast' uitgegraven in de bevroren grond. Paul is er in geweest. Het is een lange diepe schacht die uitkomt in een grote kamer. Daar zijn weer aparte 'kasten' uitgehakt en er in liggen stukken kariboe, eland en zeezoogdieren. Paul vraagt aan een Inuvikker wat ze in de winter doen. "Dan laten we gewoon onze voordeur openstaan", zegt de Inuvikker met een knipoog. 

Als we langs de plek rijden waar we op de heenweg de twee beren gezien hebben, besluiten we hier in de buurt te wachten tot de avond. Paul blijft een uurtje kletsen. Hij laat een doorsnee van een boom zien die hier op de toendra groeit. De plak heeft maar een diameter van tien centimeter, maar wel honderd jaarringen. Hieruit blijkt hoe langzaam de bomen hier groeien. Paul gaat dan weer verder. 

Een man met een grote grijze baard en twee prachtige honden komt naast ons staan. Hij heeft een kennel met 60 sledehonden van een Russisch ras. De naam is me helaas ontschoten. Ik maak een foto van hem met zijn lieveling Tanya, die een roedel sledehonden leidt en lichtblauwe ogen heeft. Ik heb het over de hond, niet over zijn vrouw. De man heeft ons gisterenavond in de sneeuwstorm zien staan. Hij is nog een stuk verder gereden, maar zelfs in de vierwielaandrijving begon hij te slippen, dus ook hij is langs de kant van de weg gestopt om te overnachten. 

Een zelfgemaakte kampeerauto met Engelse kentekenplaten komt het terrein oprijden. Het 70+ stel heeft de hele wereld al gezien en zijn altijd onderweg. We liggen in een deuk om hun antieke koffiebonenmaler. "Tja. Dit was onze eerste koffiemaler en die hebben we nog steeds, wij zijn ook antiek". Zij is de kletser van het stel en vertelt honderduit. We moeten beslist naar Nepal en Iran is ook geen probleem. Hij wil weer verder en begint, terwijl zij nog in de deuropening staat te praten, resoluut de deur dicht te gooien. We blijven alleen achter op het parkeerterrein.
Nadat we gegeten hebben, rijden we terug naar de berenplek. Dit keer ziet PJ een vlekje; en met de verrekijker zien we dat het een beer is. Ook deze beer loopt van ons weg, maar wel richting een heuveltop. Als hij bijna boven is, rijden we snel naar de andere kant van de heuvel en wachten we hem op. Na tien minuten is hij nog steeds niet verschenen en we rijden terug. Daar zien we hem weer, hij is onder de top blijven lopen, steeds verder van ons af. Even later is hij verdwenen. Helaas einde berenverhaal, we kunnen niet altijd geluk hebben. We rijden terug naar de parkeerplaats en overnachten daar. 

Ondanks dat we deze route nu voor de tweede keer rijden, blijft hij prachtig. En ondanks dat dit echt het leefgebied van een grizzlybeer is, zien we er niet één. Bij de Tombstone Mountains blijven we wachten op de avond en doen we een laatste poging om grizzlyberen te zien. Om een uur of acht rijden we een stuk terug. Niet te ver, want daar hebben we niet genoeg diesel voor. We komen een verbaasde Paul tegen. "Weer op berenjacht?" vraagt hij lachend.
Wij eten bij Two Moose Lake een warme maaltijd en Paul voegt zich later bij ons. Vanwege de muggen komt hij in onze camper zitten en vertelt mooie verhalen. Ik krijg het boek "The Lost Patrol" van hem. Ineens ziet Paul een eland en als we naar buiten springen, zien we al gauw een tweede. Het stel verdwijnt over een heuveltop. Paul vertelt dat niet het gewei het gevaarlijke wapen van een eland is, maar de scherpe randen van de hoeven van de voorpoten! Hiermee kan een eland je dodelijk verwonden.
Paul heeft niet genoeg benzine om heen en weer te rijden en blijft wachten om een mooie zonsondergang te fotograferen. Wij gaan om half twaalf 's avonds in de schemer op zoek naar beren. Weer geen succes. We overnachten op een parkeerplaats en Paul voegt zich bij ons. 

Aan het eind van Dempster Highway wassen we de auto in een meertje. We rijden naar Dawson City en bezoeken het riviertje Bonanza, waarin 1899 goud gevonden werd. Dit veroorzaakte de Goldrush van 1900. Als ik het ondiepe stroompje zie, kan ik me niets voorstellen bij de ontberingen die de goudzoekers hebben meegemaakt. Misschien komt het ook omdat het vandaag lekker warm en zonnig is. We doen boodschappen, tanken en vullen op met water. Ik had Paul verteld dat wij gratis op de Midnight Dome, een heuveltop net boven het stadje Dawson City,  gaan slapen. We zijn dus ook niet verbaasd als hij ons 's avonds gezelschap komt houden. Onze was hangt te wapperen in de wind, onze haren zijn nog nat van de douche die we in de camper genomen hebben en de auto is weer glimmend rood.
"Begrijp ik nu goed", begint Paul, "dat ik net betaald heb om mijn auto schoon te krijgen, dat ik betaald heb voor de wasserette, dat ik betaald heb voor een douche en dat jullie dit ook gedaan hebben zonder een rode cent uit te geven?".
"Ja, Paul, dat klopt" antwoorden wij in koor.
Terwijl we kijken naar een bosbrand in de verte, die zich langzaam naar het oosten verplaatst, praten we met Paul. Hij heeft met helikopters expedities ondernomen in onherbergzame gebieden. Hij vertelt over goud delven, over een Duitse ruimtevaart technoloog en andere interessante onderwerpen.
"Ben je nooit getrouwd Paul?", vraag ik.
"Nee, ik was altijd onderweg". Hij staart in de verte. Ik heb blijkbaar een gevoelige snaar geraakt. Ik schakel maar snel over op fotograferen, onze gezamenlijke hobby. Paul en ik blijven wakker tot half twee 's nachts om de zonsondergang te fotograferen. 

We nemen afscheid van hem en rijden over de Top of the World Highway 9 naar de grens. Deze weg hebben we vorig jaar in slecht weer gereden, nu is het zonnig en we hebben mooi uitzicht over de uitgestrekte toendra.

lees verder

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA