Reisverslag USA, Canada & Alaska 2004

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA

Op 7 april gaan we de grens Mexico – USA over. De Amerikaanse douanebeambte kijkt in onze paspoorten en ziet dat we uit Nederland komen.
“He, daar ben ik ook geweest”.
“Oh ja?”, antwoordt PJ.
“Ja, toen in de bodyguard van Dick Cheney was”.
“Een bodyguard? Daar ben je toch veel te klein voor”, roept PJ uit en brengt bij mij het schaamrood op de kaken.
“Nee, je hoeft niet breed te zijn, als je maar slim bent”, antwoord de beambte ad rem.
“Waar bent u geweest in Nederland?” verander ik van onderwerp.
“We zijn naar Delft markt geweest en Rotterdam en naar een plaats met een groot treinstation…”
“Amsterdam?”.
“Nee, hoe heette die plaats ook al weer?”.
Hij kan er niet opkomen en zonder de camper van binnen te bekijken, laat hij ons doorrijden. Zo gemakkelijk kan een grensovergang gaan.

Dit is wel anders als we twee maanden later het land weer willen binnen komen in Chicago, maar hierover later meer. Zes dagen nadat we de grens zijn overgegaan, zijn we 1700 kilometer noordelijker en rijden we Yellowstone National Park in. Het is april en er is maar 100 kilometer weg van het park open. De eerste teleurstelling is dat er helemaal geen sneeuw ligt in het park. Het is veel te warm voor de tijd van het jaar en alle sneeuw is weken geleden al gesmolten. De tweede teleurstelling moeten we verwerken als we vrij snel een coyote zien, die aan een hertenkarkas staat te knagen. Ik richt de fotocamera op het dier en de camera stelt niet automatisch scherp. Handmatig dan maar. Ook niet! De 400 mm lens is blijkbaar kapot.

We hebben nog een reserve 300 mm lens, maar die is niet zo ´snel´. We moeten het hier toch maar mee doen. De tweede morgen in het park komt de leider (alfawolf) van een wolvenroedel ons wel heel dichtbij bekijken. De foto´s vallen tegen, dus besluiten we naar Bozeman te rijden (op en neer 160 kilometer) om de lens te laten maken. Het euvel blijkt een losgetrilde schijf te zijn en dat hadden we ook makkelijk zelf kunnen verhelpen.  

’s Nacht slapen we in de camper net buiten het park, gewoon langs de weg op dik 2200 meter. De koudste nacht is min zeven graden, maar overdag warmt het vaak op naar 20 graden! Geen  wonder dat er geen sneeuw meer ligt.
We komen al snel in contact met de ‘wolvenmensen’. Een fanatieke groep mensen die dagelijks een wolvenroedel volgen, de Druïde pack genaamd. Deze roedel heeft hun winterhol aan de ene kant van de weg en hun jachtgebied aan de andere kant, dus de kans is groot dat we ze regelmatig de weg over zien oversteken.
Bioloog/ranger Rick McIntyre is hier het hele jaar en houdt nauwgezet alle verplaatsingen, begroetingen, jachtpartijen enz. van de wolven bij. Hij woont net buiten het park en er gaat geen dag voorbij of we zien hem rondrijden. Via een antenne vangt hij de signalen op die de wolven afgeven vanuit hun radiozenders die in halsbanden verwerkt zijn. Deze halsbanden zijn een afschuwelijk gezicht, maar wel handig als je wilt weten waar de wolven uithangen.

De wolvenmensen houden contact met elkaar via walkietalkies. Helaas gedragen ze zich soms als een elite groep en willen ze bijvoorbeeld niet de frequentie van de walkietalkie aan ons doorgeven. Met de scanner komt PJ al snel achter deze frequentie en kunnen we toch meeluisteren. Zo weten ook wij meteen waar een wolf gesignaleerd is. De wolvenmensen worden iets vriendelijker als ze merken dat wij ook elke morgen vroeg opstaan om de wolven te zien. We mogen door hun telescopen kijken en we krijgen steeds meer informatie. En dat hebben we hard nodig, want wij weten nog weinig van het gedrag van wolven.  

Het is twaalf uur ’s middags. We zitten in de voorstoelen van de auto te kaarten. Een auto stopt vlakbij ons en de mensen er in fotograferen een wapiti hert in het veld dat zenuwachtig heen en weer loopt. De mensen glimlachen breed naar ons. We denken dat ze voor het eerst een hert zien en moeten er een beetje om gniffelen.
De auto stopt een stuk verder weer en gaat nogmaals het hert fotograferen. Wij hebben ons potje kaarten af en besluiten weer te gaan rijden. Het hert begint te rennen en ineens zien we een zwarte wolf die het hert achtervolgt! Dat waren die mensen dus aan het fotograferen. Wat een misser van ons. We hebben nog een hoop te leren.
Het hert rent de weg over en de wolf volgt even later. Van dichtbij zien we dat hij een radiozender om heeft die glimt als spiegel. Geen gezicht.
We springen in de auto en rijden naar de volgende parkeerplaats. Het echtpaar staat er al en zegt dat het hert net voorbij is gekomen. Ik begrijp er nog steeds niet van.
“Denken jullie dat de wolf hier dus ook langs zal komen?”
“Ja natuurlijk, wij volgen dit stel al een hele tijd en de wolf probeert het hert uit te putten door het steeds te achtervolgen. “
Inderdaad komt de wolf even later langs en zien we hem in de bossen verdwijnen. We rijden snel verder en zien het hert over een open vlakte rennen en ja hoor, in hetzelfde spoor komt nu ook de wolf tevoorschijn. Hij rent evenwijdig met de weg en we volgen hem met de auto. De teller leest 30 kilometer. Vanuit het raam film ik de wolf en het hert die steeds dichter bij elkaar komen. Het hert steekt voor ons de weg over en rent een ander veld in. De wolf zit haar op haar hielen. Het hert springt in de rivier en blijft in het midden staan. De wolf blijft op de kant staan.
“Wat doen ze nu?”, vraag ik.
Het stel is naast ons geparkeerd en legt uit dat het hert redelijk veilig is in het water. Het water is te diep voor een wolf die alleen jaagt. De wolf trekt zich langzaam terug.
”Dat deed hij daarstraks ook, dat is een tactiek. Het hert denkt dat ze veilig is en komt weer de kant en op dat moment komt de wolf in een sneltreinvaart terug rennen. Let maar op”
Inderdaad, zoals zij het voorspellen gebeurt het ook. Er begint weer een korte achtervolging en het hert springt voor de tweede keer in de rivier. De wolf blijft een tijdje rondhangen en besluit dat dit maaltje door zijn neus geboord is. Hij loopt op een sukkeldrafje het bos weer in.
Wow, wat een spektakel. En niemand van de wolvenmensen heeft dit gezien. 

’s Avonds vertellen we dit enthousiast aan Rick. Hij vraagt of wij misschien ook een walkietalkie van hem willen lenen. We zijn vereerd. Vanaf dan worden we ook volledig geaccepteerd door de wolvenmensen. 

We verblijven 16 dagen in het park en zien veel wolven, maar meestal ver weg. De tweede week zien we ook ineens grote mannetjes grizzly´s. Het lijkt wel of ze net wakker zijn geworden en de omgeving aan het checken zijn. Als ze in het noorden van de weg zijn, steken ze de weg over om naar het zuiden te wandelen. En andersom. Ze grazen niet, maar lijken een doel voor ogen te hebben. Na een week worden we op een morgen wakker in een witte wereld. We kunnen ons geluk niet op en maken foto´s van de dieren in de sneeuw. De bizons zijn ook verward door het warme weer en baren hun jongen twee weken te vroeg. Nu staan de baby’s te bibberen in de sneeuw. In de bescherming van de auto kijken we een half uur naar een coyote die achter elkaar grondeekhoorntjes vangt. Ze hebben gangen in de sneeuw gemaakt en de coyote staat aandachtig te luisteren. Ineens springt hij dan op zo´n gang en vaak heeft hij dan een eekhoorn te pakken. Met huid en haar worden ze verslonden.  

Een van de laatste dagen die we in het park doorbrengen is ook de meest spannende. We rijden op een sukkelgangetje over de weg. Ineens zie ik een hert in het water staan. “PJ, stoppen!”. We weten nu dat een hert in het water betekent dat ze is achternagezeten. Ik klim op het dak van de camper en zie dat ze gewond is aan haar rechterschouder. Een flinke lap huid hangt naar beneden.
“Dit beest is aangevallen door een wolf, PJ. We moeten hier blijven wachten, want er gaat vast iets gebeuren”.
Ik heb het nog niet gezegd of een wolf komt tevoorschijn vanuit de rivierbedding!
“Het is de alfa mannetje van de Druïde roedel”, roept PJ uit.
De wolf begint recht op ons af te lopen, maar wordt dan ontdekt door een kudde bizons. Twee vrouwtjes hebben net een kalfje gebaard en zien de wolf als een bedreiging. De hele kudde rent op de wolf af en stuurt hem in een andere richting. De wolf blijft op een heuveltje nog even naar ons kijken en verdwijnt dan. Het hert staat met grote ogen in de rivier en verzet geen stap.
“Ik denk dat de rest van de roedel er nog steeds is. Ze zitten vast net achter die hoge rivierbedding en wij kunnen ze niet zien.”, zeg ik.
We blijven de rest van de middag naar het gewonde hert staan staren. En er gebeurt niets. Tja, soms verloopt het niet zoals wij denken.
We rijden terug naar de Lamar vallei en spreken de wolvenmensen. Rick en zijn volgelingen gaan er meteen naar toe. Rick ontvangt geen signalen, dus er zijn geen wolven in de buurt. We blijven er tot het donker wordt en er gebeurt weer niets. Het hert blijft maar in het ijskoude water staan. 

De volgende morgen staan we allemaal vroeg paraat. Rick probeert de wolven te vinden en is in een andere vallei. Met zijn telescoop ziet Rick dat de Druïde roedel ligt te slapen. Na een half staan ze op. Via de radio laat Rick ons de vorderingen van de groep weten.
“Ze komen over de heuvel, jullie kant op!”
Wij staan allemaal klaar met onze camera’s en telescopen. Mijn hart klopt in mijn keel. De hele middag naar een gewond hert staren in de hoop dat er iets gebeurt, is spannend. Maar weten dat een roedel wolven op het punt staan een gewond hert te bezoeken, laat de adrenaline door mijn lichaam gieren. De grijze leider (alfa) en een eenjarige zwarte wolf steken de weg over. Maar dan komt er een auto langs die de andere vier wolven ziet staan en hij stopt (zouden wij ook doen). De wolven durven nu de weg niet over te steken en blijven dralen aan de andere kant van de weg. De alfa komt bij de rivier en springt in het water. Het hert stuift weg en klimt aan de andere kant de wal op. De wolf zwemt door het water en volgt het hert de wal op. Het hert springt weer in het water, de wolf volgt haar weer en ze wordt nu recht in de bek van de zwarte wolf gestuurd. Als de hele roedel er geweest was, was dit een goede tactiek geweest. Maar deze eenjarige wolf heeft geen idee wat van hem verwacht wordt. Hij kwispelt met zijn staart en rent op en neer langs de rivierbedding. Het alfa mannetje blijft het een aantal keren proberen, maar het hert ontkomt steeds weer. De wolf gaat liggen uithijgen op de kant en het hert staat weer in het midden van de rivier. Ineens brengt ze een hartverscheurende hulpkreet uit. Ik krijg tranen in mijn ogen. Ik heb me verheugd om voor het eerst een hert gedood te zien worden door wolven, maar ik heb niet gerekend op geluiden. Op de televisie laten ze dit wel zien, maar meestal overstemt de muziek de jachtgeluiden. Ben ik wel klaar voor een kill? Ik knipper mijn tranen weg en hoop diep in mijn hart dat er niets gebeurt. De alfa besluit te vertrekken en de zwarte wolf volgt hem op zijn hielen. Ik denk dat de andere vier wolven vanavond een flinke uitbrander krijgen. 

De rest van de middag en de avond blijven we bij het hert. Ze komt uit het water en begint te grazen. Daarna gaat ze op de kant liggen. Ze legt af en toe haar hoofd neer.
“Is ze dood aan het gaan?”, vraag ik een professionele filmer.
“Nee, volgens mij is nog wel sterk”
Het wordt donker en we moeten het park uit.
De volgende morgen zijn we er al voor zonsopgang.
Tot onzer aller verbazing is het hert weg. We hadden een levend hert verwacht, een dood hert of een paar wolven knagend aan een karkas, maar er is helemaal geen hert. Niemand begrijpt er iets van. We zoeken de buurt af naar het gewonde hert, maar ze is echt verdwenen.

Pas twee dagen later wordt dit mysterie opgelost door de filmer. Hij is de rivierbedding af gaan zoeken en heeft haar toch gevonden. Op precies dezelfde plek waar we haar die avond hadden achtergelaten, is ze gepakt door de wolven. Ze hebben haar in een nacht tot op het bot gestript. We hebben gezocht naar een karkas, niet naar een hoopje botten. Een bioloog onderzoekt de restanten en ontdekt dat ze slecht beenmerg in haar botten gehad. Dus ze was al ten dode opgeschreven. 

We hebben in totaal 3000 kilometer gereden en dat terwijl er maar ongeveer 100 kilometer van het park open was.  

We rijden terug naar Utah en stappen een week later op het vliegtuig naar huis. Een maand vol bezoekjes aan familie en vrienden, een trouwerij, dokter- en tandartsvisites. De huurders van ons huis willen graag een contractverlenging en tekenen voor nog een jaar. Tot juni 2005 zitten wij gebeiteld!

Het is echt de laatste keer dat wij de USA via Chicago binnenkomen! Na vier hectische maar wel leuke weken in Nederland vliegen we op 3 juni naar Chicago. Bij immigratie worden we er, net zoals vorig jaar, weer uitgepikt. De beambte ziet zoveel stempels in onze paspoorten, stelt een paar vragen en luistert niet naar de antwoorden en vindt het gemakkelijker om ons gelijk uit de rij te halen. Meteen worden onze vingerafdrukken en foto’s genomen. Daarna moeten we weer een uur wachten in een aparte ruimte. Er lopen een paar aardig uitziende beambten rond en een kattige vrouw. Ik denk haar te herkennen van vorig jaar. Natuurlijk wordt mijn naam opgenoemd door de desbetreffende dame. PJ mag, net zoals vorig jaar, op de bank blijven zitten. Dit keer wordt ik niet apart genomen in een kamertje, maar moet ik plaatsnemen in een ruimte met vier bureaus, waar ook andere immigratiebeambten zitten.Het verhoor verloopt net zoals vorig jaar.Terwijl de dame met handschoenen aan door mijn tas rommelt, begint ze: “Ik begrijp niet hoe jullie je kunnen veroorloven zo lang door Amerika te reizen”. In plaats van vragen te stellen, maakt ze alleen van die losse opmerkingen. Ik probeer haar uit te leggen dat ons regelmatige basisinkomen uit de verhuur van ons huis komt. Daarnaast werken we als we in Nederland zijn.
“Ben je homeless?”.
“Nee, we hebben in Utah een pick-up truck en camper staan en daarmee reizen we door het land.”
Volgens haar is het onmogelijk om van de huuropbrengst van ons huis te leven. Ik vertel haar dat wij van zo’n 30 dollar per dag rond kunnen komen.
“Dat kan niet!”.
Ik probeer haar uit te leggen dat we een heel dik boek hebben die vol staat met gratis campings in de USA.
“Daar heb ik nog nooit van gehoord, laat mij dat boek maar eens zien”.
“Dat ligt natuurlijk in de camper”.
Ze gaat verder door de inhoud van mijn tas en vraagt waar mijn portemonnee is.
“Ik heb geen portemonnee, mijn man heeft er een”.
“Ga je dan nooit eens winkelen?”.
“Jawel, maar dat doen we altijd samen”.
Het gesprek gaat weer helemaal de verkeerde kant op, maar ik laat me dit keer niet gek maken. Vorig jaar werd ik van de agressieve manier van verhoren zo kwaad, dat ik bijna in tranen uitbarstte. Nu reageer ik laconiek. Vorig jaar hadden ze ook geen reden om ons te weigeren en kregen we van de baas van de kattige beambte toch een 6 maanden visum. Ik verwacht dat dit nu ook weer zal gebeuren en waarschijnlijk straal ik dat ook uit.
“Heeft u mij vorig jaar ook geïnterviewd?” (ik gebruik bewust het woord verhoren niet).
“Nee”, zegt ze kattig. “Ik had je arrogante houding zeker herinnerd”.
“Zou je het niet eens nakijken in mijn dossier, dan kun je lezen dat jullie vorig jaar precies hetzelfde gezegd hebben en dat we toen ook het land in mochten”.
“Dat ga ik zeker doen”.
Het vervelende is dat de rest van de beambten er zich ook mee gaan bemoeien. De ene vraag is nog niet gesteld en beantwoord door mij als de volgende alweer een vraag stelt.
In onze portefeuille vindt ze kortingskaarten van allerlei supermarkten.
“Hoe heb je deze kunnen aanvragen?”.
“Nou gewoon een formuliertje invullen en dan krijg je een kaart” antwoord ik verbaasd.
“Dan moet je ook een beroep en je werkgever invullen!”.
“Niet waar”.
“Wel waar!”.
Ik wordt nu bijna boos, want ze zit me weer gewoon voor leugenaar uit te maken, terwijl je echt heel gemakkelijk deze kaarten kunt aanvragen.
“Het zijn geen creditkaarten, maar kortingskaarten” breng ik uit.
De ene na de andere rare opmerking wordt gemaakt en vraag na vraag word me gesteld.
“Dus je hebt familie wonen in West Yellowstone? Dan doe je daar zeker schoonmaakwerk?”.
“Is je familie Mormoon?” (Waar heeft dat nu mee te maken?)
“Ik zie dat je een lidmaatschapkaart van de bioscoop hebt. Dus je hebt geld om naar de film te gaan”. (in haar handen heeft ze een Nederlandse videotheekkaart, die we al vijf jaar niet meer gebruikt hebben)
Ik blijf ze laconiek beantwoorden.  

Na een half uur heeft de bitch eindelijk door dat ze ons niets kan maken, maar dat kan ze toch niet hebben. Ze geeft mij een vier maanden visum. Haar motivatie is dat ik niet genoeg geld uitgeef in Amerika, dus geen recht heb zo lang in Amerika te verblijven. Dat vind ik eerlijk gezegd wel grappig gevonden. Na een minuut  of tien wordt PJ’s paspoort gebracht en hij heeft een visum van zes maanden gekregen! Ach, daar vinden we vast wel een oplossing voor. We zijn gelukkig nog ruim op tijd voor onze aansluiting naar Salt Lake City.  

Mijn achterneef Steve komt ons ophalen van het vliegveld en brengt ons naar Layton, waar onze camper geparkeerd staat op hun oprit. Helaas is mijn achternicht Jayne tegen de achterkant van de camper opgereden en zit er een fikse deuk in de bumper.
Tja, dat is de prijs die we betalen voor gratis opslag van de camper. 

In onze koffers vinden we een briefje van de douane, waarin uitgelegd wordt dat ze steekproefsgewijs koffers hebben opengemaakt en geïnspecteerd. Ze hebben ‘toevallig’ alle drie onze koffers eruit gepikt. “Wij hebben het slot van uw koffer opengebroken, het kan zijn dat het slot nu kapot is. Het spijt ons erg dat we dit hebben moeten doen, maar we zijn niet aansprakelijk voor de schade. Het is handiger als u in het vervolg uw koffers niet afsluit tijdens het reizen.” Blijkbaar hebben ze niets gevonden dat niet door de beugel kan en kunnen we de 30 pakken hagelslag bij mijn familie afleveren.  

De volgende dag rijden we naar de Dodge garage voor een kleine beurt. Helaas heeft de medewerker niet door dat onze camper te hoog is voor de ingang van de garage en rijdt hij een krat op het dak kapot. Hun deur is hierdoor geforceerd, maar dat kan ons niet veel schelen. Jayne heeft al een afspraak voor ons gemaakt voor de APK keuring, dus aan het eind van de dag zijn we klaar om naar het noorden te rijden. We vinden dat we nu wel genoeg pech gehad hebben, dus we verwachten dat de rest van de reis voorspoedig zal verlopen!

De eerste avond in de USA wordt ineens de laptop zwart. Er valt niets meer mee te doen. De harde schijf is gecrasht. Drie maanden onze virusscan niet kunnen updaten eist nu zijn tol. We hebben met de floppy’s in en uit de internetcafé’s een virus of worm binnengehaald! We gaan bij mijn nicht Diana langs en haar partner Randy weet wel iemand die er naar kan kijken. Helaas gaat het toch niet zo soepel en eindigen we met een schone laptop, maar zonder onze oude data. Hierdoor zijn we twee weken Mexico foto’s kwijt (ik heb niet zo trouw back-ups gemaakt), mijn dagboek, alle muziekbestanden, de reisverslagen en nog het een en ander. Vervelend, maar nu kunnen we in ieder geval onze digitale fotocamera weer gebruiken.

Op 7 juni komen wee aan in Yellowstone National Park.Dit park is 10.375 vierkante kilometers groot, dat is een vijfde van Nederland! Maar in het park zijn verhoudingsgewijs weinig wegen, slechts totaal 500 kilometer. Dus er is nog veel echte wildernis. 

De eerste dagen in het park vallen ons erg tegen. Het is slecht weer en erg druk met toeristen. We maken veel kilometers en zien weinig dieren. De Lamar-vallei die in april zo barstensvol met herten was, is nu bijna leeg. De meeste herten hebben hun kalfjes gebaard en zoeken het nu hogerop in de bergen. Als we uren op bepaalde plekken zitten te wachten op wolven of beren, komen er ineens wandelende mensen tevoorschijn. Ja, zo hoeven we daar de komende tijd geen dieren te verwachten. 

We willen het bijna opgeven, als we toch een paar goede wildlife momenten hebben. We horen over een paar roofvogelnesten. Roofvogels leggen hun eieren, net zoals de Hollandse merel en koolmees enzo, elk jaar op dezelfde plek. Op deze manier, als je tenminste weet waar, zijn de nesten gemakkelijk te vinden. We fotograferen de nesten van osprey’s (visarend), golden eagles (adelaar), bald eagles (zeearend) en een ravennest op een prachtige locatie. Doordat we op de rand van de ravijnen staan kunnen we vaak van bovenaf in de nesten kijken en zien we hoe de enorme kuikens met wijd opengesperde bekken zitten te wachten op hun ouders. En daarna vliegen de dagen voorbij. We ontmoeten weer een paar nieuwe fotografen en samen zoeken is altijd efficiënter en leuker dan met 1 auto.
We zien ineens veel zwarte beren. Zoals een zwarte beer met twee jonkies die onuitputtelijk met elkaar spelen, zoals alleen jonge dieren dat kunnen. Een coyote (is groter dan een vos, kleiner dan een wolf, met een grijze vacht) loopt langs de weg. PJ gaat vliegensvlug met de camera op de grond liggen en maakt foto’s vanuit een laag perspectief. 

Om half 6 ’s morgens rijden we in de Lamar-vallei in. Meteen zien we een vrouwtjes eland in de rivier staan. Haar pasgeboren jong staat op een kiezelstrandje en kijkt haar vertwijfeld na. Moeder wil blijkbaar de rivier oversteken, maar haar jong volgt niet.
Door hevige regenval en smeltwater is de 30 meter brede rivier hoger en woester geworden. Het water staat tot haar schoft (1.80 m.) en er staat een flinke stroming. Haar kalf komt niet eens tot haar schoft en zal bij het oversteken zeker door de stroming meegevoerd worden. Dit hoeft geen ramp te zijn, mits ze op een juiste plaats oversteekt.
De eland waadt naar de overkant van de rivier en begint te grazen. Het kleintje opent af en toe haar bek, maar door het lawaai van de rivier kunnen we haar niet horen. Na tien minuten komt de elandmoeder terug. Ze snuffelt bemoedigend aan haar jong en begint weer aan de oversteek. Het kalf doet een paar stappen, maar durft echt niet. Moeder laat het nog eens zien. En nog eens. Na een uur zijn ze nog niet verder gekomen. Ze besluit het ergens anders te proberen. Ondertussen staan er zo’n twintig mensen te kijken. Waar de rivier op haar smalst is, stapt de eland in het water. Het jong volgt haar ineens wel. Maar waar de rivier door een nauwe opening geperst moet worden, is de stroming het sterkst. Het kalf heeft nog geen twee stappen in het diepe water gezet, of ze wordt door de rivier meegesleurd! De rivier is hier nog maar tien meter breed met aan de ene kant een rotswand en aan de andere kant de weg. Het water stroomt langs rotsblokken en in stroomversnellingen. Dit jong heeft hier geen schijn van kans! Met een aantal mensen zoeken we de rivier af. Het water kolkt en schuimt en overal steken puntige rotsblokken uit het water. We vrezen het ergste. De eland heeft ondertussen ontdekt dat haar jong verdwenen is en komt weer naar onze kant. Ze klimt de kant op en loopt met grote ogen de oever af te zoeken. Dit is hartverscheurend om te zien. De reactie van de mensen is heel verschillend. Een man gaat uitgebreid de gestresste eland fotograferen alsof er niets gebeurd is. Een vrouw schreeuwt boos naar de eland: “Daar is je baby” en wijst naar de rivier. Een echtpaar zoekt vertwijfeld de rivier af. Twee vrouwen beginnen te huilen. Ik slik een brok in mijn keel weg. Het enorme beest torent boven de mensen uit en loopt heen en weer over de weg. Hoe heeft ze kunnen besluiten om op de meest gevaarlijke plek over te steken? Ineens gebeurt er een wonder: slechts 50 meter van de oversteekplaats komt het jong tevoorschijn! Nat, maar ongedeerd, tenminste ze heeft geen zichtbare botbreuken. Met haar spillepootjes loopt ze op haar moeder af. Die knuffelt haar even en loopt dan over de weg van ons vandaan. Spontaan beginnen een aantal mensen te applaudisseren. Ik knipper een traantje weg. Wat een wonder dat dit goed afgelopen is.

Het nadeel is alleen dat ze nog steeds aan de verkeerde kant van de rivier zijn en de elandmoeder blijkbaar een onweerstaanbare drang heeft om de oversteek te maken. Ik weet niet of elanden een geheugen hebben, maar na deze traumatische ervaring durft het jong vast nooit meer een rivier over te steken. Gelukkig verdwijnen ze voorlopig uit het zicht en zullen we niet weten of de eland het weer gaat proberen.  

We beginnen te merken dat onze tweedehands camper al 13 jaar oud is en de laatste vijf jaar intensief gebruikt is. Na een fikse hagelbui stappen we ’s avonds in bed en komen tot de ontdekking dat het beddengoed aan mijn kant doorweekt is. Het dakluik boven ons bed heeft gelekt. PJ stelt voor dat ik heel dicht op hem kom liggen. Gezellig, maar ik kies er toch voor alles voor de kachel te drogen. Het pedaal van het toilet breekt op een dag af en als PJ hem probeert te repareren breekt er ook een stuk van de toiletbril af. De ventilator in het toilet begeeft het ook nog eens. We besluiten een nieuw toilet en ventilator aan te schaffen.  

Voor het eerst horen we het geluid dat een jong hertenkalfje maakt als ze gegrepen wordt door een grizzlymoeder met twee jongen. Een flits van moeders bebloede gezicht is verder alles wat we te zien krijgen. Ondanks dat de beren niet zichtbaar zijn, komen we al snel in een bearjam, een opstopping van minstens 200 auto’s en schreeuwende toeristen. 
“Wat is hier te zien?”
“Op het moment niets, maar daar ergens in de bosjes zit een grizzlybeer met twee jongen”
De toeristen druipen na een half uur af, maar met nog een paar fanatieke fotografen blijven we in toerbeurt 24 uur(behalve ´s nachts) wachten. Eindelijk is de beer uitgegeten en gaat met haar kroost aan de wandel. Er ontstaat natuurlijk weer meteen een opstopping van auto’s en als de beer de weg oversteekt, kunnen we er nog weinig van zien.
Als het noorden van het park ons echt te druk wordt, rijden we naar het oostelijke gedeelte. Dit blijkt een goede keus, want het stikt hier van de grizzlyberen, in een klein gebied. Ze zijn niet schuw, blijven uren langs de weg grazen en graven naar wortels, het is er niet druk met toeristen en we kunnen gemakkelijk overal naast de weg parkeren.

De eerste morgen zien we meteen een moeder grizzlybeer met twee jongen, die onvermoeibaar met elkaar spelen. Ze bijten in elkaars oren, klauteren over elkaar heen, klimmen in bomen en rennen rondjes. Soms minder dan 30 meter van ons vandaan. We bekijken dit met een handjevol toeristen, nog minder auto’s en twee parkwachters. Zo zou het altijd moeten zijn. We blijven 14 dagen in dit gebied rondrijden en hebben het prima naar ons zin. Om de dieren te kunnen zien, moet je blijven rijden en we maken vaak 200 kilometer per dag. Met die dure dieselprijzen, is dat helaas niet goed voor ons budget. Onze dagen beginnen om 4.45 uur en eindigen om een uur of 8 ’s avonds. Soms rijden we uren rond voordat we de eerste beer zien. Er zijn dagen dat we helemaal geen beren zien. Voor deze hobby moeten we erg veel geduld hebben. We ontmoeten Lyn, een schilderes, die in het park is om inspiratie op te doen. Ze filmt en fotografeert en maakt prachtige schilderijen. We hebben een gezellige tijd met haar.  

We zouden er bijna aan gewend raken, maar naast het vele wild is Yellowstone ook bekend om haar bergmeren, ravijnen, rivieren, watervallen, hete bronnen en 300 geisers. De aardkorst is hier zo dun dat de wereld om ons heen constant pruttelt, steunt en blaast. ’s Morgens vroeg rijden we door grijze stoomwolken die stinken naar rotte eieren. De bloemen schieten uit de grond en wilde lupinen kleuren het gras paars. Gele margrieten, roze en witte bloemen, het wordt steeds kleurrijker om ons heen. 

Op een zaterdagmiddag zien we een paar auto´s staan en een parkwachter stoppen. We rijden er naar toe en zien een ongeveer drie jaar oude grizzlybeer lopen. We stoppen en pakken het statief en de camera.
”Ik hoor een hond blaffen!”, roept PJ uit. En dan hoor ik het ook. Het komt uit de richting van de beer! Er zal toch geen hond losgebroken zijn en achter de beer aan zitten? We zien ineens wie dat geblaf veroorzaakt: een vrouwtjes coyote staat de longen uit haar keel te blaffen. Ze heeft opgezwollen tepels, dus ze voedt nog haar puppies. Probeert ze haar hol te bewaken? Ze rent om de beer heen en nadert hem erg dichtbij. Is ze gek geworden? Als hij haar een zwieper met zijn poot geeft, ligt ze helemaal open. De beer en de coyote verdwijnen achter een paar struiken. Een man naast mij zegt tegen zijn vijfjarig zoontje: “Kijk, die beer en de coyote spelen tikkertje met elkaar”.
“Ja, ja”, denk ik. “Zo kan je de gruwelen der natuur ook aan je kind uitleggen”.
Het is moeilijk te zien tussen de struiken, maar heeft de beer nu vier poten in de lucht? En bijt de coyote hem in zijn billen? Het zal toch niet waar zijn…spelen ze echt met elkaar? Ik kan het bijna niet geloven, maar dit kleine grijs gekleurde beestje speelt echt met die enorme bruine kolos. Ze komen ineens in een opening en de beer en de coyote kijken elkaar in de ogen. De beer gaat op zijn achterpoten staan tegen een kerstboom en pakt met zijn grote klauw een tak die hij voor zijn ogen doet. Daarna valt hij (gierend van het lachen om zijn eigen grapje?) achterover. De coyote rent om hem heen. Wat een unieke gebeurtenis. De foto’s zijn wonderwel goed gelukt, ondanks dat het ver weg was en tussen de bomen en struiken.  

Bij de wasserette komen we Brian tegen, een van de wolvenmensen. We hebben hem vorig jaar voor het eerst ontmoet en hij is een van de weinigen die meteen warm en hartelijk was.
“Is er nog wat gebeurt in de Lamar vallei?” vragen we hem, want wij zijn daar al twee weken niet meer geweest.
“21 is al twee weken zoek”, antwoordt Brian.
Nummer 21 is de leider van de wolvenroedel, die we in april zo mooi in actie gezien hebben met een hert. “We vrezen dat hij dood is. Lang zal de roedel niet zonder alfa leider zijn, want er staan er al twee te dringen om zijn plaats in te nemen”. Ik kan me voorstellen dat de wolvenmensen erg ontdaan zijn van dit nieuws. Ze volgen deze wolf al 9 jaar en dan raak je toch gehecht aan zo’n beest. En hem een nummer geven in plaats van een naam helpt dan echt niet. We nemen afscheid van Brian en beloven elkaar te mailen.  

23 dagen later, 6300 kilometer meer op de teller, rijden we het park uit. We hebben honderden foto’s genomen.  

Op 4 juli vieren we met de familie de 70-ste verjaardag van mijn oom Bill in West-Yellowstone met een barbecue. ’s Avonds wordt er een groots vuurwerk afgestoken vanwege de viering van de ‘4th of July’, onafhankelijksdag van Amerika. Wij monteren alvast de video, dat scheelt straks in Nederland een hoop tijd. We rijden in twee dagen naar de grens van Canada en worden daar wel hartelijk ontvangen.

Reisverslag 8 ( 1 juli – 15 augustus) 

We hebben alweer een tijdje niet van ons laten horen. Op 15 juli zijn we aangekomen in Hyder, Alaska, ons favoriete spookstadje. Het is leuk om al onze vrienden, die we de afgelopen jaren hier gemaakt hebben, weer te zien. We zijn namelijk niet de enige die hier elk jaar terugkomen.
Vijf kilometer verder ligt Fish Creek, de kreek met kuitschietende keta-zalmen. Ondanks de hitte, die al dagenlang aanhoudt, zien we vrij snel een vrouwtjes grizzlybeer met een zes maanden oud jong. We herkennen haar meteen, het is de 7-jarige Brat (=ondeugd) en ze is voor het eerst moeder. Deze beer staat bekend om haar aparte manier van vis vangen: als ze er een vangt, schudt ze haar kop heen en weer en laat de vis vaak weer vallen als ze een beter exemplaar ziet. Haar jong moet niets van het koude water weten en loopt langs de kant met haar mee. Het is schattig om te horen hoe hij in zichzelf mompelt, alsof hij wil zeggen dat het water te koud is, dat hij naar huis wil, hoe ver het nog is en dat hij honger heeft. Net alsof ze met een kind onderweg is.
Na een dag of vijf besluit Brat dat het tijd wordt dat haar jong leert vissen. Ze ‘praat’ hem in de kreek en vangt een vis. Nadat ze de zalm half doodgebeten heeft, laat ze hem in de stroom gaan. De kleine ziet de spartelende vis en gaat er als een reflex achteraan. De volwassen grizzlybeer herhaalt in een uur dit spelletje nog een stuk of twintig keer en eindelijk vangt de jonge beer zijn eerste ‘levende’ vis! Reuze trots laat hij de zalm aan zijn moeder zien, maar zij heeft het veel te druk met vangen van een verse vis. Samen eten ze de laatst gevangen vis op. Vanaf die dag zien we het jong serieus achter de vissen aanrennen en voor zo’n klein beertje is het niet gemakkelijk om die glibberige vissen te vangen.
Verder zien we hoe liefdevol Brat met haar jong omgaat, want zo’n jong beertje is natuurlijk hartstikke speels en mist een broertje of zusje om mee te ravotten. Brat maakt dat helemaal goed en laat hem in haar oren bijten, onder haar door klimmen en uit verstopte hoeken tevoorschijn springen. Regelmatig zien we die twee ravotten in de kreek. 

Een ander tweetal is een vrouwtjes grizzlybeer (Monica) met haar 18 maanden oude jong (Albert). Monica heeft echt te stellen met haar tienerzoon, die slecht naar haar luistert, graag struiken sloopt en erg nieuwsgierig is. In 2001 is langs Fish Creek een 400 meter lang houten platvorm gebouwd, vanwaar we veilig naar de beren kunnen kijken. Maar het platvorm is niet overal even hoog en de architect heeft geen rekening gehouden met nieuwsgierige grizzlyberen. PJ ondervindt dit bijna aan den lijve als op een morgen de tienerbeer probeert op het platvorm te klimmen. De beer heeft zijn kop en zijn voorpoten al op de reling als PJ zich zo groot mogelijk maakt en met veel lawaai de grizzlybeer probeert te verjagen. Op slechts een meter van hem vandaan, knippert de beer niet eens met zijn ogen! Gelukkig kiest de beer er toch voor zich terug te trekken, voordat zijn moeder ontdekt dat haar zoon weer kattenkwaad uit probeert te halen. Verder knaagt Beer Albert op de wegbewijzeringborden, probeert op geparkeerde auto’s te klimmen en vernietigt  iemands reservebandhoes totaal. We hopen dat deze beer, als hij volgend jaar door zijn moeder verjaagd wordt, het alleen kan redden en niet doodgeschoten wordt. 

Een hoogtepunt is twee parende grizzlyberen recht voor het platvorm. Helaas is het al te donker om foto’s te maken. Gelukkig maakt deze nieuwe beer de volgende middag het helemaal goed door te zwemmen in de prachtige groen gekleurde lagune in vol daglicht. 

In totaal zien we elf verschillende grizzlyberen en onze fotoportfolio met grizzlyberen wordt goed gevuld. Toch zien we weinig beren overdag, de meesten komen ’s morgens tussen 5 en 9 en ’s avonds tussen 7 en 10. Toch vermaken we ons wel tijdens de beerloze uren met kletsen en kijken naar de zalmentrek. Het is fascinerend om de zalmen hun nestje in de kiezels te zien maken, kuit te schieten en het mannetje de eitjes te zien bevruchten. Daarna blijven ze nog een week of twee dat nestje bewaken en we zien ze langzaam wegrotten en sterven. Omdat het dit jaar veel minder geregend heeft in dit regenwoud, is het water in de kreek laag en spoelen de dode vissen niet weg. De geur van rotte vis hangt de hele dag om ons heen, maar ook dat went. 

Ranger Regina neemt ons en een groepje op haar vrije dag mee op een fikse wandeling naar een ijsgrot in een gletsjer. De eerste 20 minuten moeten we half kruipend door het struikgewas, maar we kunnen niet klagen, want de oudste medewandelaar is 65. Daarna een steile afdaling van 40 minuten. Het is het allemaal wel waard want de grot is prachtig. Regina wordt door ons beloond met een bbq met (Hollandse) saté, die we nuttigen met uitzicht op een enorme gletsjer. De volgende dag lopen we kreunend van de spierpijn rond.  

Twee jaar geleden hebben we een stapel foto's afgegeven voor de verkoop aan ranger Kathy die ook een Bed & Breakfast runt. Zonder dat we dit wisten heeft ze deze foto's in een souvenirwinkeltje gelegd en tot onze grote verrassing ontvangen we meer geld dan we hier in 5 weken uitgegeven hebben!! We zien meteen dollartekens in onze ogen en nu verkopen we ook cd-rom’s met onze foto's in datzelfde winkeltje (is van de moeder van Regina). 

Van een bevriende fotograaf uit Alaska horen we dat de herfstkleuren van de toendra de laatste week van augustus op zijn mooist zijn. Na 5 weken op dezelfde plek doorgebracht te hebben, zijn we wel even toe aan iets anders. We besluiten om naar  Denali National Park te rijden. Dat ligt hier ruim 2000 km vandaan in midden Alaska. We verwachten begin september terug in Hyder te zijn om het laatste staartje van de beren mee te pakken.

Reisverslag 9 (15 augustus – 15 september 2004) 

Na 35 dagen in Hyder te hebben doorgebracht, besluiten we naar Denali National Park & Preserve te rijden. Dit park ligt hier 2250 kilometer vandaan, dus niet naast de deur. Om er te komen moeten we eerst over de gedeeltelijk onverharde Canadese Cassiar Highway. Vier jaar geleden reden we deze weg voor het eerst, maar niet met z’n tweeën. In Fish Creek hadden we een jong stel uit Utah ontmoet die ons vertelden dat ze op de fiets op weg waren naar Alaska, maar een lift zochten voor de komende 700 kilometer. Spontaan bieden wij hen een lift aan, maar als we hun vervoermiddel zien, blijkt het een tandemligfiets te zijn! Als we hem achterop onze Mercedesbus monteren steekt de fiets aan beide zijden uit. Zo reizen we een dag of vijf met z’n vieren verder. Nu we met z’n tweetjes zijn, reizen we veel sneller en anderhalve dag later rijden we het ‘echte’ Alaska binnen. We hebben al gehoord dat er veel bosbranden zijn in Alaska, want meer dan 2 miljoen hectare staat in brand! Al snel rijden we door een dichte mist, die ruikt naar rook. Het zicht is nog maar een paar meter en we rijden dus tien kilometer per uur. Af en toe zien we vrijwillige brandweermannen, die ze hier zo mooi firefighters noemen. Als we er een zien met een beroet gezicht, komt die brand ineens akelig dichtbij. In het plaatsje Tok lezen we op bulletinborden de laatste informatie over de bosbranden en zien we dat we vlak langs een brandhaard gereden hebben. Vanaf Tok rijden we niet verder over de Alaska Highway naar Fairbanks, maar slaan we af naar Glennallen, want we willen via de old Denali Highway het park bereiken. Dit is niet de snelste route, maar deze onverharde weg gaat dwars door de toendra en dat lijkt ons wel mooi. Helaas wordt ook hier het zicht belemmerd door de rook. Niet meer zo dicht, maar vergezichten hebben we niet. Verder wisten we niet dat het jachtseizoen op de kariboe en eland al is begonnen, dus wild zien we ook niet. Wel veel jagers die langs de weg kamperen en op gemotoriseerde vierwielers het land afzoeken.  

Op zondag komen we in Denali National Park aan. Als de rook even optrekt zien we Mount McKinley, de hoogste berg van Noord-Amerika (6193 meter). Dit is vrij uniek, want ‘de berg’, zoals hij door de lokalen wordt genoemd, is in de zomer gemiddeld maar zeven dagen per maand zichtbaar. Wij blijven 10 dagen in het park en zien de berg twee keer. Dit park is gigantisch groot (bijna een miljoen hectare), maar er is slechts één weg en die is in verhouding ‘maar’ 135 kilometer lang. De eerste 22 kilometer is geasfalteerd en voor iedereen toegankelijk. Wil je meer van het park zien, moet je een bustour boeken. Dit hebben we drie jaar geleden gedaan en is prijzig. Sinds dit jaar weten we dat er een goedkopere manier is om het park te zien.  Op 45 kilometer in het park ligt een camping. Boek je tenminste drie nachten camping, kun je voor twee tientjes een busabonnement kopen, waarmee je op elke bus kunt stappen – mits er plaats is – en op en neer door het park kunt reizen. Wij boeken 7 nachten camping en de prijs van het busabonnement blijft dan gelijk. Zo wordt een langdurig bezoek aan het park ineens betaalbaar. Grappige bijkomstigheid is dat je om op de camping te komen, toch zelf door het park mag rijden, maar absoluut niet verder dan de Mile 29 van de camping.  

We besluiten op maandag naar de camping te rijden (we zien onderweg helaas geen wild) en dezelfde middag nog op de bus te stappen. We zorgen dat we allebei een raamplaats hebben aan allebei de zijden van de bus. Omdat we maar 1 fototoestel hebben, spreken we af dat degene die het dier aan zijn/haar kant heeft, de foto’s mag maken. Dit gaat een tijdje goed, totdat ik een Dall Sheep (een ram met gekrulde horens) sta te fotograferen die prachtig poseert bij een afgrond en het fototoestel niet wil afgeven aan PJ, die een ram nog geen vijf meter van hem vandaan heeft. Maar over het algemeen gaat onze afspraak goed. In totaal gaan we tien keer met de bus en maken we zestig busuren. Geen wonder dat we zoveel gave momenten meemaken. Zoals de vier wolven puppies die de bus wel heel dicht naderen en naar elkaar beginnen te huilen. Of de grizzlybeer die voor de bus de weg opstapt en zeker een kilometer voor de bus uit blijft lopen. Het wild heeft hier voorrang, dus de bus mag hem niet inhalen.

We zien in de verte twee wolven die net een ram hebben neergehaald en nog liggen uit te hijgen. Of de twee rammen die vlak bij de bus elkaar beginnen uit te dagen en hun horens in elkaar klikken en dit minutenlang volhouden. We zien sneeuwhoenders die langzaam in hun witte winterverenpak komen, beginnend bij de veren over hun klauwen. Voor het eerst zien we een paar kariboes (de kleinere neef van de rendier) met indrukwekkende geweien. In deze periode zijn de meeste hoefdieren op hun mooist, want de bronsttijd gaat beginnen en er moet indruk gemaakt worden op de vrouwtjes. De geweien zijn in hoog tempo uitgegroeid en de vachten zijn vol en diep van kleur.
De natuur begint er ook langzaam op zijn mooist uit te zien. De herfstkleuren gaan van alle tinten groen, oranje naar rood en roze. Jammer dat de rook ook hier zijn stempel op drukt. We hadden wel gehoord van de bosbranden in Alaska, maar we hadden niet verwacht dat een brand hier 500 kilometer vandaan (ten noorden van Fairbanks) zoveel invloed zou hebben. Soms rijden we met de bus in een witte wolk en hebben we helemaal geen zicht. Maar als de wind de rook verdrijft, ziet het land er fantastisch uit met ruige bergen, kleine kerstboompjes, en lage gekleurde struiken.
Als klap op de vuurpijl zien we tijdens onze allerlaatste busrit slechts een paar kilometer van onze camping zelfs een lynx! Deze wilde kat steekt vlak voor de bus de weg over en kijkt zelfs nog even om. Op de foto’s is helaas alleen het koddige stompe staartje en het silhouet van de oren met plukjes te zien. Natuurlijk maakt of breekt de buschauffeur vaak de rit. Sommige chauffeurs geven onderweg interessante informatie, anderen kletsen je de oren van het hoofd met allerlei onzin. De ene chauffeur blijft geruime tijd bij een dier geparkeerd staan, de andere vindt een minuut al lang en doet niet eens de motor uit. Als we na vier ritten de ideale chauffeur vinden, plannen we onze dag rond zijn ritindeling. Totdat Roy aan zijn vrije weekend toe is en we overgeleverd zijn aan willekeurige chauffeurs.  

Als we terug naar het begin van het park rijden, komen we onze ‘fossiele’ vrienden Bob en SueAnn uit Colorado tegen. We wisten dat zij in dezelfde tijd in het park zouden zijn en hebben een bericht voor hen achtergelaten bij het bezoekerscentrum dat wij alvast op de camping zijn gaan staan. Helaas hebben zij dit niet gelezen en gedacht dat wij onderweg opgehouden waren. Jammer! Het is voor Bob en SueAnn ook de eerste keer dat zij zo laat in het seizoen nog zo noordelijk zijn. Normaal moeten ze in september voor de klas staan, maar nu zijn ze allebei met pensioen.
De eerste 22 kilometer van het park is een perfecte omgeving voor bronstige elanden en daar hebben Bob en SueAnn zich de afgelopen week mee vermaakt. We gaan gevieren op zoek naar deze enorme dieren, die zich wonderbaarlijk goed kunnen verstoppen in het toendralandschap waar de kerstbomen sporadisch zijn en niet hoger dan een meter of drie. We vinden een pracht exemplaar die nog midden in het vervelproces is. Het gewei van een eland bestaat uit keratine en is bedekt met een laagje fluwelen huid met veel bloedvaten die de keratine voedt. Elke winter valt het gewei af en begint meteen opnieuw te groeien en kan in augustus bij oudere dieren uitgroeien tot een diameter van 1.80 meter! Het laagje huid gaat dan irriteren en de eland schuurt het eraf door langs stuiken en boomschors te schuren. Dit kan er erg bloederig uitzien. Bij het dier dat wij vinden, hangen aan de punten van zijn gewei de laatste resten huid.  Als hij besluit de weg over te steken, zien we pas goed hoe hoog hij op zijn poten staat. Het lijkt wel of de elanden weten dat zij in dit korte stukje park veilig zijn voor jagers, want de dieren verzamelen zich in grote getale en we zien binnen een uur wel drie mannetjes, 5 vrouwtjes en een tweeling kalfje. We maken mooie foto’s van deze indrukwekkende dieren. De nachten zijn koud en overdag is het net boven het vriespunt, maar als we ons dik aankleden is het goed te doen. Na tien dagen Denali gaan we tevreden weer op weg. Onderweg slaan we nog ‘even’ af naar de Haines Highway naar Haines, een doodlopende weg van 250 kilometer, op zoek naar grizzlyberen.

Die vinden we net even buiten Haines, in de Chilkoot Rivier. Vier dagen lang zien we hier elke morgen een grizzly met een anderhalf jaar oude DRIELING en twee grizzlies met zeven maanden oude tweelingen. Tegelijkertijd! Dat verschilt wel met Fish Creek waar we bijna nooit meerdere beren tegelijk zien. Verder vermaakt PJ zich met visarenden die hier op de resten vis afkomen. Hyder is hier hemelsbreed nog maar 500 kilometer vandaan, maar helaas kan onze pick-up niet over water rijden en moeten we eerst nog 1650 kilometer omrijden voordat we daar zijn. 

Terug in Fish Creek is de geur van rotte vis overweldigend. Er is veel te weinig regen gevallen in dit noordelijke regenwoud en het water in de kreek staat erg laag. De vissen hebben zich tot hopen opgestapeld in plaats van dat ze terug naar zee gespoeld zijn. Vrijwel alle oude bekenden van ons zijn vertrokken. Bob en SueAnn zijn ook weer terug uit Denali. Wij zijn slechts een keer eerder zo lang gebleven. Wel merken we dat in september ook een vaste kern toeristen de kreek bezoeken. Zo ontmoeten we Dirk en Conny uit Ouderkerk aan den IJssel, die de afgelopen tien jaar hun zomervakantie in Amerika doorgebracht hebben en Fish Creek al voor de derde keer bezoeken.

We blijven vier dagen en ons geduld wordt beloond met drie prachtige momenten. Allereerst is het na vier weken terugzien van de bekende beren een feest. Ze zijn uitgegroeid tot echte grizzly’s en zitten dik in hun vacht en vet. Grizzlybeer Monica zwemt met haar 18 maanden oude jong de lagune en Fat Albert daagt haar uit tot een partijtje worstelen in het water. Een prachtig gezicht zoals die twee dit waterballet uitvoeren. De volgende morgen gaat het jong uitgebreid jeuken aan een houten elektriciteitspaal. We zien meteen dat hij flink gegroeid is. Als zijn moeder al weer in het bos verdwenen is, begint hij als een klein kind geluiden te maken en haar te roepen. Monica moet hem helemaal komen halen en samen lopen ze over de weg langzaam uit het zicht.
Ik wil dolgraag beer Brat en haar 7 maanden oude jong Aussie Jr. terugzien. Ze laat lang op zich wachten, maar op de ochtend van ons vertrek geeft ze ons een onvergetelijk afscheid. Eerst beginnen ze weer te stoeien en de kleine gaat op zijn rug met vier poten in de lucht en zij houdt hem met een enorme poot op de grond. Ze bijten in elkaars oren, sabbelen op poten en af en toe zien we alleen een kluwen bont en her en der wat grote en kleine poten. Daarna lopen ze samen over de weg en wij zijn gauw in onze camper gaan staan en kunnen dit van heel dichtbij filmen en fotograferen. En dan komen ook zij langs de bekende krabpaal en ook dit jong gaat uitgebreid zijn rug jeuken. Daarna lopen ook zij over de weg langzaam uit het zicht. Een mooier afscheid van onze favoriete dieren hadden we niet kunnen bedenken.

We zeggen gedag tegen de rangers, Bob en SueAnn en gaan richting het zuiden. Onderweg stoppen we even bij Hannah Creek om de knaloranje kuitschietende sockeye zalmen te bekijken en dan steekt een grizzly met DRIE 18 maanden oude jongen de weg over! Onze reis kan echt niet meer stuk.

Reisverslag 10 (3 november – 11 december 2004)

Na een bliksembezoek aan Nederland komen we op 3 november terug in de USA. Natuurlijk zijn we zenuwachtig, maar we hebben bewust voor een vlucht over Minneapolis gekozen, in de hoop dat we daar wel met open armen ontvangen worden. En dat gebeurt ook! Zonder problemen komen we het land binnen en krijgen een visum voor 6 maanden. Daar zullen we geen gebruik van maken, want we verwachten binnen een maand in Mexico te zijn.  

We worden opgehaald door mijn achternicht Jayne, die tussen neus en lippen vertelt dat er vloerverwarming in haar huis gelegd wordt. We hebben nog last van jetlag, dus het nieuws komt niet echt binnen. Totdat we hun huis binnenstappen dat van onder tot boven op zijn kop staat. De hele familie eet en slaapt bij opa en oma en wij kunnen niet eens even op de bank zitten. Om zeven uur vallen we bij het geluid van een elektrische tegelsnijder om van de slaap en worden we om vier uur ’s morgens alweer wakker. Om 7 uur ’s morgens ontvluchten we deze chaos en gaan bij mijn andere nicht Diana en Randy logeren. Ook hier vallen we met onze neus in de boter: Diana heeft haar heup gebroken en loopt op krukken door het huis te strompelen. Zo kunnen we haar mooi een handje helpen. Door dit ongeval komen we ook wat meer te weten over het verzekeringssysteem in Amerika. Omdat Diana eigen baas is (makelaar) heeft ze geen ziektekostenverzekering, want die is onbetaalbaar! Gelukkig hoefde ze na het maken van de röntgenfoto’s niet in het ziekenhuis blijven, anders was ze meteen bankroet geweest. Raar systeem hoor.
De moord op Theo van Gogh haalt de Amerikaanse kranten. Mijn neef Gary (31) zegt dat er een uitgebreid stuk in de krant staat. Ik zoek het op en kijk er drie keer overheen. Voor Amerikaanse begrippen is een regel of achttien een uitgebreid verslag, normaal haalt het buitenlandse nieuws niet meer dan vijf regels.
Verder haalt de brand bij een Rave party en de branden in islamitische scholen het journaal. Nederland staat eindelijk op de kaart, jammer genoeg alleen met slecht nieuws. 

Om ons helemaal voor te bereiden op onze trip naar Midden-Amerika laten we een alarmsysteem inbouwen in de auto. Randy belt wat rond en vindt de goedkoopste aanbieder. Verder gaat de inhoud van camper helemaal van top tot teen door onze handen. De meeste winterkleren laten we achter bij Diana en Randy. En dat is een koffer vol. Nadat we de foto van mij in de sneeuw in Colorado versturen, krijgen we van Diana een e-mail: ‘Ik heb in de kelder nog een koffer met kleding staan, die je vast zullen passen. Moet ik hem opsturen?” Ook laten we de airconditioner van de pick-up maken. Die is al sinds vorige keer Mexico kapot en we vonden het niet nodig hem te laten maken, omdat we toch de zomer in Alaska zouden doorbrengen. De auto krijgt een grote beurt en zes nieuwe banden.  

Zondag poten we tulpenbollen in de tuin, terwijl Diana met haar kruk aanwijst waar zij ze wilt hebben en de volgende dag vertrekken we naar Colorado.  

We rijden over de snelweg en het begint een beetje te sneeuwen. Tot onze stomme verbazing is de Vail Pas gesloten. Deze is dik 3000 meter hoog, maar zo slecht kan het daar boven toch niet zijn? We parkeren de camper in het zicht van de snelweg en luisteren naar de radio. Er is een ongeluk gebeurt en over een uurtje zal de weg weer worden vrijgegeven. We zitten warm en droog in de camper, doen een kaartspelletje op de computer, eten een kopje soep, kunnen naar de toilet en kijken naar de rij auto’s en vrachtwagens die langer en langer wordt. We hebben niets te klagen.
Tegen de tijd dat de weg werkelijk opengaat is het 6 uur en pikkedonker. In de sneeuw rijden we verder. Na een halfuur vinden we op pashoogte een parkeerterrein. Overnachten is er verboden, maar we wagen het er maar op. De sneeuw blijft gestaag vallen en als we ’s morgens wakker worden is er 15 centimeter gevallen. We spelen wat in de sneeuw en glibberen dan de snelweg op.  

Pas rond lunchtijd komen we in Longmont (vlakbij Denver) aan, waar we onze fossiele vrienden Bob en SueAnn bezoeken. We vergelijken de foto’s van deze zomer, we zijn tenslotte constant samen op dezelfde plekken geweest. We helpen Bob met zijn computer. Digitale fotografie is een ding, maar je moet ook wel met een computer overweg kunnen. PJ heeft hartstikke kiespijn en we gaan bij een tandarts langs. PJ is twee dagen geleden zelf al met een antibioticakuur begonnen. De assistente maakt een röntgenfoto en de tandarts beoordeelt hem. “Het ziet er inderdaad naar uit dat je een ontsteking had en die antibioticakuur is een goede beslissing. Die begint al te werken. Laten we er verder nu maar even niets aan doen. Dat is dan $67,-. Graag contant afrekenen alstublieft”. 

Vanuit Denver rijden we naar ons volgende logeeradresje. In Durango wonen Eileen en Sean (door ons Sjonnie genoemd) waar we afgelopen winter een paar weken mee door Mexico gereisd hebben. Hun honden Dinero en Misha hebben maar een paar tellen nodig om ons te herkennen. De pakken hagelslag en chocoladeletters worden gretig in ontvangst genomen. We kletsen gezellig bij en daarna wordt er natuurlijk gekaart. En Eileen en Sjonnie kunnen hun score nog steeds in het Nederlands zeggen! Sjonnie heeft vorige weekend een wapitihert geschoten en voor het avondeten krijgen we hertenbiefstuk. We beginnen steeds meer te wennen aan dat Amerikanen op wild jagen. We begrijpen dat de wildstand af en toe aangepast moet worden, maar natuurlijk blijft het onzinnig dat er nog steeds op beren gejaagd mag worden.
De volgende dag krijgen we van Sjonnie les in pottenbakken. Als je hem voor het eerst ontmoet, zou je denken dat hij bijvoorbeeld bouwvakker of automonteur is. Dit komt niet alleen door zijn postuur, maar ook door zijn grote mond. Nooit verwacht dat hij zo iets creatiefs en delicaats als pottenbakker zou zijn! Het is leuk om hem aan het werk te zien achter zo’n draaiplateau en een paar kommen en een waterkan te zien ontstaan.

Wij mogen ook met klei aan de slag, maar ik wil meteen op de gevorderdenklas: met de draaischijf. Na een misbaksel begin ik het een beetje onder de knie te krijgen en ik ‘draai’ twee schaaltjes. PJ heeft jammer genoeg nog steeds last van kiespijn en wil in Albuquerque nog eens naar de tandarts. Na het gezellige weekend vertrekken we op maandag. We drinken nog even koffie met Sjonnie en mogen de handgemaakte mokken houden.

Ons volgende logeeradres is in Albuquerque. Daar woont achterneef Marty, zijn vrouw Tammy en hun vijf zoontjes. Hier wordt een grote zak kruidnootjes en een zak taai-taai soldaat gemaakt. Natuurlijk kunnen ze niet wachten tot wij kipsaté met pindasaus voor ze maken. Het bezoek begint bijna routine te worden, maar toch ontdekken we hier iets nieuws. We worden meegenomen naar een ijssalon. Naast de bekende smaken zoals vanille, chocola, banaan of aardbeien kun je hier ook kiezen uit witte chocola, cakebeslag ijs, pompoenijs (dat is een groente) en cheesecake-ijs. PJ en ik delen een ijsje en kiezen voor dat laatste. Maar dan ben je nog niet klaar. Op naar de volgende balie waar je kunt kiezen uit allerlei toevoegingen, zoals vruchten, caramel of chocoladesaus, maar ook gummibeertjes, kruimelbodem of chocoladekoekjes kruimels. De keuze is echt onbeperkt en je mag er ook van alles tegelijk in laten stoppen. Nadat ik gekozen heb voor de kruimelbodem wordt dat handmatig door het ijs gemengd en het resultaat is heerlijk, maar erg duur. O ja, PJ heeft eindelijk geen kiespijn meer, dus slaan we een bezoek aan de tandarts over.

Na een paar dagen gaan we dan echt op weg naar Mexico. We stoppen nog even bij Bosque Del Apache Wildlife Refuge, waar we vorig jaar mooie foto’s van de kraanvogels hebben genomen. Nu zijn er 3100 kraanvogels geteld, 350 Canada ganzen en wel 31.500 sneeuwganzen! Ik maak een leuke actiefoto van een stuk of duizend opvliegende sneeuwganzen.

Nog even in de bibliotheek de laatste e-mails versturen en lezen, voordat we morgen de grens overgaan. En dan komt de domper. Het is weer hommeles in Guatemala. Toeristen zijn het mikpunt en recentelijk is twee keer een Nederlandse toerist vermoord. Na een maand of vier is eindelijk ook de Amerikaanse website bijgewerkt en dan blijkt dat er de afgelopen maanden veel toeristen het slachtoffer zijn geworden van overvallen. En dan niet in afgelegen gebieden, maar gewoon ook in de toeristische trekpleisters.
Ons besluit is snel genomen: we gaan niet door Guatemala. Dat betekent wel dat ons hele reisplan meteen in duigen valt, want dan kunnen we dus ook niet naar Costa Rica. Daar ben ik wel verdrietig om, want ik had me er erg op verheugd. Voor PJ is het een opluchting, want hij had al een hard hoofd in de reis door Guatemala. Wat nu verder? Gewoon volgens plan morgen naar Mexico en dan zien we wel verder. In dat land kunnen we ons vast wel de hele winter vermaken, er is nog genoeg dat we nog niet gezien hebben. We slapen vlak bij de grens op het parkeerterrein van een supermarkt en gaan de volgende dag op tijd de grens over.

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA