Reisverslag USA 2003

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA

13 – 30 november 2003

Donderdagavond komen we aan in Salt Lake City, Utah. Mijn nicht Diana en haar man Randy halen ons op van het vliegveld. In de stromende regen rijden we naar Plain City, waar Diana en Randy twee maanden geleden naar toe verhuisd zijn. We slapen die nacht in hun huis, maar de volgende dag gaan we meteen de camper ophalen die in de opslag staat.
Alles ziet er nog uit zoals we het vijf maanden geleden achtergelaten hebben en na een uur staat de camperunit weer in de laadbak van de pick-up. Gelukkig is het een zonnige dag en we maken de camper zo snel mogelijk op orde. We leveren de bestelling van 51 chocoladeletters en 20 pakken hagelslag af bij mijn achternicht Jayne. Geen wonder dat onze koffers zo zwaar waren! Die nacht slapen we weer in ons vertrouwde bed in de camper. PJ krijgt de volgende dag griep en ik volg een dag later. Snotterend brengen we de komende drie dagen door.

Woensdag, vijf dagen na onze aankomst besluiten we toch volgens plan naar Jackson te rijden, zo’n 350 kilometer naar het noorden. Zaterdag of zondag verwachten we daar onze vrienden Bob en Sue-Ann te zien, die we drie jaar geleden voor het eerst in Alaska ontmoet hebben. Dit bejaarde echtpaar komt uit Colorado en zijn fervente wild fotografen. We hebben met hen al eens een weekend doorgebracht in Colorado’s Rocky Mountain National Park met het zoeken naar mannetjeselanden, maar toen konden we er geen één vinden. Bob heeft ons verzekerd dat het rond deze tijd stikt van de elanden in het Grand Teton National Park, wat vlakbij Jackson ligt.

Dit keer gaan we goed voorbereid op weg. Twee jaar geleden reden we spontaan, hartje winter, 500 kilometer naar het noorden, naar Yellowstone N.P. ’s Nachts vroor het daar –30 graden en al gauw stonden ijsmuren aan de binnenkant van de camper, waren alle waterleidingen stijf bevroren en startte de auto niet meer.

Nu vullen we de watertanks met niet-giftige antivries. Dit betekent níet dat we het water nog kunnen drinken, maar hopelijk kunnen we de toilet dan nog doortrekken. Als we leidingen schoonspoelen en er blijft nog iets achter van dit niet giftige antivries, schijnt dat niet schadelijk te zijn. Verder hebben we een straalkacheltje op elektriciteit voor in de camper gekocht, de boiler ingepakt in schuimrubber en zullen we “motor” op stroom zetten:In de meeste auto’s die in het noorden verkocht worden, zit een opwarmingssysteem. Je steekt de stekker, die ergens onder de motorklep verborgen zit, in een buitenstopcontact en hierdoor wordt niet alleen het motorblok verwarmd, maar ook de olie, de versnellingsbak en een stuk van het dieselsysteem. Dat is wel zo handig in oorden waar het ’s nachts soms -50 graden wordt. Veel restaurants, motels, lantaarnpalen en huizen hebben hier speciaal een buitenstopcontact voor.Verder hebben we voor vijf nachten een motel geboekt, want de weersverwachting vertelt ons dat het in Jackson ‘s nachts –15 graden wordt.

De weg is sneeuwvrij en we besluiten via de Teton pas naar Jackson te rijden. Deze pas heeft een dalingspercentage van 10%, maar het is een mooie route. In Jackson trekken we in onze motelkamer. Helaas is het een niet-roken kamer, dus PJ is regelmatig in de camper te vinden. Maar met het straalkacheltje is dat redelijk te doen.

De volgende dag gaan we met de auto op pad. Net buiten het dorp is het Elk Refuge, een reservaat in de vallei waar de wapiti herten naar migreren als in de bergen geen voedsel meer te vinden is. Dit toevluchtsoord, waar de herten ook veilig zijn voor jagers, is 100 vierkante kilometer groot. Aan de kant van de doorgaande weg is een hek geplaatst, zodat de herten niet overreden worden en ook niet op het boerenland terecht komen. Als we erlangs rijden, zien we dat de eerste wapiti herten al gearriveerd zijn. Het is mistig en als we met de verrekijker de vlakte af turen, zien we er steeds meer. Ieder jaar worden tussen de 7.500 en 10.000 herten verwacht en nu zijn er al honderden.
We volgen de route in het Grand Teton National Park, die Bob ons geadviseerd heeft. Dit gedeelte van het park hebben wij nooit gezien. Het weggetje waar Bob zoveel elanden gezien heeft, is niet begroeid met willows, het voedsel waar elanden dol op zijn. Ik kan het haast niet geloven dat hier zoveel elanden moeten zitten. De weg is besneeuwd en ijzig. PJ rijdt heel langzaam.
Er rijden hier veel pick-up trucks rond. Maar dit zijn geen toeristen… dit zijn jagers! Op bordjes langs de weg lezen we dat het met een speciaal permit toegestaan is om op wapiti herten te jagen in het Nationale Park. Normaal als we een groep auto’s zien staan, rijden we er naar toe. Het kunnen altijd geduldige fotografen zijn die een dier hebben gezien of weten dat er een aangegeten prooi ligt, waar misschien ander wild op af komt. Met de groepjes die we nu zien, willen we niets te maken hebben. Gelukkig zijn ze gemakkelijk te herkennen aan hun fluorescerende oranje kleding, die ze verplicht zijn te dragen, zodat ze niet aangeschoten worden door medejagers.
Halverwege is een rivierbedding en daar zie ik ineens een vrouwtjeseland. Aangezien we hier zijn voor de mannetjes rijden we langzaam door. En dan zie ik er ineens wel een stuk of vijf liggen, allemaal met gewei! PJ kan hier helaas onmogelijk stoppen.
Als we er een half uur later terugkomen zijn ze allemaal aan de wandel. We zien er steeds meer! Prachtige grote geweien, maar nog veel te ver weg. De harde wind begint de lucht schoon te blazen en er komt zelfs een zonnetje door. Het blijft wel vreselijk koud. ’s Nachts valt er bijna 20 centimeter sneeuw.

Na een dag doorgebracht te hebben in onze hotelkamer, omdat er teveel sneeuw op de weg ligt, rijden we zaterdag het park weer in. Het voordeel van de winter is dat de zon pas om half acht opkomt, dus we hoeven niet zo belachelijk vroeg op te staan als in de zomer. Bovendien komen we hier voor de elanden en die zie je ook wel gedurende de dag. De elanden hebben zich verplaatst naar de andere kant van de weg en we zien er steeds meer. Deze solitaire dieren zijn nu in een kudde van wel twaalf dieren, het merendeel mannetjes. Al snel rijden Bob en Sue-Ann het parkeerterrein op. Zij zijn niet gestopt bij het hotel om in te checken, maar direct doorgereden het park in.
“Inchecken kunnen we ook als het donker is”, zegt Sue-Ann.
We omhelzen hen op z’n Amerikaans en het is leuk om deze 65 plussers weer te zien. We maken hen meteen stik jaloers met onze nieuwe digitale spiegelreflexcamera. Twee weken voor vertrek hebben we namelijk de knoop doorgehakt en een digitale camera gekocht. Bob zegt dat we de dieren niet vanaf de weg hoeven te fotograferen, we kunnen er gewoon naar toe lopen. Hij beweert dat de elanden niet gevaarlijk zijn. Ik heb wel wat anders gelezen. Elanden hebben scherpe hoeven en hebben dubbele gewrichten, waardoor ze met hun voorpoten gemakkelijk naar voren kunnen slaan. Bovendien weegt een volwassen mannetje al gauw 600 kilo. Toch wagen we het er maar op. Bob doet dit tenslotte regelmatig.

Hoe kleed je je als het overdag min tien graden is? Ik draag thermo lang ondergoed en daarover een extra dikke joggingbroek met veel zakken. Over het bovenhemd gaat nog een katoenen shirt met lange mouwen (uit PJ z’n dienstplunje), een extra dikke fleecetrui en een winterjas met capuchon. Dunne handschoenen met daarover wanten, waarvan de top omgeklapt kan worden. Zo kan ik toch kan fotograferen, zonder dat ik mijn wanten uit hoef te doen. Verder nog een sjaal en muts, twee paar sokken en warme bergschoenen. Dat moet voldoende zijn. PJ draagt niet eens handschoenen, daar heeft hij later met fotograferen spijt van. We wandelen door kuithoog sneeuw. PJ en ik hebben allebei geen sneeuwlaarzen en al snel voelen we de sneeuw in de schachten van onze wandelschoenen komen. Tja we hadden niet op een wandeling gerekend! De elanden merken ons al snel op, maar het lijkt ze niet te deren. We naderen ze tot zo’n 50 meter en schieten mooie foto’s. Een volwassen elandgewei is wel anderhalve meter breed. Als er een windje opzet, is zelfs onze vierdubbele kledinglaag niet warm genoeg en gaan we terug naar de motelkamer.

Op zondag gaan Bob en Sue-Ann naar de kerk. Wij rijden een weg dwars door het hertenreservaat. We zien niet alleen vele kuddes herten, maar ook buffels. Als de weg te besneeuwd is, besluit PJ om te keren. De combinatie van pick-up en camper weegt 5000 kilo en dan wil je niet gaan schuiven over de weg. Als we langs een halfbevroren rivier rijden, zitten er twee witte zwanen op het ijs. We stoppen even voor een foto en zien dan ineens vier rivierotters bij de oever. Even later zitten ze alle vier op het ijs en dan duiken ze allen onder. Gelukkig komen ze recht voor ons weer boven en kijken ons nieuwsgierig aan. Leuke dieren zeg!
We rijden door naar het park en horen Bob en Sue-Ann met elkaar praten over de walkietalkie. Zij zijn ons blijkbaar al gepasseerd. Bob is aan de wandel en Sue-Ann zit warm in de auto. We parkeren op hetzelfde parkeerterrein en Bob komt terug met de mededeling dat hij een hermelijn heeft gezien.
Wij gaan lunchen in de camper en zij rijden de omgeving af op zoek naar de elanden. Ze melden over de walkietalkie dat ze weer een kudde hebben gevonden. Wij rijden er ook naar toe. De weg is niet schoongemaakt en er staan alleen maar twee diepe sporen in de sneeuw. Er is geen mogelijkheid tot draaien, anders was PJ zeker gestopt en omgekeerd.
Aan het eind van de weg staat de pick-up van Bob en er is een grote ronde plek om te parkeren en te draaien. Bob is al in het veld en Sue-Ann gaat met ons mee. Het is een groep van zes mannetjes met bijna allemaal een flink gewei. Ze negeren ons. We kunnen mooie foto’s maken. De elanden komen langzaam onze kant op en we trekken ons langzaam terug. Ze beginnen een beetje om elkaar heen te sparren en hun geweien tegen elkaar te slaan. Daarna wordt er serieus gevochten. We kunnen het klappen van de geweien van ver horen. De elanden komen steeds meer onze kant op. Even later hebben ze grote plek bereikt waar onze auto’s staan. Blijkbaar zien ze dit als een soort arena waar goed gevochten kan worden! Omstebeurt beginnen ze hun koppen laag te houden en beuken op de ander in, vlak voor ons neus! We filmen en fotograferen er op los. Wat staan deze dieren hoog op hun poten. Met hun gewei zijn ze 2.50 meter hoog.

De zon gaat onder en het wordt gelijk bar koud. De elanden lopen langzaam van ons vandaan en kijken nog even verbaasd om naar die rare snuiters die hun auto’s op hun arena hadden geparkeerd.
Wat een geweldige dag was dit. ’s Avonds maak ik soep en we eten dit met Bob en Sue-Ann in de lobby van het motel. Natuurlijk kunnen we hen meteen het resultaat van deze dag laten zien op onze laptop. En dat valt beslist niet tegen.

De volgende dag nemen we afscheid van Bob en Sue-Ann. De weersvoorspelling voor de rest van de week is sneeuwbuien en PJ is niet echt gewend in de sneeuw te rijden met dit bakbeest, dus we vertrekken voordat de wegen ondergesneeuwd zijn. In zes uur rijden we terug naar Plain City.

Ondanks al onze voorzorgsmaatregelen hebben we niet kunnen voorkomen dat de afvoer van de watertank stijf bevroren is. Het kost ons veel moeite dit te ontdooien, want in Utah is het ook niet echt warm. Uiteindelijk zijn een soort ontdooikorrels, die in de winter over ijzige garagepaden gestrooid worden, de oplossing. Maar nadat we het antivries water uit onze watertank geloosd hebben en opgetopt hebben met schoon water, blijft het water in onze kraan blijft raar schuimen. We durven het niet te drinken. Voor de koffie vullen we flessen met kraanwater.

Dit jaar valt Thanksgiving op 27 november. Op die dag wordt herdacht dat de pelgrims uit Engeland op het continent aankwamen. Traditioneel komt het gezin dan bijeen, maar worden vaak ook vrienden uitgenodigd. Op het menu staat dan gevulde kalkoen met cranberrysaus, yam’s (zoete aardappelen), sperziebonen, olijven, maďsbroodjes, squash (groente) en pompoenenvlaai toe.
Wij worden uitgenodigd bij mijn oom John en zijn tweede vrouw Christine en eten een gezellige Thanksgiving maaltijd met de familie. Aanstaande maandag zullen we naar het zuiden trekken. We vinden sneeuw geweldig, maar de camper is er helaas niet echt op gebouwd om die vriezende nachten te doorstaan.

1 december 2003 - 5 januari 2004 

Een paar dagen na Thanksgiving nemen we de snelweg naar het zuidwesten van Utah. We overnachten op een parkeerterrein in Red Canyon met uitzicht op de rode rotsen. Het wordt ’s nachts min 6 graden. We houden elkaar warm onder drie lagen dekens en laten de gaskachel zachtjes branden.

De volgende dag rijden we in een half uurtje naar Bryce Canyon National Park. Dit is de vierde keer dat wij dit park bezoeken en ik kan geen genoeg krijgen van de prachtige uitzichtpunten. Voor de nieuwe lezers zal ik even uitleggen wat Bryce Canyon is.
Uit een vorig verslag: Bryce Canyon is uitgesleten door regen, water, sneeuw en ijs, maar op de bodem van de kloof zijn overal pilaren, richels en rotsmuren blijven staan, bijna net zo hoog als de rand van het ravijn waar we nu staan. Die geërodeerde rotsformaties worden hoodoo's genoemd. Met een beetje fantasie kun je kathedralen, Koningin Victoria, een poedel, de Tower Bridge en andere (vreemde) figuren in de rotsformaties zien. De hoodoo’s zijn van een hardere steensoort, maar ook zij lijden onder het natuurgeweld en steeds worden er nieuwe formaties gecreëerd. Door de ondergaande zon verandert de altijd al zalmroze canyon in de kleur van hete kolen, het is alsof de canyon in brand staat.
Er ligt nog niet zoveel sneeuw en we kunnen het hele park doorrijden. Dit is volgens mij het mooiste plekje op aarde. Als we terugrijden naar de snelweg zien we een kudde pronghorn antilopen. Deze herten kunnen ruim 100 kilometer per uur halen en zijn daarmee de snelste zoogdieren van Noord-Amerika. Het zijn allemaal vrouwtjes, dus zonder gewei. Als ze ergens van schrikken, doen ze hun naam geen eer aan, maar hun reputatie wel en zetten het allemaal tegelijk op een lopen. Dat levert weer een mooi plaatje op.

Onze overnachtingsplek is zoals altijd weer gratis, dit keer langs een onverharde weg. Wij proberen in de USA nooit op campings te staan en dat lukt meestal. PJ ziet kans steeds weer van die mooie plekjes te vinden. We hebben dit keer schitterend uitzicht op de bergen en staan naast enorme vreemd gevormde rode rotsen. Wel blijft het ’s nachts weer onder het vriespunt. We moeten moed verzamelen om tussen de ijskoude lakens te kruipen.  

Voor het eerst moeten we er aan wennen om 24 uur per dag samen te zijn. We kibbelen veel en kunnen allebei onze draai niet vinden. PJ kan het niet begrijpen dat ik me echt niet meer kan herinneren waar alles ligt en wat er gedaan moet worden. En dat terwijl we al sinds 2000 in deze camper wonen. We zijn er net iets te lang tussen uit geweest. Verder reizen we voor het eerst met een laptop en na een dag rijden kunnen we zonder stroom hier twee uur gebruik van maken. We laden er elke avond de foto´s van die dag in.  Voorheen schreef ik in mijn dagboek, nu gebruik ik hier de computer voor. Nu vechten we bijna wie gebruik mag maken van de laptop, ook voor bijvoorbeeld een spelletje spider solitair (een soort patience, maar dan een beetje moeilijker). 

Voor het eerst bezoeken we Zion National Park. De reden dat wij dit populaire park nooit bezocht hebben, is omdat je er van het voorjaar tot in de herfst niet met eigen auto mag inrijden Er is gratis openbaar vervoer. Maar voordat wij ons er toe kunnen zetten ons in een busje te laten vervoeren, moet er heel wat aan de hand zijn, dus hebben we dit park altijd vermeden in de zomer. Nu is er geen openbaar vervoer en dus een uitstekende kans voor ons om het park te bezichtigen.

We rijden Zion in. Het blijkt een doodlopende weg van slechts 10 kilometer te zijn op de bodem van een ravijn. De wanden van de canyon torenen hoog boven ons uit. Aan het eind van de weg is een wandelpad langs de rivier van ongeveer anderhalf uur. Het is bovendien rolstoel toegankelijk, dus dat kunnen we net hebben met onze stijve ongeoefende spieren! Langs de wanden van de rotsen sijpelt water en daar groeien weer varens en mossen op. Dat levert mooie rotstuintjes op. In het voorjaar groeien hier ook wilde bloemen. We zien een paar zwartstaart herten. Als we terugrijden, zien we nog een mannetjeshert. Een tourbusje was hier vast niet voor gestopt, maar wij maken uitgebreid foto´s. Wat een voordeel als je je eigen baas bent. Eigenlijk zijn we niet erg onder de indruk van het park. We weten dat het nog veel meer wandelpaden heeft, die wij niet gezien hebben, maar toch vinden we het een beetje overgewaardeerd. Of zijn wij gewoon verwend?  

Het is een uur of drie als we aan de onverharde weg naar St. George beginnen. St. George ligt over de snelweg maar een kilometer of 20 weg, maar deze weg is een grotere uitdaging en is maar 15 kilometer om. Het begint meteen al stijl. De weg is tweerichting, maar is maar anderhalve auto breed. We rijden langs diepe ravijnen en over harde puntige stenen. De camper schudt er lekker op los. Na anderhalf uur zijn we 7 kilometer opgeschoten en PJ vindt een plekje langs de weg om te overnachten. ’s Nachts is het weer onder het vriespunt en de gaskachel blaast op volle toeren. 

“Dit is de laatste koude nacht”, roept PJ de volgende morgen uit, “ik ben die kou zat, we gaan naar het zuiden!”. We moeten nog anderhalf uur hobbelen voordat we in St. George aankomen en dan rijden we over de snelweg de laatste 150 kilometer naar Las Vegas. Aangekomen in Las Vegas is het ondertussen aangenaam warm geworden (20 graden). Met eigen ogen wilde ik wel eens zien dat je hier de auto niet uit hoeft om te trouwen. Bij een van de trouwkapelletjes is een raam waar je langs kunt rijden om even te trouwen. Die Amerikanen nemen echt niets serieus.  

Als we Las Vegas uitgaan, rijden we nog even langs Red Rock Canyon National Conservation Area, een mooi rood rotslandschap in de woestijn. Grappig zijn de wilde ezels, die ze hier op zijn Mexicaans burro’s noemen. Achtergelaten door de gouddelvers midden 1800, zijn de ongeveer 5000 ezels sinds 1950 beschermd. We zien helaas niet een van de 43.000 wilde paarden. 

We verlaten Nevada en rijden door een mooi gekleurd woestijnlandschap California in. Een coyote steekt voor ons de weg over. Hier kamperen we in de buurt van Tecopa Hot Springs. Bovenop de hete minerale bronnen zijn twee badhuizen gebouwd. Gratis kan hier gebruik van gemaakt worden. We blijven een paar dagen in de woestijn staan. Ik pak de goede gewoonte weer op om ’s morgens vroeg een uur te gaan lopen. PJ vindt het heerlijk een uurtje voor zichzelf te hebben. Zo kan hij zijn gedachten op een rijtje zetten, uitvindingen bedenken, voor zich uit staren en koffie, veel koffie drinken. Soms is, als ik terugkom, de camper opgeruimd, maar soms ook niet. Dat maakt mij niet uit, na zoveel jaren samen reizen hebben we toch zo allebei onze ‘taken’. Ik maak ’s morgens het bed op, bereid alle maaltijden, doe de afwas, lees kaart (en bepaal de route). PJ rijdt, doet de was, doet alle technische dingen en klust aan de auto en camper. Zo monteert hij geplastificeerd kippengaas voor de bull bar. Hiermee worden opvliegende steentjes opgevangen. Ik vind het heerlijk om door de woestijn te wandelen op zoek naar mooie stenen. PJ wordt horendol van mijn verzamelwoede voor een huis waar we al drie jaar niet meer gewoond hebben. Gelukkig heb ik nu een excuus, want ik verzamel deze stenen voor mijn zevenjarig vriendje Boris.

Bijna dagelijks bezoek ik het badhuis. PJ haakt af, hij heeft geen behoefte om in een bad te zitten met verschrompelde oude naakte mannetjes. Maar hij schroomt er niet voor een snelle hete douche in het badhuis te nemen. Ik deel het hete bad meestal met Indianen en snowbirds (bejaarde mensen die de sneeuw ontlopen door in de winter naar het zuiden te trekken). Het water is heerlijk heet. Het blijkt geen gewone hete bron te zijn, maar een helende werking te hebben. Zo zit ik bijna elke dag met iemand in bad die bijna blind was, maar na het spoelen van de ogen met dit helende water kunnen ze weer zien. Ook van allerlei ziektes met de meest fantastische namen zijn ze nu genezen. Natuurlijk moet iedereen dit aanhoren. Een vrouw dankt luid zingend de Heer voor deze mooie dag en dit heerlijke bad. Ik kan mijn lachen met moeite houden. Raar dat ik zelf alleen maar vage klachten erbij krijg, zoals een stekende pols, pijn in mijn onderrug en stijve schouders. Misschien neem ik die ziekten van die oudjes wel in mijn lichaam op…of zou ik in een verkeerde houding achter de laptop zitten? Ik verbaas mij over de onnozelheid van de Amerikanen. Als ik de dame vertel dat wij voor ’t eerst een Thanksgiving diner hebben gegeten, antwoordt ze verbaasd: “Oh, hebben jullie in Nederland dan geen Thanksgiving?”. Weten ze dan echt niet waar ze dankbaar voor zijn op de feestdag die ze zelf verzonnen hebben? Dit is niet de eerste keer dat dit ons overkomt. Ook hoorden we een man tegen een Mexicaan praten. “Eten jullie echt burrito’s met Thanksgiving? Waarom geen kalkoen?”. 

Na vier dagen trekken we verder. We rijden over de Hoover Dam naar Arizona. Deze dam is in werkelijkheid kleiner dan ik gedacht had. Sinds “11 september” mochten er geen vrachtwagens en kampeerauto’s over de dam rijden. Elke auto, en dat zijn er zo’n 5000 per dag, moet gecontroleerd worden op explosieven. Sinds kort mogen campers weer over de dam. Ook wij worden gecontroleerd door de politie. Het blijkt een wassen neus te zijn, de dame doet alleen in de camper de badkamerdeur even open. Ik denk dat ze meer naar de personen zelf kijken. We zakken naar het zuiden en de temperatuut zakt evenredig mee. Hé, dat is niet de bedoeling, het zou hier warmer moeten worden! De nachten blijven koud. Maar het is natuurlijk wel apart dat we ’s morgens door een vallei met vier meter hoge cactussen rijden en ’s middags door een berglandschap met een restje sneeuw. Dat vinden wij zo bijzonder aan dit land. Na een overnachting op het parkeerterrein van een Baptistenkerk worden we ’s morgens verrast met vijf centimeter sneeuw!  

Voordat we op bezoek gaan bij mijn achterneef Marty en zijn vrouw Tammy in Albuquerque nemen we op het midden van de dag heerlijk een douche in de camper. Vanwege de kou en het vele rijden hebben we ons al vier dagen niet gewassen! Marty en Tammy hebben sinds zes weken hun gezin uitgebreid met een vijfde zoon. Wij hebben hiervoor speciaal uit Nederland beschuit met blauwe muisjes meegenomen en trakteren hen op zijn Hollands. Verder verrassen we hen met pakken hagelslag, vlokken en vruchtenhagel en delen we speculaasjes, kruidnootjes, ontbijtkoek en stroopwafels met hen. Het huis is al helemaal in Kerstsfeer. We blijven vijf dagen bij dit hartelijke gezin. Elke morgen ga ik met hun labrador wandelen. Vlakbij hun wijk is de mesa, een afgeplatte heuvel met mooi uitzicht over de stad, die ik samen met de hond beklim. Op een morgen loopt de hond ineens van mij weg met een stok in zijn bek. Als ik hem eindelijk heb ingehaald, blijkt het geen stok maar het onderbeen van een hertje te zijn, compleet met hoef! ’s Nachts vriest het 7 graden, maar gelukkig staan we op stroom en kan de elektrische kachel blijven branden. We horen de coyotes janken op de mesa

Op aanraden van Marty bezoeken we het Bosque del Apache National Wildlife Refuge. Hier zouden volgens de Lonely Planet reisgids de zeldzame ‘whooping’ kraanvogels moeten overwinteren, maar bij het visitorcenter vertellen ze ons iets anders: “De laatste keer dat hier deze kraanvogel is gesignaleerd was in 2001”. Later lezen we meer over deze bijzondere vogel. Hij is bijna uitgestorven en wordt uitgebreid in de gaten gehouden. De aankomst van 16 migrerende whooping cranes in Florida wordt dan ook met veel opluchting vermeld op een internetsite. Ondanks deze ontbrekende vogels rijden we toch door het park en zien meer dan duizend sneeuwganzen en honderden (iets minder zeldzame) sandhill kraanvogels. Tegen zonsondergang verplaatsen deze vogels zich van de maďsvelden naar de moerasachtige gedeelten van het park, om zo te ontkomen aan de coyotes. Het is een prachtig gezicht om duizenden vogels te zien landen in het moeras. We overnachten net buiten het park en beginnen weer aardig in ons ritme te komen. We spelen weer gewoon samen een potje kaart en alles heeft weer zijn plek gekregen in de camper. Kibbelen doen we ook niet meer, we zijn weer helemaal gewend aan elkaar. 

De volgende morgen rijden we weer naar het maďsveld en zijn net op tijd om de kraanvogels te zien landen in het veld. Verder zien we een aantal nieuwe roofvogels, Canada ganzen en visarenden. Al de parken die ik tot nu toe genoemd heb vallen onder de Eagle Pas. Na eenmalig 50 dollar te betalen, kunnen we een jaar lang gratis alle nationale parken in. Dit bedrag hebben we er zo uit, want voor parken zoals Zion en Bryce is de entree al gauw 20 dollar.
In het zuidwestelijke hoekje van Arizona liggen in de woestijn de Hot Wells Dunes. Deze hete bronnen hebben we een aantal jaren geleden al ontdekt en we gaan er graag naar terug. In 1er naar olie geboord, maar in plaats van olie te vinden, stuitten ze op een hete minerale bron. Vanuit 600 meter diepte komt In Tucson doen we laatste boodschappen voordat we Mexico ingaan. Ik sta te treuzelen bij de groenteafdeling, want ik heb het recept voor yellow squash gevonden, maar hier zie ik allerlei soorten liggen, maar niet de vorm die ik zoek.
De groenteman komt naast mij staan. “Kunt u vinden wat u zoekt?”
Ik vertel hem dat ik uit Holland kom en dat squash daar niet echt veel voorkomt.
Hij legt mij uit hoe ik de spaghettisquash moet klaarmaken (in de oven), maar ik blijf weifelend kijken. “U krijgt hem gratis van mij, ik vind het leuk als buitenlanders onze groenten uitproberen”.
Nu zit ik met een enorme squash, en geen oven, maar dat durf ik niet te zeggen. 

Honderd kilometer ten zuiden van Tucson, dichtbij de Mexicaanse grens, overnachten we aan Lake Arivaca. We zijn hier van God en alles verlaten, misschien niet de juiste uitdrukking voor Kerstavond. Echt alleen zijn we niet, want bij het meer staat ook een local in een oude camper met een grote zwarte bastaardhond en een valse terriër. Ik versier de camper met een kerstslinger. Op de radio draaien ze Kerstnummers en dat brengt ons nog een beetje in Kerstsfeer. Zonder familie, een Kerstdiner en een kerk is Kerst voor ons net als elke andere dagen. 

’s Morgens vroeg loop ik over een dichtbegroeid paadje langs het meer. De stekelige takken schrapen aan mijn windjack en ik maak zoveel lawaai dat alle watervogels luid krijsend opvliegen. Niet alleen de vogels, want ik zie iets wegvluchten op de oever verderop. Met mijn verrekijker zie ik wat het is. Niet een, maar twee wasberen met dikke staarten rennen van mij vandaan. Als ik aankom bij de plek waar ik de wasberen zag, zie ik een skeletje liggen. Alleen de staart staat parmantig omhoog. Het is een wasbeer! Wat een toeval. Ik steek de schedel en de onderkaken in mijn jaszak.
“Kijk eens wat ik gevonden heb”, en ik laat trots de schedel aan PJ zien.
”Wat moet je daar nu weer mee? vraagt PJ. “Het is toch weer verboden om het in Nederland in te voeren”.
“Ik vraag wel of mijn vader (weer ) naar de douane belt om dit keer te vragen of een wasbeerschedel illegaal is”.
Ik maak de schedel schoon met een oude tandenborstel - een niet zo fris klusje - en daarna leg ik de schedel en de onderkaakjes in een teiltje water met chloor. PJ rommelt om de auto en ik ga vogels kijken. Als ik terugkom roep ik verbaasd: “De schedel is weg!”
PJ begint te grinniken. “Dat zal een hond wel gedaan hebben”.
Ik vermoed dat het de valse terriër is, want die loopt steeds rond onze auto en begint dan te grommen. Ik schraap alle moed bijeen en ga bij de enge kerel langs.
”Hallo, is uw hondje daarstraks thuisgekomen met een schedeltje?”
“Ik vroeg me al af waar ze dat vandaan had”, antwoordt de man en haalt verder zijn schouders op.
“Uuuh…mag ik het misschien terug?”

“She ate it”,
zegt hij lachend.
Ik loop boos terug naar onze camper. Eigenlijk ben ik er best verdrietig om. Hoe groot is de kans dat je een schedel vindt, compleet met onderkaak en met bijna alle tanden en kiezen erin en dat je dan ook nog weet van welk dier het is? Het klinkt misschien kinderachtig, maar ik moet er gewoon om huilen. PJ weet zich geen raad met mijn tranen. Hij vond om te beginnen die schedel al niets en kan zich niet er niet echt om druk maken dat het nu weg is. 

Op tweede Kerstdag zie ik tijdens mijn ochtendwandeling een moeder hert met twee bambie’s. Na mijn wandeling rijden we 100 kilometer verder naar het westen naar een camping in Organ Pipe Cactus National Monument. Hier hebben we afgesproken met Art (66) en Sally (58), een echtpaar dat oorspronkelijk uit Vermont komt. Zeven jaar geleden besloten ze hun banen op te zeggen, hun huis te verkopen, een klein campertje te kopen en te gaan reizen door Noord-Amerika. Een jaar geleden kwamen we hen voor het eerst tegen in het zuiden van Mexico en hadden toen een paar gezellige dagen. Via de e-mail hielden we contact met elkaar en zo komt het dat we hen nu weer zien. Ze stellen ons voor aan hun vriend Gary, uit California en al kletsend brengen we de middag door. ’s Avonds koelt het snel af en we eten gezamenlijk in de kleine camper van Art en Sally. Dit wordt hierna een trend en de volgende avond nodigen ze nog een alleenstaande kunstenares uit. Ik biedt Sally mijn gratis squash aan en zij maakt hem klaar. Nadat de vrucht drie kwartier in de oven gestaan heeft,  verandert het vruchtvlees in spaghettiachtige slierten. We eten het gekruid met parmezaanse kaas erover gestrooid.
Als ik op een van de volgende dagen een praatje maak met twee meiden in een tent, zegt Sally later gekscherend: “Claudia, je mag alleen vrienden maken met mensen die een grote camper hebben, want onze camper wordt echt te klein voor al die gasten”.
Elke avond zegt Art na de heerlijke maaltijden: “Wie snijdt de cheesecake aan?”.
Wij verrassen ze daarom op een avond met een instant cheesecake (klaargemaakt zonder oven) en dat is een groot succes. Gary strooit vogelzaad om onze camper en binnen een dag komen de kleurrijkste vogels bij ons eten. Foto’s maken is nu echt een makkie. Het is hier koud voor de tijd van het jaar (12 graden overdag), maar in het zonnetje in de luwte van camper is het goed uit te houden. Op oudejaarsavond vertel ik over de traditie in Nederland om oliebollen te eten tijdens deze avond en we besluiten om de volgende dag oliebollen te bakken. Ik vind in een basiskookboek de ingrediënten en op nieuwjaarsmorgen mixen Sally en ik het beslag en ik bak de oliebollen. Om 12 uur ’s middags drinken we champagne gemixt met  sinaasappelsap en eten de oliebollen met uitzicht op de grote saguaro cactussen, de woestijn en de bergen van Mexico. De Amerikanen zijn erg onder de indruk van onze oliebollen. Wat een apart begin van het nieuwe jaar. Vannacht heeft het al weer gevroren.

Afscheid nemen van Art en Sally doen we in fasen. Eerst een dikke knuffel in Organ Pipe Cactus National Monument, daarna gaat ieder in zijn eigen tempo terug naar Tucson. Onderweg stoppen zij als ze ons zien lunchen langs de kant van de weg. Nog even de laatste dingen uitwisselen die we vergeten hadden te zeggen. En als laatste zw

aaien we naar hen als wij al geparkeerd staan voor de bibliotheek in Tucson en zij voor een stoplicht staan. Leuk stel, hopelijk ontmoeten we elkaar weer.

 

Op 5 januari 2004 vinden we dat we lang genoeg gewacht hebben met het naar Mexico gaan. De kerstdrukte moet nu wel voorbij zijn.

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA