Reisverslag USA, Canada en Alaska 2007

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA

16 mei - 8 juni 2007

We zijn weer op reis!  

Zes maanden waren we in Nederland om ons banksaldo te spekken en familie en vrienden te zien. Helaas had onze huurder besloten na vijf jaar het huurcontract niet meer te verlengen. Daardoor konden we per 1 december weer in ons eigen huis wonen en dat was hard nodig, want er was veel achterstallig onderhoud.

Maar ook nu het huis alweer een half jaar op de markt staat, is het nog steeds niet verhuurd en dat is wel een financiële tegenvaller voor ons. We vertrekken toch en als we Yellowstone onze e-mal checken horen we dat er vanaf 25 juni ons huis voor een half jaar verhuurd is aan een bedrijf dat verpakkingsmaterialen fabriceert. In ons huis zullen twee projectleiders wonen, een Duitser en een Engelsman. Dat geeft ons weer een beetje speelruimte.

Woensdag 16 mei vertrekken we naar Schiphol om via Philadelphia en Phoenix naar Salt Lake City te vliegen. De achturige vlucht vanuit Amsterdam verloopt voorspoedig. De douane in de USA maakt het ons dit keer niet moeilijk en we krijgen een visum voor zes maanden. Maar Moeder Natuur zit ons wel dwars en het vliegtuig krijgt in Philadelphia geen toestemming te vertrekken naar Phoenix. Helaas staan we dan al op de startbaan en mogen we tweeëneenhalf uur niet rondlopen, van de toilet gebruik maken, krijgen we niets te drinken, kunnen we geen film kijken of naar muziek luisteren. Vanwege dit soort vertragingen heb ik altijd een liter water bij me, maar door de nieuwe strenge regels mag er niets vloeibaars in de handbagage worden meegenomen. Het is echt een kwelling en we zijn gebroken als we pas acht uur later in Phoenix landen.

Ondertussen hebben we ook de aansluiting met Salt Lake City gemist en dit is tevens de laatste vlucht voor die avond. We worden gratis ondergebracht in het Sheraton Hotel en de volgende morgen om 5 uur gewekt om alsnog naar Salt Lake te vliegen. Na een douche schieten we weer in de kleren die al 24 uur gedragen hebben en sommige delen zelfs ’s nachts en we worden weer in een busje naar het vliegveld gebracht. 

Mijn nicht Diana en haar partner Randy komen ons in Salt Lake City ophalen. Het is warm in Utah, 28 graden en de zon brand genadeloos. In hun achtertuin heeft onze camper overwinterd. Natuurlijk hebben we allerlei voorzorgsmaatregelen genomen, zoals antivries in de watertank, de boiler geleegd en zout water in de afvaltanks, maar dat heeft niet kunnen voorkomen dat de watertoevoer naar de toilet gesprongen is. Niet zo verwonderlijk met zulke wisselende temperaturen. PJ heeft een thermometer die de laagste en hoogste temperatuur van de afgelopen maanden geregistreerd heeft; min 17 en plus 30 graden Celsius! Het ruikt muf in de camper en we gaan snel alles luchten. Maar na een half jaar is het wel een vertrouwd gevoel weer in ons campertje terug te zijn. 

We nemen contact op met onze autoverzekeringsmaatschappij, waar we al vijf jaar klant bij zijn. Zoals elk jaar faxen we de nodige documenten naar hen, maar dit keer moet het allemaal anders. Alle informatie moet telefonisch doorgegeven worden! En we kunnen ook niet meer met een creditcard betalen! Niet erg klantvriendelijk van een verzekering die speciaal is voor buitenlanders die met een Amerikaanse auto rondreizen. De agente houdt mij een half uur aan de lijn (mazzel dat we bij mijn nicht bellen) en ik moet lange nummers doorgeven, namen en adressen spellen en allerlei lastige vragen beantwoorden. Belachelijk!
Een van haar vragen is of wij op de leeftijd van 18 ons rijbewijs ‘gekregen’ hebben. Ik moet op mijn tong bijten om niet te zeggen dat in Nederland een rijbewijs behaald moet worden en geen documentje is dat je bij de melk krijgt, maar ik houd toch maar wijselijk mijn mond. Daarna moeten we vier dagen wachten op een prijsvoorstel en dan zouden we eventueel pas na een week eindelijk verzekerd rond kunnen rijden.

Neef Randy is een echte sjacheraar en belt rond met zijn connecties. Even later heeft hij een agent gevonden die ons wel onmiddellijk kan verzekeren (niet helemaal legaal) en een paar uur later is alles geregeld. We trekken een lange neus naar onze oude verzekeringsagent. Nu moet alleen nog de pick-up truck gekeurd worden, maar dat kan pas na het weekend.
Ondertussen maken we de camper klaar voor vertrek en proberen we alle meegenomen spullen een plekje te geven. Ik ben behoorlijk ontheemd in mijn eigen huisje en weet niet meer waar alles normaal ligt. We hijsen de Nederlandse vlag met als wimpel een plastic oranje klompje met voetbalnoppen.
PJ heeft in Nederland een van onze berenfoto’s als weerbestendige sticker laten afdrukken. Deze is 1.00 bij 1.50 meter! En die plakt hij op de zijkant van onze camper. Het is een beer die we al sinds 2004 fotograferen en Monkeyface genoemd wordt.
Een windhoos trekt door de tuin en tilt Diana’s glazen tuintafel met parasol omhoog en dumpt hem een paar meter verder weer neer. Maar er is niets gebroken. We zien de windhoos verder trekken en hooi dat ligt te drogen op het buurland draait tientallen meters de lucht in. Een spectaculair gezicht.

De volgende dag is ook spannend als een huis in de buurt in de fik vliegt en tot de grond toe afbrand! De oorzaak is waarschijnlijk een weggegooide brandende sigaret in het droge bermgras. Huizen in Amerika worden meestal niet gebouwd van steen, maar van dikke spaanplaten, bedekt met plastic en daar overheen kunststof lamellen. Langer dan een jaar of 30 blijft deze snelle bouw niet staan en het brandt ook als een fakkel.
Na een bezoek aan de garage voor de keuring, zijn we klaar om te gaan. We hebben besloten via de zuidingang naar Yellowstone Nationaal Park te gaan, omdat we in het zuidoosten van het park beren verwachten te zien. Het park is ongeveer een vijfde van Nederland, dus we moeten het park in gedeelten bezichtigen.

Om in Yellowstone te komen, rijden we eerst door het Grand Teton Nationaal Park dat aan de zuidkant grenst aan dit park. Hier fotograferen we in de herfst elanden, maar in dit seizoen hebben we er weinig te zoeken. Maar dan stuiten we ineens op een jam, een grote opstopping van auto’s. Er blijkt in het veld een grizzlybeer met wel drie anderhalf jaar oude jongen rond te scharrelen. En blijkbaar lopen ze al dagen vlak langs de weg, zijn niet mensenschuw en goed te fotograferen. We botsen meteen op twee oude bekenden: vriendin Lyn, die wildlife schildert en fotografeert en catlady Diana, die dit keer haar zes katten heeft thuisgelaten en alleen twee honden in haar busje heeft meegenomen. We kletsen en fotograferen en hebben het weer reuze naar ons zin. De grizzlybeer gaat zelfs midden in het veld op haar rug liggen en zoogt haar grote jongen in het zicht van alle toeristen.

Maar ondertussen voelen we ons wel schuldig, want nog geen uur geleden hebben een e-mail gestuurd naar Marco en Mireille, een stel uit Nederland die met een huurcamper voor een dag of tien in Yellowstone zijn. We hebben met hen afgesproken in de zuidkant van het park bij ‘Fishing Bridge’. Nadat de beer is verdwenen, besluiten we alsnog naar die plek te rijden, maar we komen in een sneeuwstorm terecht en er is geen kip op de weg. We rijden over de pas aan de oostkant het park uit, om daar te overnachten, want de camping is nog gesloten. De temperatuur is ondertussen gezakt naar min 2 en dat is wel een overgang van plus 30 graden Celsius. De weg is besneeuwd en we schieten mooie plaatsjes van de bomen en de weg. ’s Nachts horen we een roedel wolven huilen, wat een fantastisch geluid!  

Ook de volgende dag zien we de Hollanders niet en rijden weer terug naar het Grand Teton park (1 ½ uur rijden). Daar blijkt de berenfamilie al de hele morgen niet gezien te zijn en samen met Lyn rijden we uren rond om hen weer te vinden. Tevergeefs.
Als we een kaneelkleurige zwarte beer aan het fotograferen zijn, worden we voorgesteld aan wildlife fotograaf Thomas Mangelsen en zijn vriendin Sue; goede vrienden van Lyn. Ondanks dat Tom in 1994 door de BBC is uitverkoren tot “Wildlife Photographer of the year”, in 2005 gekozen is tot “100 most important people in Photography”, zijn foto’s geplaatst zijn in o.a. National Geographic en hij al veel fotoboeken heeft gepubliceerd, is het een eenvoudige, aardige man. Als we hem later nog vaker tegenkomen is zijn houding naar ons joviaal en hartelijk. Achteraf begrijpen we wel waarom. Natuurlijk zijn we onder de indruk van deze man, maar we laten niet te pas en te onpas zijn naam vallen en gedragen ons niet anders ten opzichte van hem. Dat moet een verademing voor hem zijn.  

’s Morgens checken we onze e-mail bij een hotel in het park. Draadloos natuurlijk, op het parkeerterrein. Terwijl we dit doen, komt er een e-mail binnen uit Chili, van onze vrienden Gerard en Monique die naar dit land geëmigreerd zijn. Zij hebben zojuist in de Telegraaf op het internet gelezen dat er een man aangevallen is door een grizzlybeer in Yellowstone. Ze schrijven: Een gewaarschuwd mens telt voor twee!Veel plezier in ieder geval en pas goed op!! en sturen de link mee van het krantenbericht. We lezen het volgende:

Grizzlybeer grijpt fotograferende toerist

Een grizzlybeer heeft in het Yellowstone park een fotograferende toerist te grazen genomen. De vijftiger werd zwaar gewond aan het gezicht. Hij moest kilometers strompelen voordat hij andere toeristen tegenkwamen die hem in veiligheid konden brengen. Het slachtoffer vertelde de werknemers van het Amerikaanse park dat hij een beer met jong aan het fotograferen was.

We vertellen dit onmiddellijk aan Lyn en zij is verbaasd dat wij zo up-to-date zijn. Het is gisteren gebeurd en zij heeft het net over de mobiele telefoon van een vriendin gehoord, die in het noorden van het park is. Het blijkt Jim Cole te zijn, een fotograaf met nogal een slechte naam. Hij was de beer al dagen aan het stalken. Dit is bovendien al de tweede keer dat hij is aangevallen door een grizzly! En een paar jaar geleden kwamen wij in aanvaring met een paar parkwachters, die onze auto wilden doorzoeken omdat wij nota bene alleen maar geparkeerd stonden naast deze fotograaf! Hij geeft de fotografen een slechte reputatie. Als we na nog een dag zoeken de berenfamilie nog steeds niet gevonden hebben, besluiten we dan nu echt naar Yellowstone Nationaal Park te gaan.

In de omgeving van ‘Fishing Bridge’ hebben we altijd beren gevonden en ook dit keer is het raak. Het is een beertje dat we al sinds 2004 volgen.  

In juni 2004 schreef ik dit over deze familie: De eerste morgen zien we meteen een moeder grizzlybeer met twee jongen, die onvermoeibaar met elkaar spelen. Ze bijten in elkaars oren, klauteren over elkaar heen, klimmen in bomen en rennen rondjes. Soms minder dan 30 meter van ons vandaan.

In 2005 zagen we het gezinnetje ook. En in oktober 2006 schreef ik dit over hen:
Nog voor we het Yellowstone park uit zijn, zien we eindelijk heel dichtbij een grizzlybeer en PJ maakt de mooiste foto van zijn leven. Dit beertje is er een van een tweeling die we in 2004 en 05 regelmatig gevolgd hebben. Hij is pas drie jaar oud en is deze zomer voor het eerst zonder zijn moeder. We horen dat zijn tweelingzus het iets minder goed gedaan heeft en behangen is met ‘juwelen’ in de vorm van een halsband met radiozender en twee fel gekleurde oormerken. Ze stalkte namelijk de mensen van de camping en wordt nu beschouwd als een ‘probleembeer’ en is gemakkelijk te herkennen door die ‘juwelen’.  

De beer die we nu zien is helaas het zusje, dus met al die ‘juwelen’. Maar het is natuurlijk fantastisch het leven van een beer al vier jaar zo te kunnen volgen. We raken in gesprek met een parkwachter die we van andere jaren kennen. We horen van hem dat haar broertje ook problemen geeft en al beschoten is met rubberen kogels. We hopen hem weer te zien, voordat ook hij opgepakt wordt en behangen met ‘toeters en bellen’. Gelukkig gebeurd dit later ook. De parkwachter vraagt of we de fotograaf die aangevallen is, kennen.
“Alleen van gezicht,” antwoord ik vaag.
Not anymore”, zegt de parkwachter ad rem. Dat is wel een erg wrang grapje. 

Ook de volgende dag kunnen we niets anders vinden dan de beer met de juwelen en dat zijn we gauw zat. We rijden wat rond en zien ineens Bob en SueAnn, onze vrienden van rond de 70 jaar die we het koosnaampje ‘fossielen’ hebben gegeven. Vooral SueAnn is erg blij ons te zien. Hun informatie over de man aangevallen door een grizzly blijkt niet zo accuraat te zijn. Zij hadden gehoord dat het een vrouw was en SueAnn was bang dat ik het was! Wat krijgen we nu? Sinds wanneer heb ik de reputatie onverantwoordelijk te wandelen door grizzlyberengebied? We wandelen zelfs bijna nooit. Onze foto’s worden meestal genomen vanaf de weg, op loopafstand van de camper. Ik ben gewoon beledigd.
Bob is niet verbaasd dat wij al beren gezien hebben.
”Als er beren zijn, zullen Claudia en PJ ze vinden”.
Dat is natuurlijk onzin, wij hebben net zoveel kans ze te vinden als elke andere fotograaf. We hebben wat meer kans dan de gemiddelde toerist, want we luisteren de communicatie tussen de parkwachters af via een scanner. Zodra zij aan het hoofdkantoor melden dat ze in een bear jam zitten, rijden wij er ook naar toe. Bovendien hebben we contact met andere fotografen via walkietalkies.
Bob en SueAnn zijn in het gezelschap zijn van Ed en Lorna, lui die we kennen uit Fish Creek, Alaska. Lorna doet ons de groetjes van Marco en Mireille! Lorna heeft namelijk de gewoonte aan elke Nederlander die ze ontmoet te vragen:Do you know Claudia and PJ?”
Wat zal ze raar opgekeken hebben toen Marco en Mireille antwoordden: “Jazeker, maar waar zijn ze?”.
Even later komen Marco en Mireille aanrijden in hun huurcamper en we gaan samen op zoek naar beren. We hebben nu tenslotte een reputatie hoog te houden. Gelukkig vinden we die dag toch nog twee grizzlyberen. Het vinden van onze favoriete wildlife gaat moeizamer dan andere jaren, maar af en toe schieten we toch bijzondere plaatjes. Onze beer Monkeyface kunnen we helaas niet vinden, al horen we wel dat hij dit jaar weer gesignaleerd is. Helaas noemt iedereen hem nu Circusbeer, omdat hij altijd zo raar doet.

Elke dag ontmoeten we oude kennissen en dagelijks komen er nieuwe bij. Zo raken we in contact met Andrew en Steven uit Engeland, die in opdracht van de BBC en Discovery een film over Yellowstone maken. Zij zullen in wisselende samenstellingen een jaar in het park doorbrengen en wij zijn niet te beroerd hen alles te vertellen wat we weten en onze frequentie van de walkietalkie door te geven. 

We brengen niet alle tijd in het park door. Mijn familie uit Utah komt naar het plaatsje West-Yellowstone en we brengen een weekend met hen door. Het andere weekend gaan we naar de diploma-uitreiking van de dochter van mijn neef Gary. West-Yellowstone is maar een klein dorp, dus slechts 12 scholieren hebben dit jaar hun middelbare schooldiploma behaald. Sabrah is een van hen en zij zal hierna in het leger gaan. De ceremonie van de uitreiking van de diploma’s duurt weer twee lange uren, met veel speeches, muziek van de school big-band (ongelooflijk hoeveel kinderen er muzikaal zijn in zo’n klein dorp), uitreikingen van studiebeurzen door lokale bedrijven en natuurlijk de diploma’s. Een barbecue en een brunch de volgende dag, maakt het familiebezoek compleet. 

Weer in het park, stoppen we bij het leger van een coyote, heel dicht bij de weg. We hadden natuurlijk al gehoord van de negen puppies die het dier had gekregen, maar het hol lag voor ons een beetje uit de richting. We zijn ook niet de enigen; paparazzi staat klaar om de familie te fotograferen. Wij kennen er maar een paar. Tom Mangelsen staat er ook tussen en hij wordt door iedereen vereerd als een beroemdheid. Vrouwen hangen aan zijn lip en giechelen als schoolmeisjes. Mannen dringen om een plaatsje naast Tom, alsof hun foto’s dan net zo goed worden als die van hem. Ineens maakt Tom zich los van de groupies en loopt naar PJ om hem de hand te schudden. Bij iedereen valt de mond open. “Wie is die gozer die met een raar accent praat en die niemand kent, maar blijkbaar wel een goede bekende is van ‘onze Tom’?”. Het kost ons moeite om niet te lachen, we doen dit dus maar in ons vuistje.

Ondertussen hebben we een uurtje gewacht en de puppies komen buiten spelen. Nog geen kwartier later komt moe, blijft even voor het leger staan, zodat ze alle negen weten dat ze terug is van de jacht en rent dan naar een rots. Gevolgd door 36 korte beentjes en negen opstaande staartjes voedt ze even later haar jongen in het zicht van de paparazzi. Daarna braakt ze voedsel voor hen op en de kleintjes die een stukje vlees te pakken hebben, rennen rondjes om de anderen te vlug af te zijn. We schieten honderden foto’s. Als iedereen gevoed is, loopt de coyote naar een hoge rots en begint te huilen. Haar maatje, die zich nog nooit heeft laten zien, antwoordt meteen. Na vijf langgerekte howls verdwijnt ze en de kleintjes spelen nog even in het laatste zonlicht. Wat een feest!  

Een ander bericht over een berenaanval bereikte ons vorige week. De grizzlymoeder met haar drie anderhalf jaar oude jongen in het Grand Teton Nationaal Park heeft een jogger aangevallen! En ze kwam zo relaxed over!
De jogger liep om zes uur ’s morgens over een zandpad en zag een wapitihert. De man stond ernaar te kijken, toen de berenfamilie op hem af kwam. Ze hadden net het kalf van het hert neergehaald en zagen de jogger als een bedreiging van hun voedselbron. De man probeerde ze weg te jagen en toen dit niet lukte ging hij in foetushouding op de weg liggen, om zijn kwetsbare lichaamsdelen te beschermen. Een beer beet hem in zijn rug en gelukkig zag een medewerker van het hotel dit en verjaagde de beren. Omdat dit een natuurlijke reactie van de beer, zal zij hiervoor niet ‘gestraft’ worden met de dood. De berenfamilie gaat vrijuit en met de jogger gaat het gelukkig ook goed.
En voor jullie gemoedstoestand: Wij zullen nog beter op onszelf passen dan normaal.

9 juni – 26 juli 2007

“Het zou leuk zijn als er een grizzlybeer op af komt, voordat de parkwachters het ontdekken en weghalen”.
We staan met Lyn (de kunstenares) en Kathy (een jonge vrouw die haar baan op wil zeggen om fulltime wildlife fotografe te worden) ongeveer 25 meter van een karkas van een aangereden hert in het Yellowstone National Park.
“Er is al beest langs geweest die het een stukje van de weg gesleept heeft”.
De grote vlek bloed op de weg is al opgedroogd, maar zelfs wij kunnen het nog ruiken. We discussiëren voor de grap dat het hert eigenlijk nog een paar meter verder van de weg moet liggen, zodat het in de zon ligt. We hebben al eens eerder uren bij een karkas op de komst van een beer gewacht. Dit moet zo onopvallend mogelijk, want anders verwijderen de parkwachters het. Te gevaarlijk voor de toeristen is hun excuus.
- KRAK –
Kathy draait zich als eerste om en roept: “Een beer!”.
Een paar jaar oude grizzlybeer is vlak achter ons uit het struikgewas gekomen. Hij steekt zijn neus in de lucht en snuift uitgebreid. Daarna neemt hij de kortste route naar het karkas. Lyn en ik vinden het een goed moment om naar onze voertuigen te rennen om de camera’s te pakken.

“Don’t run!!”
, roepen PJ en Kathy tegelijkertijd.
Wat gebeurde er namelijk: de beer zag ons rennen en besloot achter ons aan te komen. Hoe kunnen we zo stom zijn? Dat is regel nummer 1 bij het kijken naar beren. Nooit rennen, alleen een prooi vlucht (only food runs) en als instinct gaat een beer hier achteraan. Het gaat gelukkig net goed en als wij stokstijf stil blijven staan, is de aandacht van de beer alweer naar het dode hert getrokken.
Stilletjes sluipen we naar de camper en zetten de statieven met camera’s zo’n 50 meter van het hert en de beer en schieten er op los. We blijven niet lang ongemerkt. Andere fotografen volgen ons voorbeeld en als eindelijk de parkwachters komen, zijn ze niet blij. “Dit hert ligt veel te dicht bij de weg. We moeten het weghalen”.
Maar voorlopig zit het beertje erop en kunnen wij anderhalf uur lang foto’s maken.
We herkennen hem ook nog, het is de vier jaar oude broer van het beertje met de ‘juwelen’.
Achteraf lees ik (nota bene in een tijdschrift over jagen) dat jonge beren expres lawaai maken als ze een karkas naderen. Mannetjes beren kunnen namelijk heel goed geruisloos lopen, maar om grotere beren te waarschuwen, stappen ze bewust op een tak. Zo zullen ze geen vijanden verrassen. Grappig dat dit beertje ons blijkbaar als een grote beer beschouwde.

Dit blijkt een van de beste dagen in het park te worden. We maken mooie actiefoto’s van een wapitihert die haar (helaas al dode) kalf verdedigt en twee coyotes achterna rent. Via de scanner horen we dat er een moedergrizzly met twee jonkies op de Dunraven bergpas zit. Het is een berenfamilie die wij nog steeds niet gefotografeerd hebben,  maar we weten ook dat er op de pas tijdens een bear jam vrijwel geen parkeermogelijkheid is. Zeker niet voor onze grote camper. Toch wagen we het erop en vinden zowaar een parkeerplek. De berenfamilie komt over de weg onze kant op lopen en klimt daarna een steile helling op. Dit is een veel beter fotoperspectief en als de blonde moeder haar jongen ook nog begint te zogen in het zicht van ons allemaal, kan de toch al goed begonnen dag niet meer stuk. Met Lyn gaan we aan het eind van de middag terug naar waar het aangereden hertje lag. Het karkas mag dan verwijderd zijn, maar dat weten de beren niet. En jawel, ons beertje komt inderdaad terug, steekt doelbewust de weg over, maar verdwijnt al snel als hij niets kan vinden. Daarna worden we door een fotograaf gewaarschuwd dat er een ander beer met twee kleintjes aankomt. In tegenstelling tot de toeristen, weten wij precies waar deze familie op weg naar toe is en we positioneren ons dan ook goed op het licht. Maar de toeristen gaan precies in haar pad staan en luisteren niet naar onze waarschuwingen.
“Maak ruimte, ze wil de weg oversteken, maak ruimte, ze is op weg naar een karkas dat precies achter jullie ligt”. De toeristen kijken ons verbaasd aan. De beer gaat op haar achterpoten staan om die muur van mensen nog eens beter te bekijken. Na een paar pogingen, geven de mensen haar eindelijk de ruimte. De berenfamilie komt bij de plek waar het hert gelegen heeft. Ze vinden niets, maar moeder wrijft haar gezicht - net als een hond - in de darmen- en hersenoverblijfselen. De kleintjes volgen meteen haar voorbeeld. Een schattig gezicht, maar ze zien er meteen niet meer uit. Als de beren uit het zicht zijn, geven we elkaar op z’n Amerikaans een high five. Wat een succesvolle dag! 

Een parkwachter rijdt al een tijdje achter ons als we hem op de scanner horen zeggen: “Ik wil graag een rijdende controle doen, kentekenplaat Utah 035 WER”
“Dat zijn wij!”, roept PJ uit.
We zitten even in de rats, want PJ heeft nog steeds geen groot rijbewijs gehaald en dat heeft hij wel nodig voor deze 5000 kilo zware combinatie. We hopen dus dat we niet aangehouden worden zodat zijn rijbewijs uitgebreid bekeken kan worden.
De centrale antwoordt na een tijdje: “Dit behoort tot een bordeauxrode Dodge, onder de naam van Potkeizer”.
“Dat spreek je uit als Potgieser, oen”, zeg ik hardop.
De parkwachter blijft nog zeker 15 kilometer achter ons rijden en slaat dan eindelijk af. Pfff. 

Op een ochtend vinden we een grote kaneelkleurige zwarte beer. Door de lens zie ik iets raars aan zijn ogen en denk dat het staar is. Pas als we de foto’s downloaden op de laptop zien we het pas goed: we hebben een zwarte beer met lichtblauwe ogen gefotografeerd! Ik weet niet hoe uniek dit is, maar wij hebben het niet eerder gezien en zijn erg blij met de foto’s. In het zwarte berengebied zien we ook een oude bekende: Rosie met de rode robijnen; een zwarte beer met twee zeer bescheiden rode oormerken. Ook nu wordt ze weer achtervolgd door een kaneelkleurige zwarte beer. Het mannetje probeert indruk op Rosie te maken door wijdbeens en waggelend te lopen, waardoor hij groter lijkt. Ook gaat hij steeds met zijn rug tegen bomen staan en jeukt er op los. Rosie lijkt niet onder de indruk en graast gestaag door.  

We besluiten een nachtje op de camping in het park te gaan staan. We rijden normaal liever het park uit om gratis te slapen, maar met die hoge dieselprijzen is dat bijna niet meer rendabel. We hebben een gloeiende hekel aan deze camping en dat begint al bij het inchecken.
“Heeft u voor vannacht een plekje voor ons?”, begin ik voorzichtig.
“Wat?”, is het onbeleefde antwoord van de hoogbejaarde vrijwilligster.
“Of u voor een vannacht nog een kampeerplekje heeft”, probeer ik nog eens. Wat denk je nu, dit is toch de receptie van een camping….
"Heb je gereserveerd?”, vraagt ze.
“Nee”.
Een diepe zucht is het commentaar.
Ze begint in de computer te kijken.
“Is het mogelijk een plekje te krijgen dicht bij de uitgang, we willen morgen al om half 5 weer vertrekken en we hebben een lawaaierige dieselmotor. We willen niet de halve camping wekken”, vraag ik beleefd.
“Ik heb nog maar 17 plekjes beschikbaar!”, antwoordt ze bits.
Nou? Slik ik dus maar in.
Nadat ik mijn achternaam heb moeten spellen, straatnaam, plaats (dat is makkelijk, wij wonen zogenaamd in Rotterdam en hebben alleen een postbusnummer, haha), krijgen we een plaatsje toegewezen dat zo ver mogelijk van de uitgang ligt.
PJ denkt dat het personeel van een zwaarbewaakte gevangenis waarschijnlijk vriendelijker en beleefder is, dan deze bejaarden, die de zomer op de receptie werken in ruil voor een gratis seizoensplek.
De camping is zijn geld echt niet waard, want de plekjes zijn klein en scheef. Als PJ de voorwielen van de camper op een boomstam van zeker 15 centimeter heeft gereden, staan we nog steeds niet waterpas en rollen we ’s nachts ons bed uit! Ondertussen is het onverwachts koud geworden en er valt zelfs natte sneeuw. We hebben gelukkig nieuwe ‘min twintig Celsius slaapzakken’ gekocht, maar de oude liggen nog steeds in de camper en nogal in de weg. Ik vind het zonde om ze zomaar weg te gooien, al is de binnenkant erg versleten. Ineens heb ik een goed plan. Op een briefje schrijf ik: “Koud? Neem deze maar” en prik die op de slaapzakken en laat ze in de openbare toiletruimte achter. De volgende dag zijn ze inderdaad weg.  

We rijden een paar dagen het park uit, om constant op het internet te kunnen. Er zijn namelijk kijkers voor ons huis en we hebben regelmatig contact met onze makelaar. Bovendien hebben we van Bob gehoord dat een kennis van ons zijn camper wil verkopen. Wij denken al een tijdje na over een andere auto, maar een andere camper was nog niet bij ons opgekomen. De camper die te koop staat, is pas drie jaar oud en hij vraagt er verhoudingsgewijs niet veel voor. Dit heeft waarschijnlijk te maken met een ongeneeslijke ziekte, want ook hun huis en auto staan te koop en ze willen een grotere camper kopen om (nog een paar jaar) te gaan reizen. Triest natuurlijk, maar wel een buitenkansje voor ons. We laten via de e-mail weten dat we belangstelling hebben, maar nog wel even bedenktijd willen. We willen eerst weten wat we voor onze auto krijgen als we die inruilen voor een andere. Uiteindelijk wordt ons huis voor zes maanden verhuurd, contracten via de email goedgekeurd en wij kunnen het park weer in.  

Als we terug in het park zijn zien we een bekend voertuig met Zwitserse kentekenplaten. Het is een stel dat we in Argentinië ontmoet hebben! Zij zijn helemaal rijdend door Midden Amerika en Mexico hier terecht gekomen. Het bijpraten gaat een beetje moeizaam, omdat hun Engels niet zo goed is en ons Duits erg slecht.
Ik vraag of ze al beren gezien hebben.
“Nee’, zeggen ze spijtig.
“Wil je nú een beer zien?”, zeg ik (we hebben tenslotte een reputatie hoog te houden). We zetten onze camera op een statief en richten die op een heel ver punt in de heuvels. “Daar loopt een grizzlybeer met een jonkie”.
De Zwitsers zijn erg onder de indruk. Ik moet eigenlijk wel lachen, want ik had alleen maar een bekende gezien die met zijn telescoop naar de heuvels tuurde. Gewoon zijn blik gevolgd en toen zag ik die stip (=beer) ook. Normaal zouden we niet eens onze spullen tevoorschijn halen, maar nu vind ik het wel leuk om indruk te maken. Nou, dat is gelukt! 

Als ik tel hoeveel verschillende grizzlyberen we gezien hebben, zijn dat er 23 inclusief de jonkies. Niet slecht voor drie weken Yellowstone Nationaal Park. 

Ondertussen wordt het steeds drukker in het park, is het ineens warm voor de tijd van het jaar en wordt het vinden van wildlife ook voor ons steeds moeilijker. We besluiten terug naar Utah te rijden en ons helemaal te storten op het kopen van een andere auto. Onze Dodge is door slechte diesel in Zuid Amerika motorisch behoorlijk kapot gegaan en heeft daarna nooit meer helemaal goed gelopen. Met de hulp van neef Randy vinden een luxe tweedehands Ford pick-up truck en we kunnen bij dezelfde verkoper onze Dodge inruilen. We zijn al helemaal gewend aan het idee om ook de camper van de kennis erbij te kopen, maar vergeten de beste man in te lichten. We zijn dan ook zeer teleurgesteld als we een mailtje van hem krijgen, dat hij zijn camper verkocht heeft. Onze oude camper gaat weer terug in de laadbak, maar dat staat dan ineens als een vlag op een modderschuit. De pick-up is wit en onze camper vergeeld en is na 6 jaar intensief gebruik toch wel erg uitgewoond. We waren eigenlijk helemaal niet van plan om een andere camper te kopen, maar door dat buitenkansje (wat we daarna misgelopen hebben) zijn we ineens niet meer tevreden met onze oude camper.

We struinen het Internet af en vinden een leuke camper, helemaal in de staat Oregon. Dat is dik duizend kilometer van Utah! Wat je van ver haalt is lekker, dus we maken een afspraak en rijden naar Oregon. De route gaat dwars door de Cascades, een vulkanisch gebergte met glasheldere stroompjes, grote varens en hangend Spaans mos, wat een spookachtig effect geeft. We komen van dik dertig graden, maar zodra we de bergen over zijn, begint het te regenen. Op een druilerige vrijdagmorgen stappen we vol verwachting de camper in en wat valt die tegen! Gelukkig denken we er allebei zo over en zijn we snel uitgepraat. PJ is zo teleurgesteld dat hij onmiddellijk terug naar Utah wil rijden,  maar ik stel voor hier in Oregon nog eens het Internet af te zoeken. Ik vind een andere camper hier niet ver vandaan en we maken weer een afspraak met de verkoper.
Deze camper is negen jaar oud en ziet er als nieuw uit. De inrichting is afschuwelijk,  oudroze en barok gebloemde stof, maar daar is gemakkelijk iets aan te doen. Het houtwerk is onbeschadigd, de indeling bevalt ons uitstekend en dat is toch belangrijker. We komen een prijs overeen en beloven de camper volgende week op te komen halen.  

Het is ondertussen 1 juli 2007 en dat betekent dat we tien jaar geleden in een oude Mercedesbus de straat zijn uitgereden. We zouden een jaar gaan reizen, maar dat is iets langer geworden! In dat decennium hebben we 31 landen bezocht, bijna 355.000 kilometer gereden, 45.000 liter diesel verstookt, vijf keer verscheept en is er drie keer ingebroken in de camper. Spijt hebben we nooit gehad van onze keuze om te gaan reizen.  

We rijden naar Jackson Hole, Wyoming, waar mijn familie de Fourth of July gaat vieren. Dit is de datum dat de USA onafhankelijk werd. Mijn nicht Julia en haar man wonen in het personeelsverblijf van het huis van een multimiljonair. Zij zijn het hele jaar door zijn huisbewaarders en de eigenaar komt maar een paar keer per jaar langs. Het huis staat midden in het Grand Teton Nationaal Park. Terwijl we naar hun huis rijden, zien we een groot vliegtuig landen. Het blijkt de Airforce II te zijn, een presidentieel vliegtuig. De vice President Dick Cheney heeft een buitenverblijf in Jackson Hole en is zojuist geland.
Als we later in het centrum wachten tot de traditionele parade begint, zien we ineens Cheney met een grote witte cowboyhoed aan de overkant van de straat staan. Hij schudt relaxed de handen van de dorpsgenoten en ook mijn neefjes en nichtjes poseren met hem op de foto. Toch wonderlijk dat de op één na belangrijkste man van de Verenigde Staten zo doodgewoon tussen de mensen naar de parade staat te kijken. Hij wordt natuurlijk wel omringt door Secret Service mannen die casual gekleed gaan, maar allemaal een oordopje dragen en spiedend om zich heen kijken. Eigenlijk was ik veel liever Harrison Ford tegen het lijf gelopen, want hij schijnt ook een buitenhuisje in Jackson Hole te hebben.

’s Avonds is er het traditionele vuurwerk. Vanwege de maandenlange droogte en brandgevaar mag er geen vuurwerk afgestoken worden door particulieren. Aangezien 4 juli ongeveer net zo belangrijk is als ons Oud en Nieuw, kun je de teleurstelling van de kinderen voorstellen. Maar de gemeente pakt groots uit. Een skihelling is al wekenlang natgehouden en daar wordt ’s avonds het vuurwerk afgestoken. Toch kunnen ze niet voorkomen dat er een stukje bos de fik in vliegt, onder luid gejuich van de toeschouwers. De brandweer is snel te plaatste om dit te blussen.  

En dan wordt het tijd om weer naar Oregon te rijden met alleen de pick-up. De oude camper laten we achter op het terrein van mijn oom Bill in West-Yellowstone. Hij woont op een steenworp afstand van het Yellowstone Nationaal Park, maar daar zullen we de komende weken weinig van zien. Het is vanuit West net zo ver, dus weer 1000 kilometer rijden, die we in een lange dag rijden volbrengen. De vorige eigenaar van de pick-up heeft een abonnement genomen op satellietradio en dat werkt nog steeds. Zo kunnen we de hele lange rit naar hetzelfde radiostation luisteren, zonder irritante reclameblokken. Zelfs de filelezer maakt op de Amerikaanse radio reclame, ik kan er nog steeds niet aan wennen om na de serieuze fileopsommingen de lezer te horen zeggen: “Vergeet niet je boodschappen te halen bij Albertson’s, de sinaasappels zijn vandaag in de aanbieding”. Als we onderweg het plaatsje Burns naderen, hangt er een oranje mist rond de stad. De heuvels rondom Burns staan in de brand! Maar eigenlijk vragen ze er wel een beetje om; wie noemt zijn plaats nu Burns? Als we stad voorbij zijn, zien we de prairie fikken; brandend gortdroog gras, tijmstruiken en een enkele naaldboom veroorzaken een rookwolk die we tientallen kilometers verder nog steeds kunnen zien.  

’s Avonds overnachten we in een motel en de volgende dag halen we de camper op. We zijn er nog net zo blij mee als een week geleden. De nieuwe camper glijdt in de laadbak en we kunnen weer op weg. Ik heb er gelukkig aan gedacht om schoonmaakmiddelen mee te nemen, want de vorige eigenaren hebben blijkbaar gedacht: verkocht is verkocht en alleen hun persoonlijke spullen eruit gehaald. Na een grote schoonmaak gaan onze schone lakens om hun matras en we kunnen we weer naar het Oosten. De middag is snel voorbij, dus we slapen de eerste nacht ergens langs de kant van de weg. Zittend op de barokke bank filosoferen we over hoe we de camper gaan veranderen, zodat hij straks helemaal naar ons zin is.  

De volgende morgen gaan we vroeg op weg, want we hebben nog heel wat kilometers voor de boeg. We zijn al anderhalf uur onderweg en kunnen de rookwolken van Burns, wat nog 150 kilometer van ons vandaan ligt, al zien. Nooit geweten dat het menselijk oog zo ver kon kijken. Dan staat er een dame met een stopbord op de weg.
“Waar willen jullie naar toe?”
“Naar Boise”. (een plaats die 300 kilometer verderop ligt)
“Vergeet het maar, de weg is afgezet vanwege de branden. Burns is vannacht geëvacueerd. Je moet 100 kilometer terug rijden en dan kun je een doorsteek maken naar een noordelijke weg en vanuit daar kun je naar Boise”.
Balen zeg, hadden ze die dame niet aan het begin van deze lange eenzame weg kunnen zetten? We moeten honderden kilometers omrijden, en onze weg vervolgen over een kronkelige heuvelroute, waardoor we vijf uur langer onderweg zijn! Niets aan te doen, het is al erg genoeg dat er zoveel hectares door brand verloren gaan. 

Doordat we onderweg alvast nieuwe spullen inkopen, zijn we pas vier dagen later terug in West. We zetten de twee campers naast elkaar en kunnen beginnen aan de grote metamorfose. Allereerst strippen we camper van alle overbodige frutsels. De  muren worden wit geschilderd. PJ legt een donker kersenkleurige laminaatvloer in de nieuwe camper. Ik naai gordijnen, kussens en stoffeer de bank, die tevens in een handomdraai in een klein tweepersoonsbed veranderd kan worden. Niet dat we eraan moeten denken om logees in ons kleine huisje te hebben, maar de bank zit door het springveren matras wel veel beter. De zonnepanelen worden omgezet, de accu’s uit onze oude camper blijken beter te zijn dan de nieuwe, dus ook die gaan eruit. PJ verwisselt een van de dakluiken door ons oude duikluik met ventilator. Het raampje in de deur is van matglas, wat mij helemaal niet bevalt, dus wisselt PJ de ramen om. Niet alles past natuurlijk precies, dus er wordt een hoop getierd. We peuteren zelfs de roze sierstrips van de buitenkant van de camper af. We zijn erg tevreden over het resultaat. Wel is het elke dag tussen de 30 en 34 graden, dus we zweten ons rot. En dat terwijl we op 2000 meter zitten!  

Ondertussen proberen we van de oude camper af te komen. We plegen zo’n twintig telefoontjes naar autowrakbedrijven, recycling, aluminiumverzamelaars, maar niemand wil onze camper (zelfs niet gratis) hebben! Neef Randy heeft weer de oplossing. Zijn broer Ridgy, het enfant terrible van de familie, heeft een stuk land waarop hij onder andere vreugdevuren van tien kubieke meter maakt, auto’s laat ontploffen en met een zelfgemaakt kanon op allerlei doelwitten schiet. Hij wil onze camper wel hebben. Hij is van plan hem met een heftruck vijf meter hoog in een enorme boom te zetten als een zogenaamd boomhuis voor zijn kinderen! Op dit moment staat daar een camperbusje en die wil hij wel vervangen. Ja, we hebben het hier over een volwassen man met een gezin.

Op 26 juli staan we op vijf uur ’s morgens op. Kus, kus, “gefeliciteerd schat” en rijden we de 450 kilometer naar het zuiden. Voor de laatste keer zetten we de oude camper op de wankele pootjes en laten we hem achter. Hij is nu zo gestript dat we er geen moeite mee hebben. Hopelijk eindigt ons trouwe vervoermiddel in de boom en niet als kanondoelwit. Wel jammer van de berensticker waar we zo’n succes mee gehad hebben, maar er zullen wel nieuwe volgen.

Terug naar West-Yellowstone. Rond zes uur ’s avonds zijn we in Idaho Falls. In de lege achterbak van de pick-up eten we een pizza en leest PJ z’n verjaardagsmails. Deze verjaardag zullen we niet snel vergeten.

27 juli – 29 augustus 2007 

Allereerst zal ik een beeld proberen te scheppen van Hyder / Fish Creek, de plek waar we al vijf zomers hebben doorgebracht. Hyder ligt in het meest zuidelijke puntje van Alaska en is alleen te bereiken via het plaatsje Stewart in de provincie British Columbia in Canada. Na het dorp loopt de weg dood op een prachtige gletsjer en een paar goud- en kopermijnen, die weer in Canada liggen! In de jaren twintig was het delven nog in volle gang en de houten gebouwen langs de onverharde hoofdstraat van Hyder dateren nog uit die tijd. In 1945 was het inwoneraantal gedaald tot zeventien inwoners en werd het officieel een spookdorp. Nu wonen er ongeveer 100 mensen.
Wie voelt zich aangetrokken tot zo’n uithoek? De bewoners van Hyder zijn aparte mensen. Ze leven van een schaars inkomen en wonen in eenvoudige houten huizen. Verwarming gaat via een houtkachel en er is geen rioleringssysteem. Vuilnis wordt niet opgehaald, maar moeten ze zelf naar de vuilnisbelt brengen. Zwarte beren zitten vaak al klaar voor dit makkelijke maal en verzocht wordt om het afval in de brand te steken. Van de staat krijgen ze een soort premie als ze de winters in Alaska doorbrengen. Het uiterlijk van de meeste mannen is zoals je dat verwacht: geruit houthakkershemd, eronder een t-shirt met een nog vaag te lezen tekst, laaghangende vale spijkerbroek, vettig petje op hun hoofd, zoveel gezichtshaar dat je alleen hun ogen en neus kunt zien, een jaren 70 bril en ze rijden in een oude verroeste pick-up. Ze zoeken de eenzaamheid van lange winters met veel sneeuw en zomers van krab en zalm vissen. Misschien zijn ze zelfs op de vlucht voor de wet. Maar in Hyder woont ook een levendige gemeente Baptisten, die zondag twee keer naar de kerk gaan en op woensdagavond aan Bijbelstudie doen, de vrouwen dragen lange rokken en de mannen zijn netjes geschoren. Het is ongelooflijk dat zulke verschillende mensen naast elkaar kunnen leven.
Hyder heeft geen politie en alcohol en sigaretten zijn een stuk duurder in Canada. Al snel is er een bloeiende smokkelaarroute van Alaska naar Canada. De Canadese regering moet met lede ogen toezien hoe zij zes miljoen Canadese dollars aan belastinggeld misslopen. Zo’n acht jaar geleden besluit de overheid in te grijpen en er wordt een klein douanekantoor gebouwd. Dit wordt 24 uur per dag bemand door volledig opgeleide en in vol ornaat geklede douanebeambten.
Zij stellen intelligente vragen zoals: “Waar kom je vandaan” (uit Hyder, het loopt hier dood, weet je nog?), “Waar ga je naar toe?” (naar Stewart), “Laat je nog iets achter in Stewart?” (Ja, ons afval).
Het smokkelen gaat nog steeds gestaag door, alleen moet dit nu heimelijk gebeuren. Als wij van plan zijn langere tijd in Hyder door te brengen, besteld PJ altijd een paar dozen bier. Twee Hydernaren varen dan met een vissersboot plus een extra boot op sleeptouw naar Ketchikan - een iets noordelijke plaats in Alaska - kopen daar hun bier in en varen de ‘bierboten’ in een paar dagen terug naar Hyder.

Al zolang Hyder bestaat, is er zes kilometer verderop een kreek waar Ketazalmen kuit schieten en die - zeer origineel - Fish Creek wordt genoemd. Dit trok zwarte beren, later grizzlyberen, fotografen en een handjevol toeristen aan. De plek krijgt steeds meer bekendheid en steeds meer toeristen slaan linksaf op de Cassiar Highway, om de 60 kilometer lange doodlopende weg te rijden om de beren te zien. De inwoners van Hyder zitten hier natuurlijk helemaal niet op te wachten, zij zochten tenslotte de eenzaamheid van een spookstadje. Vrijwel niemand maakt gebruik van het steeds groeiende toeristenaantal en Stewart loopt weg met de inkomsten uit Fish Creek. Vanuit Canada worden er helikoptervluchten over de gletsjer georganiseerd, kun je busritten naar Fish Creek boeken, campings, hotels en restaurants worden geopend en toeristenwinkeltjes waar ansichtkaarten, petjes en truien verkocht worden, schieten uit de grond.
Hyder moet het doen met een paar toeristenwinkeltjes, 1 restaurant, een modderige camping, een paar bars, een Bed & Breakfast en een postkantoor waar de post maar een keer per week wordt ingevlogen vanuit Ketchikan. Hyder heeft niet eens een middelbare school, de kinderen worden via het Internet geschoold. Je kunt in Hyder met Canadese dollars betalen, behalve in het postkantoor, daar worden alleen Amerikaanse dollars geaccepteerd. Hyder draait mee met de Canadese tijd, behalve in het postkantoor, daar is het een uurtje vroeger. 

Ondertussen loopt het qua toeristen de spuigaten uit op Fish Creek en 16 uur per dag van 6 uur ’s morgens tot 10 uur ’s avonds houden een aantal parkwachters de mensen en de beren in de gaten. De parkwachters zijn inwoners van Hyder en zo zijn in ieder geval 8 mensen verzekerd van een zomerinkomen. In 2001 laat de Amerikaanse overheid een 150 meter lange houten platvorm bouwen, zodat de toeristen veilig naar de beren kunnen kijken. Dit project heeft 1,2 miljoen dollar gekost en we verwachten al snel dat deze plek niet meer gratis zal zijn, maar pas in 2007 moeten we entreegeld gaan betalen. Ook hier stuit de overheid weer op de onwil van de inwoners van Hyder. Niemand in het dorp wil de entreekaartjes en abonnementen verkopen en uiteindelijk moeten de parkwachters dit zelf beheren. In plaats van naar beren te kijken, zitten ze nu de hele dag achter een in elkaar geflanste tafel, kaartjes te verkopen. De entree bedraagt U$5,- per persoon per dag. Dit is een schijntje vergeleken met alle andere populaire beren kijkplekken op Katmai eiland (Brooks Falls, McNeill River) waar je al gauw 500 dollar per dag betaald, omdat je ingevlogen moet worden. Maar wel moet gezegd worden dat men op Katmai veel meer beren tegelijk ziet, soms zijn er wel 30 beren op dezelfde plek aan het vissen. In Fish Creek zijn twee beren op hetzelfde tijdstip een hoogtepunt en drie beren een uitzondering. Maar dat platvorm is een zeer goede beslissing geweest. In 2000 bezochten op een drukke avond zo’n 50 toeristen de kreek, nu is dat gestegen naar 500!! In 2004 wordt Hyder eindelijk wakker. De plaats ligt aan een fjord en voor de aanlegsteiger is het water diep genoeg voor kleine cruiseschepen. Ze contracteren een cruisemaatschappij en in het hoogseizoen meert er elke vrijdag een cruiseschip aan. De toeristen worden in een groen geschilderde oude schoolbus naar het platform gebracht voor een uurtje wildlife viewing en daarna doorgereden naar de gletsjer. Binnen drie uur zijn ze weer terug op de boot, meestal zonder een beer gezien te hebben, maar ze zijn wel in ‘Alaska’ geweest. Maar dat is vrijwel het enige wat de bewoners van Hyder aan Fish Creek verdienen. 

Wij ontdekten deze plek in 2000 en konden dus nog meemaken dat de beren vlak langs ons heenliepen. Al was het platvorm even slikken, het nut ervan zagen we al snel in. Voor ons was het de enige plek in Alaska, waar je vissende grizzlyberen kon zien, die gratis was en bereikbaar per auto. Fish Creek ligt in het Tongass Nationaal Forest, een gematigd kustregenwoud dat 800 kilometer lang is. Gemiddeld valt er vijf meter regen per jaar. Het regent hier dus erg vaak en in de winter valt er veel sneeuw. Afgelopen winter viel er dik tien meter sneeuw!  

Zo hebben jullie een beetje een indruk van Hyder en begrijp je misschien dat de inwoners van Hyder helemaal niet zo blij met de populariteit van Fish Creek zijn.
Parkwachterechtpaar Ron en Kathy zijn natuurlijk wel blij met hun inkomsten uit Fish Creek en we worden van harte welkom geheten op het wekelijkse spaghettidiner bij hen thuis. Hier worden alle trouwe bezoekers van Fish Creek voor uitgenodigd en het is leuk om al die (letterlijk) oude bezoekers weer te zien. Met deze kennissen hebben we gemeen dat we allemaal weken, soms de hele zomer in Fish Creek doorbrengen en we komen uit alle windstreken. Engeland, Duitsland, Nederland, Japan, Canada, Hawaï en andere Amerikaanse staten die zo ver mogelijk van Alaska vandaan liggen. We noemen onszelf “Friends of Fish Creek”.  

Maar we komen natuurlijk vooral om de beren te zien. Vorig jaar had een van de vrouwtjesberen drie jongen gekregen en is natuurlijk een feest om te zien dat ze alle vier de winter overleefd hebben. De jongen zijn nog erg speels en vechten graag met elkaar. Dit jaar zijn er opmerkelijk veel blonde beren. Deze kust-beren zijn vaak erg donker van kleur (bijna zwart) en worden ondanks hun enorme afmetingen door onwetende toeristen vaak verward met zwarte beren. 

Na tien dagen Fish Creek trekken we verder naar het Noorden. We willen de Dempster Highway gaan rijden, een 750 kilometer lange, onverharde doodlopende weg naar Inuvik, een eskimodorp. Dit dorp is het meest noordelijke dorp in Canada dat je per auto kunt bereiken. De reden dat we deze weg willen rijden is niet dit dorp, maar een migrerende kudde kariboes (barren-ground caribou) die we verwachten te zien. Kariboes zijn groter dan rendieren en kunnen niet tam gemaakt worden, zoals hun Europese soortgenoot. Vandaar dat de Kerstman natuurlijk rendieren voor zijn arrenslee heeft.
Deze kudde bestaat uit ongeveer 240.000 dieren en wordt de “Porcupine” kudde genoemd. Stekelvarken is natuurlijk een rare naam voor een kudde kariboes, maar dit komt omdat zij tijdens hun migratie de Porcupine rivier volgen. Eind augustus komen als eerste ‘de leiders’, grote mannetjes met imposante geweien die de migratieroute bepalen. Ze worden gevolgd door een kudde van ±100.000, voornamelijk mannetjes. Eind september volgt de rest van de ±140.000 kariboes, voornamelijk vrouwtjes en de kalveren. De kuddes reizen niet massaal, maar in groepjes van 100 tot 300 dieren.

We krijgen nog twee echtparen enthousiast om met ons mee te gaan. Natuurlijk zijn onze fossiele vrienden Bob en SueAnn van de partij,  maar ook Dave en Jenny uit Colorado. Dit echtpaar hebben wij vorig jaar in Fish Creek leren kennen. Ik dacht dat ze midden vijftig waren, maar ze blijken al midden zestig te zijn. Jenny heeft haar van nature krullende haar geblondeerd, draagt heup spijkerbroeken en hippe truitjes en is altijd volledig opgemaakt (gelukkig, ben ik niet de enige!). Dave is ook  modern gekleed en heeft een ondeugende scheve glimlach.
SueAnn is 1.60 m groot, heeft een bos wit haar en is echt de liefste oma die je je kunt bedenken. Ze is tot aan haar pensioen kleuterleidster geweest en ze kan dan ook fantastisch met kinderen omgaan. Het email tijdperk is volslagen aan haar voorbij gegaan en ze verstuurd zo’n 50 zelfgemaakte (foto)ansichtkaarten per week. Bob is een rijzige man met enorme voeten. Als hij zijn jaren 70 bril afzet heeft hij een paar lange volle wimpers waar menige vrouw jaloers op zou zijn. Hij heeft volgens zijn eigen zeggen zijn haar in dezelfde kleur als zijn vrouw geverfd.
Alle drie de stellen reizen in  pick-up’s met een camper in de laadbak en we zijn alle zes enthousiaste en fanatieke wildlife fotografen. De eerste 1800 kilometers rijden we allemaal in ons eigen tempo en we komen elkaar weer tegen aan het begin van de Dempster. PJ en ik luisteren onderweg via de satellietradio (die nog steeds gratis werkt) urenlang naar stand-up komedianten. De zender is ongecensureerd en we leren er een paar nieuwe scheldwoorden bij.   

Wij hebben de Dempster al eens eerder gereden in 2001, maar dat was in de zomer. In de herfst is deze route erg kleurrijk, de loofbomen kleuren van okergeel naar rood, de toendra van rood naar aubergine en de naaldbomen steken met hun groene kleur mooi af. Allereerst komen we langs de Tombstone Mountains, een grillige rotsformatie. Dan volgen we de rivier, die oranje gekleurd is van de mineralen. We kruipen langzaam over de steeds kalere heuvels (Windy Pass) met zijn mini naaldbomen en komen in de toendra. Bij een uitzichtpunt verzucht Bob: “De uitgestrektheid van het land is overweldigend”. En daarmee heeft hij het goed omschreven. Na 370 km is het eerste benzinestation en kunnen we gratis douchen en duur tanken. De dieselpomp is een slang uit de grond en de prijs wordt nergens vermeld. We vullen ook de watertank, met wat later geel water blijkt te zijn.
Bij de Poolcirkel maken we de verplichte “wij waren hier”- foto’s. Een paar wegwerkers waarschuwen ons dat er een beer in de buurt is. We vinden de grizzly, maar ze is erg bang voor ons en de auto’s. Wat een verschil met de Yellowstone - en Fish Creek beren.
Honderd kilometer noordelijk kijken we kilometers ver over de toendra en zien we de eerste groepjes kariboes. We zijn niet de enigen die geïnteresseerd zijn in de kariboes. Ook de Gwitch’en bevolking (Eskimo’s) staan te popelen. Terwijl wij uren wachten tot de kariboes wat dichter bij de weg zijn, zodat wij ze kunnen fotograferen, kruipen zij door het veld naar hen toe en proberen ze af te schieten. Als de geschrokken kudde vlucht, rennen de Eskimo’s achter hen aan over de ongelijke toendra. In het begin moeten we erom lachen en wordt het een sport om de dieren eerder te vinden dan zij. Maar het spel wordt grimmiger als wij een groepje kariboes aan het fotograferen zijn en de Gwitch’en aan komen rijden en vanaf de weg in het wilde weg beginnen te schieten. Voor hen geldt blijkbaar de regel niet dat een jager tenminste 500 meter van de weg pas mag schieten! Twee kariboes raken gewond en bij de derde is eindelijk raak. Een van de gewonde kariboes is de volgende dag het ontbijt voor een grizzlybeer.
“Rot op, jullie belemmeren onze jacht”, roept een Eskimomoeder vanuit haar oude rode pick-up.
Wat krijgen we nu? Ik krijg de neiging om te roepen: “Zoek lekkur je eiguh kariboe, er zijn er tenslotte 240 duizend”.
De moeder noemen we al snel ‘pistolen mama’ en we zorgen dat we haar niet in de weg staan. 

Na vier dagen wachten op de kudde die maar niet dichterbij lijkt te komen, besluiten we de Dempster te verlaten. We hadden er iets meer van verwacht en denken dat we iets te vroeg in het migratieseizoen zijn. Misschien moeten we op de terugweg nog eens omrijden naar de Dempster. Van kennissen hebben we gehoord over een mooi plekje, een stukje van de weg verwijderd en met een prachtig ver uitzicht over de heuvels. Het is in de buurt van de poolcirkel en als we het gevonden hebben, blijken er al zes Duitsers hun tentjes opgezet te hebben. Jammer, maar is plek genoeg voor iedereen. Helaas denken de Duitsers daar anders over. Een jongen vraagt of we de plek willen verlaten, zij willen hier graag alleen kamperen.
“Pardon, je maakt zeker een grapje?”
De jongen is bloed serieus. “Jullie kunnen toch wel onze privacy respecteren?”
Het is half 9 ’s avonds, we hebben geen zin in een discussie en we zeggen dus botweg dat we hier blijven slapen. Achteraf kunnen we er om lachen en het wordt De Spreuk van deze trip. Zodra iemand van onze groep te dicht op ons parkeert of zijn statief te dicht bij de onze zet zeggen we:”Je kunt toch wel mijn privacy respecteren!”
De volle maan komt op boven de roze gekleurde bergen. Wat een serene plek is dit.
Pas om half 1 ’s nachts leg ik een spannend boek weg, doe mijn bedlampje uit en kijk nog even naar buiten.
Met de kreet: “Noorderlicht!”, maak ik PJ wakker. Vanuit ons dakluik kijken we naar het groene gordijn met rode randen dat in slowmotion beweegt door het donkere luchtruim. Wat is de natuur toch bijzonder.

28 augustus - 20 september 2007

Vanaf de poolcirkel op de Dempster Highway zijn we ’s avonds in het stadje Dawson City. We hebben aan de rest van ons reisgezelschap doorgegeven waar we gratis kunnen kamperen. Dit is op de Midnight Dome, een 400 meter hoge heuvel boven het stadje waar we 360 graden om ons heen kunnen kijken. Vanuit hier hebben we een prachtig uitzicht op de Klondike en de Yukon rivier. Gisteren heeft niemand foto’s gemaakt van het Noorderlicht en daar hebben we natuurlijk allemaal spijt van. Dus we oefenen met sluitertijden en zijn helemaal klaar voor weer een avond van natuurspektakel.
Als we  naar bed gaan, zet PJ elk uur de eierwekker en kijken we vol verwachting naar de noordelijke luchten, maar helaas, het groene licht is niet te zien. Gebroken worden we de volgende dag wakker.

Met het gratis veerbootje passeren we Yukon rivier en komen we op de Top of the World Highway. Deze gedeeltelijk onverharde weg dankt zijn naam het feit dat de weg over de toppen van de heuvels gaat en we hebben een wijds uitzicht over de toendra. Vandaag is Bob 69 jaar geworden en ik heb vanuit Nederland een ‘kant-en-klaar’ pakket tompoezen meegenomen. Alleen even de puddingpoeder met melk opkloppen en de Hollandse traktatie is klaar. De Amerikanen zijn onder de indruk, zij weten natuurlijk niet hoe de HEMA tompoezen smaken.
Een uurtje later komen we bij de eenzame grenspost en de onvriendelijke douanebeambte laat ons Alaska binnen. Als wij in Nederland vertellen dat we de zomer in Alaska gaan doorbrengen, is de reactie vaak: “Zal wel koud zijn”. Nu valt er daar in de winter inderdaad veel sneeuw en zakt de temperatuur in sommige plaatsen naar min 40 graden, maar dat betekent niet dat het in de zomer ook zo koud is. De Alaska zomers zijn als kwakkelige zomers in Nederland, rond de 15 à 17 graden, af en toe een regenbui en soms zonnig. Alleen is het ’s nachts wel vaak koud en omdat wij vroeg moeten opstaan voor het wildlife, pakken we ons wel goed in.

In het gehucht Chicken lunchen we en pikken we wireless internet op. De Top of the World eindigt in Tok, ook zo’n dorp dat we van voor naar achteren kennen. In 2000 hebben daar 24 dagen vast gezeten, omdat de versnellingsbak kapot gegaan was! We reisden toen nog in een oude Mercedesbus. Dit schreef ik toentertijd hierover:

Als we de volgende dag weer rijden, wil de bus ineens niet meer uit zijn vierde versnelling. In het eerstvolgende plaatsje aan de Alaska Highway stoppen we. Dat blijkt Tok (uitgesproken als Toohk) te zijn. PJ wil een garage naar de versnellingsbak laten kijken. Ondanks dat Tok slechts 800 inwoners telt, zijn er meerdere hotels, wat restaurants en veel souvenirwinkeltjes, allemaal aan de hoofdstraat. Bij het toeristencentrum vragen we waar we een garage kunnen vinden. Die blijkt een paar kilometer buiten het dorp te liggen.

Troy, de monteur van het eenmansbedrijf haalt de versnellingsbak eruit, constateert dat dit specialistenwerk is en zegt dat de bak 'naar de stad' gestuurd moet worden. In Nederland zou ‘de stad’ hoogstens een 30 kilometer verderop zijn, hier praten we over Fairbanks, 300 kilometer verder! Dat is toch niet voor te stellen! Als je in Nederland 300 kilometer rijdt ben je het land al weer uit! Van Troy mogen we zolang het duurt bij zijn garage kamperen. De bus, nu zonder versnellingsbak, wordt door hem naar een hoek van het terrein gesleept.

We zitten nu al een week vast in Tok en misschien komen er zelfs nog een week of twee bij. In eerste instantie dachten we dat we op de plaatselijke autosloop kampeerden, maar bijna elk oud barrel dat rondom ons staat, komt in die eerste week tot leven en rijdt weg! Wel komen er steeds weer anderen voor in de plaats.

De specialist in Fairbanks gaat op zoek naar nieuwe onderdelen en komt na twintig telefoontjes uit bij een bedrijf in de staat Oregon, 3000 kilometer verderop, dat de onderdelen overigens in Duitsland moet bestellen. Door het tijdsverschil gaan ook daar weer een paar dagen overheen.

Elke dag gaan we e-mailen in een souvenirwinkel, twintig minuten lopen vanaf de garage. Voor het gebruik van de computer betalen we in eerste instantie 7,- per uur. Na een paar dagen kan ik, als nieuwe vaste klant, afdingen tot 2,30 per uur. We e-mailen dagelijks, want het is het uitje van de dag!

We gaan even langs bij het souvenirwinkeltje en worden meteen herkend door de verkoopsters! Dat is dan toch wel grappig. PJ koopt twee T-shirts en ik een muts.  

We volgen de geasfalteerde Alaska Highway richting Fairbanks. Ondertussen hebben we de twijfelachtige reputatie gekregen dat wij altijd mooie slaapplekjes weten te vinden en de twee echtparen kijken ons verwachtingsvol aan. Op goed geluk rijden we een bospaadje in en vinden een grote open plek, waar we gemakkelijk met de drie campers kunnen staan.

Terwijl PJ de anderen via de walkie-talkie oproept dat ze kunnen komen, zie ik een vuurplaats. Iemand heeft op een kei TJC geschreven. Ik pak een stukje houtskool, maak van de T een P en wacht af. SueAnn ziet het als eerste. “Hebben jullie hier al eens eerder gekampeerd?”.
“Nee, echt niet”, kan ik zonder te liegen zeggen.

Even noordelijk van de stad Fairbanks ligt de Chena Hot Springs Road waar we op zoek gaan naar elanden. Het is ondertussen 1 september en het jachtseizoen op deze dieren is begonnen. We moeten dus ook deze weg delen met de jagers. De Amerikanen zijn gelukkig niet zo agressief als de Eskimo’s, maar we zien geen enkele mannetjes eland. Wel veel bevers en elandkoeien met hun jongen. Hoe zouden deze vrouwtjes weten dat ze een vrijbrief voor de jagers hebben?

Ook langs deze weg vinden we heerlijke gratis kampeerstekkies en we beginnen nu ook zelf te geloven dat we er een neus voor hebben. Ondanks dat we prachtige foto’s maken van de elanden, zijn we niet hiervoor helemaal naar Alaska gereden. We zijn op zoek naar de mannetjes die hier de grootste geweien hebben. Als we die elanden willen fotograferen zullen we echt naar Denali Nationaal Park moeten gaan, waar ze niet gejaagd mogen worden. We balen daar wel een beetje van, want zo komen we nooit van de gebaande wegen af. Elke wildlife fotograaf fotografeert zijn elandstieren in Denali. 

Een paar uur zuidelijk van Fairbanks ligt Denali National Park. Dit park is zo beschermd dat je er alleen met een georganiseerde bustour in kunt. Maar de eerste 25 kilometers zijn wel open voor toeristen met eigen vervoer en 12 kilometer daarvan is de habitat van de elanden. Tien dagen lang rijden we op en neer op dat korte stukje asfaltweg en vinden mooie exemplaren met enorme geweien.
De herfstkleuren van de toendra vallen dit jaar een beetje tegen. Het is zo warm geweest dat de blaadjes van de lage struiken niet oranje kleuren, maar bruin verschrompelen. Maar na een paar vriesnachten, kleuren de resterende blaadjes alsnog in alle tinten oranje, rood en paars. Mount McKinley, de hoogste berg van Noord Amerika, is nog nooit zo vaak zichtbaar geweest.

Natuurlijk komen we ook een paar bevriende fotografen tegen. Ze plagen mij als ze zien hoe ingepakt ik erbij loop . “Claudia, wat ga je aandoen als het echt koud is?”.
“Dan ga ik naar Mexico”, kaats ik terug. Het is net boven het vriespunt en er waait een dun windje over de toendra. Ik heb een fleecebroek aan, daarover een gewatteerde skibroek, drie truien, een winterjas, muts, wanten en mijn wandelschoenen, maar als we een uur buiten staan wachten op een eland die ligt te slapen, heb ik het als enige niet koud.

Bob, SueAnn, Dave en Jenny besluiten drie dagen bustour te boeken. Wij doen dit niet, want we weten uit ervaring hoe frustrerend het is als je dieren ziet en de buschauffeur al na een paar minuten weer verder wil rijden. Ondertussen hebben we ons e-mail gecheckt en lezen we dat een echtpaar - dat op de Dempster is gebleven - veel migrerende kariboes heeft gezien, beren en zelfs een toendrawolf. Wij besluiten met z’n tweetjes terug te gaan naar de Dempster.  

De Top of the World Highway is nu volop in herfstkleuren en ik maak veel foto’s. Als we stoppen bij een restarea komt een nieuwsgierige rode vos wel heel dichtbij en snuffelt zelfs aan PJ’s schoenen. Bij een andere restarea zien we verse berensporen in de natte modder.  

Het heeft een paar dagen geregend en als we bij het begin van de Dempster aankomen is de onverharde weg veranderd in een glibberige modderweg met volgelopen potholes (gaten). Het duurt niet lang voordat de camper tot aan het dak onder een dikke laag opgespatte modder zit. We doen het rustig aan op de spekgladde weg en doen er nu veel langer over om bij Eagle Plains te komen. Ik spreek een paar toeristen aan en vraag of ze wildlife hebben gezien.
“Oh ja, kariboes en beren”. Dat is precies wat we verwachten, dus ik vraag niet verder.
Vol verwachting komen we aan op de bekende migratieplek. Maar tot onze stomme verbazing zien we helemaal niets! Geen kariboes, geen jagers en geen andere kampeerders. De toendra is nu een eindeloze bruine vlakte geworden. Twee dagen lang staren we over de toendra en hopen op de kariboes, maar ze laten zich niet meer zien. Uit verveling wassen we de camper in een plas. We zien ’s nachts nog wel het Noorderlicht, maar het is de witte versie. Op foto’s kun je niet zien dat die witte wolken bewegen, dus laten we de camera maar in de koffer, maar ik zit een uur voor ons grote raam naar buiten te kijken.

Teleurgesteld rijden we de 500 kilometer weer terug. Bij Eagle Plains informeer ik bij de pompbediende en de receptioniste van het motel waar de kariboes gebleven zijn.
“Ze zijn weggejaagd door de jagers”, is het antwoord van beiden. Dat verbaasd ons wel, want de Eskimo’s jagen toch al jarenlang op deze manier op de migrerende kudde. “Misschien zie je ze wel zuidelijk van hier”.
Een Duitse toerist komt net uit het Zuiden en ik vraag of hij kariboes gezien heeft.
Jawohl, vielen kariboes, 15 minuten geleden. Ze dronken vlakbij de weg en verdwenen toen weer over de heuvel”. Natuurlijk speuren we de weg af, maar wij zien geen kariboes. Twintig kilometer voor het einde van de Dempster zien we aan de rechterkant een geparkeerde auto staan en aan de linkerkant op een paadje een….wolf?
“Zag jij dat ook?’, vraag ik PJ. 
“Ja, volgens mij is dat een grijze wolf”.
PJ remt, draait de camper en we rijden terug naar het paadje. We twijfelen nog, want het beest staat er nog steeds en heeft een wit gezicht, witte voorpoten en is zo mooi dat het niet waar kan zijn. We worden in de war gebracht door de geparkeerde auto. Het is vast iemands wolfshond.
Tegen de tijd dat PJ geremd heeft en ik kan gaan schieten, heeft de wolf zich omgedraaid en loopt weg over hetzelfde paadje. We weten het nu zeker; het is een toendrawolf. Hij kijkt nog een keer om.
Wat een prachtig beest met die indringende ogen! Het maakt deze teleurstellende trip nog een beetje goed.

We rijden via de Campell Highway naar Watson Lake. Dit is weer een onverharde weg van 600 kilometer. Ik begrijp niet waarom ze deze onverharde wegen highways noemen. Ross River ligt halverwege en daar moeten we tanken. De pomp bestaat uit een enorme witte tank waar een slang uitkomt. Maar er komt geen diesel uit. Een klein Indiaans vrouwtje met een sigaret in haar mondhoek vertelt ons dat de pomp kapot is, maar binnen vijf minuutjes gemaakt zal zijn. De figuren die hier rondlopen zien er verlopen uit. Een man vraagt PJ om een biertje, want de kroeg gaat pas om vier uur open. Je zou toch maar in de middle of nowhere wonen, 300 kilometer van een supermarkt of ziekenhuis. Het vrouwtje begint een onsamenhangend verhaal aan mij op te hangen. Een Bin Laden figuur merkt op dat ze niet zou moeten roken bij een benzinestation en ze wil de sigaret aan mij geven.
"Nee, dank je, ik rook niet”.
Ze omhelst mij en begint te lachen met een haast tandenloze mond.
Na vijf minuten begint de pomp inderdaad te ratelen en kunnen we tanken. Als PJ gaat afrekenen, hoort hij dat de pomp al anderhalve dag kapot was en zojuist gemaakt is. Hadden we mooi vastgezeten in dit gehucht!

Na vier weken zijn we terug in Hyder en worden verwelkomt door regen en af en toe een grizzlybeer die meer over het parkeerterrein loopt dan in de kreek. Ook de marter loopt nog steeds op het parkeerterrein en kruipt in de pick-up’s. We blijven vier dagen en spreken af met Bob, SueAnn, Dave en Jenny elkaar weer in Bella Coola te zien.

21 september - 5 oktober 2007

Vanuit Hyder rijden we over de Yellowhead Highway naar Bella Coola. Dit is eindelijk weer een snelweg die z’n naam waardig is. De Yellowhead wordt ook wel de Highway of Tears genoemd, omdat in de afgelopen jaren negen vrouwen vermoord of vermist zijn langs deze snelweg.
Er moet wel bij gezegd worden dat het meerderdeel van de dames/ meisjes aan het liften waren.
De route naar Bella Coola kennen we op ons duimpje. Dat is wel zo gemakkelijk bij de planning. In Prince George weten we een paar grote supermarkten en kunnen we eindelijk weer (sinds Fairbanks) goedkoop boodschappen doen. In Quesnel internetten we een paar uur op het parkeerterrein van de McDonalds (en eten rodekool-stamppot) en in Williams Lake doen we bij de wasserette onze was. Het verbaasd mij hoeveel mensen in Noord Amerika hun was bij de wasserette doen. Soms zien we een moeder die de hele middag babyrompertjes e.d. aan het wassen, drogen en vouwen is. Zouden die mensen thuis echt geen wasmachine hebben? Lijkt mij toch een eerste levensbehoefte. Ik weet niet eens of er zulke openbare wasserettes in Nederland bestaan.

Vanaf Williams Lake moeten we nog 450 kilometer via een geasfalteerde doodlopende weg naar de Bella Coola vallei.
Dat is best een saai stuk. Na 400 kilometer zijn we op de Heckman pas die op 1500 meter ligt. Daarna moeten we in slechts negentien kilometer afzakken naar zeeniveau via een ongeasfalteerde weg die op sommige stukken maar eenbaans is, maar wel tweerichting! En met een dalingspercentage van 17%! De lokale bevolking noemt deze berg gemakshalve ‘the Hill’. We hebben dit nu al een paar keer gedaan, maar het blijft een spectaculaire afdaling.  

Wij arriveren er als eerste in de Bella Coola vallei, Dave en Jenny volgen een halve dag later en Bob en SueAnn twee dagen later. Ook Harry en Marvin zijn dit jaar weer van de partij. Zij komen ‘uit de buurt’, ze wonen namelijk in Quesnel, 550km noord. Verder is er een Frans fotografen stelletje, Maz en Maria die al 8 jaar reizen. Ross is er dit jaar voor het eerst. Hij is een dierenarts uit Montana, die na onze enthousiaste verhalen ook maar eens een kijkje komt nemen. En dan heb ik alle mensen genoemd waarmee we het park moeten delen! Af en toe nog een verdwaalde toerist, maar dat is echt alles. Heerlijk toch? 

Het Tweedsmuir Provincial Park en de Bella Coola vallei zijn prachtig mooi. Enorme hoge oude naaldbomen, superheldere beekjes en watervallen, het turkooizen gletsjerwater van de Bella Coola rivier, bergen met eeuwige sneeuw en gletsjers, mysterieus hangend mos, vele soorten paddenstoelen, leuke houten huizen en natuurlijk de beren. Want daar draait het weer om. 

Al snel zien we een bekende grizzlybeer van vorig jaar, een vrouwtje met een prachtige blonde tweeling, die nu anderhalf jaar oud zijn. Het gedrag van de beertjes is nog precies hetzelfde: moeder negeert ons, één jong vist zelf en de andere vindt die fotografen helemaal niets en kijkt ons steeds met een pruillip aan. De beertjes zijn maar een klein stukje groter dan vorig jaar. 

Omdat het al zo ver in het seizoen is, hoeven we gelukkig niet meer zo vroeg op te staan. Meestal rijden we pas om kwart over zeven ons (natuurlijk gratis) kampeerstekkie af en zien we de dag wakker worden. Het weer is wisselvallig, bewolkt, zonnig, af en toe een regenbui en rond de tien graden. Als de zon schijnt hebben we erg last van stekende vliegjes en als ze niet schijnt worden we van het stilstaan koud tot op het bot. 

We lopen nog een bekende tegen het lijf, Joe, die we kennen van Hyder. Hij is hier voor een vistrip en belooft een mooie Chinook zalm voor ons te vangen. Een paar dagen later krijgen we twee prachtige filets van 30 centimeter lang en tien breed. We kunnen er met z’n 7-en van eten. SueAnn kruidt de filets en verpakt ze in aluminium folie, bakt verse broodjes, PJ en Dave bakken de filets op de barbecue, ik prop het gezelschap in onze camper en gezamenlijk eten we ervan. De volgende dag bakt SueAnn van het restant visburgers.

We zien een grizzly met wel drie enorme jongen. Vorig jaar hebben we ook een beer met een drieling gezien, maar die waren toen al tweeëneenhalf jaar oud. Normaal slapen de jongen twee winters bij hun moeder in haar hol en worden dan in april/mei door haar verstoten en moeten ze het zelf rooien. Nadat we de berenfamilie gefotografeerd hebben, kan ik de foto’s eens nauwkeurig bekijken. De moeder van vorig jaar was duidelijk herkenbaar, want dat is de lelijkste beer die we ooit gezien hebben. Ze heeft een enorme neus met een bobbel en een hanglip. De beer die we dit jaar zien, heeft dat ook! Dat betekent dat haar jongen nu al voor het derde jaar bij haar zijn! Wonderlijk hoor. Ook deze berenfamilie negeert ons en we kunnen ze van heel dichtbij fotograferen terwijl ze hun gangetje gaan. Een paar dagen later zien we ze alle zeven tegelijk!

Maar dat zijn natuurlijk niet de enige beren die we zien. We zien ook zwarte beren en enkele beren. Die lijken soms zo op elkaar dat ook wij niet weten of we ze al eerder gezien hebben. We zien ook een jonge elandstier die naar de verkeerde koeien aan het snuffelen is.

Een half uur van het Tweedsmuir Park ligt de plaats Hagensborg. Hier pikken we wireless internet op bij een hotel. SueAnn kan de naam van de plaats maar niet onthouden en we liggen in een deuk als zij vraagt of we in “HagenDaz gaan e-mailen”. We vertellen haar dat het een naam uit Noorwegen is, maar ook dan blijft het niet hangen, want ze zegt: “Zullen we morgen naar Kopenhagen gaan?”  

Op een late namiddag zit ik aan een picknicktafel en PJ is even in de camper. De rest van ons gezelschap is ergens anders. Ik tuur links en rechts over de rivier of ik beren zie. Ik heb het gevoel bekeken te worden. Ik kijk langzaam naar links en op nog geen tien meter bij mij vandaan staat de engste zwarte beer die ik ooit gezien heb. Zijn tong hangt uit zijn bek en zijn ogen hebben een witte waas. Ik spring van de picknicktafel en roep: “Peejeeh” en verstop me achter de motorkap van de auto. PJ hoort mijn schreeuw, gooit de deur van de camper open en staat op nog geen twee meter oog in oog met die lelijke zwarte beer. De beer staart met zijn melkogen naar hem en PJ staart terug en maakt zich ondertussen zorgen waar ik ben. De beer verbreekt de staarsessie en loopt langs de camper naar de voorkant en ik spring in de cabine. Ik zie dat hij naar de rivier loopt en PJ maakt nog snel een foto (weinig licht). Wat een enge beer! Op 5 oktober zijn we al 12 dagen in de Bella Coola vallei. Er zit sneeuw in de lucht en we moeten ‘de Hill’ nog op. We besluiten dus maar te vertrekken.

Het wordt tijd om terug naar Salt Lake City te gaan om naar Nederland te vliegen.

Terug naar overzichtspagina reisverslagen USA