Reisverslag Zuid-Amerika 2005-2006

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English

terug naar eerste gedeelte van verslag

Vervolg: Een jaar met de camper door Zuid-Amerika

Argentinie 18 januari - 17 februari 2006

Net over de grens, die zeer gemakkelijk verloopt, zet PJ de camper op de eerste de beste camping neer. Hoe nu verder? Als we e-mail checken, lezen we dat de Vlamingen Greetje en Patrick in San Carlos de Bariloche zijn, de eerstvolgende stad. We hebben al een jaar emailcontact, maar hen nog nooit ontmoet. Zij reizen in een camper van Alaska naar Vuurland. We ontmoeten elkaar bij de FIAT garage, want ook zij hebben problemen met hun auto. Het blijkt een hartelijk stel van onze leeftijd te zijn, dat ons onmiddellijk aanbied te helpen met onze autoproblemen. Zij wonen al tien jaar op het Canarische eiland Tenerife en spreken natuurlijk vloeiend Spaans. De eigenaar van de FIAT garage hoort onze problemen aan en checkt met een tweetal monteurs onze motor. De reparatie in Osorno is wel goed uitgevoerd, maar waarschijnlijk zijn de injectoren niet goed afgesteld. Dit is ook niet eenvoudig en volgens de eigenaar kunnen we dat laten doen in Comodoro Rivadavia. Die plaats ligt meer dan 1200 kilometer zuidelijker! De eigenaar zegt er wel bij dat we zonder problemen nog duizenden kilometers kunnen rijden, als we de temperatuur van de motor maar in de gaten houden. En als we deze trip met z’n vieren kunnen doen, durven wij het wel aan.

Het vergt wel een beetje aanpassing, want Patrick en Greetje hebben een andere manier van reizen. Zo zijn zij in drie en een halve week van Ecuador naar Argentinië gereisd.

Ze blijven bijna nergens langer dan een dag staan, hebben geen campings nodig voor een douche, want hun camper is van alle gemakken voorzien (1000 km aan diesel, 160 liter propaan, 180 liter water). Overnachten doen ze op benzinestations en ze zijn gek van steden bezoeken, waarbij hun camper steevast hartje centrum geparkeerd wordt. Ook bijvoorbeeld in het gevaarlijke Guatemala-stad. Ze zijn ondernemers in hart en nieren en hebben in Guatemala een container vol hangmatten en tassen gekocht en die verscheept naar Tenerife. Souvenirs kopen ze in grote aantallen, met als doel die voor het tienvoudige later in Europa weer te verkopen.
Onze verschillende manier van reizen ondervinden we al in Bariloche. Deze stad staat bekend om zijn inbraken in buitenlandse voertuigen, dus wij willen het liefst op de camping kamperen. Maar Greetje en Patrick hebben een Belgische vriend die zeven jaar geleden naar Argentinië geëmigreerd is en we kunnen in zijn straat overnachten. Francis blijkt een gezellige Vlaming te zijn en woont samen met de vrolijke Argentijnse Ana en veel geadopteerde zwerfhonden.

 

Met z’n zessen gaan we als heuse toeristen met de kabelbaan (Francis heeft zes vrijkaartjes) naar Cerro Campanario en lunchen in het ronddraaiende restaurant. Hier hebben een schitterend uitzicht op de met sneeuw bedekte bergen, blauwe meren en de stad. In Llao-Llao (Argentijnse uitspraak: sjau-sjau) overnachten we twee nachten langs een meer en fotograferen wij mooie vogels. Dit plaatsje ligt zo dicht bij Bariloche, dat Greetje en Patriek daar toch nog ’s avonds uit eten kunnen gaan.

   

     

Daarna gaan we door naar El Bolsón, een plaats vol met Argentijnse hippies die drie dagen per week hun kunstnijverheid op een enorme markt verkopen. Natuurlijk zijn wij er op de verkeerde dag, maar Greetje wil er wel een dagje op wachten. PJ en ik gaan natuurlijk meteen akkoord, maar willen wel weer eens op de camping staan. Bij de supermarkt vind ik een aankondiging van een camping drie minuten van het stadje. Als Patrick de weg vraagt in een verfwinkel is het antwoord: “Drie minuten? Ja, met de auto als je 180 kilometer per uur rijdt…”. De verkoper voegt er zelfs over zijn eigen volk aan toe: “Argentijnen zijn leugenaars”.
We vinden een andere camping, niet op loopafstand van het stadje, en brengen de middag kaartend door. Voor de eerste keer in hun reis rolt Patrick de zonneluifel uit!

De markt staat vol met creatieve mensen, die allemaal iets anders gemaakt hebben. Hier proef ik voor het eerst mate (uitspraak may-tay), een kruidenthee gemaakt van een soort hulstblaadjes. Deze drank is een typische Argentijnse volksdrank die niet in restaurants geserveerd wordt. Een kalebas wordt gevuld helemaal gevuld met de gedroogde blaadjes, dan wordt er heet water opgeschonken en de thee wordt opgezogen via een zilveren rietje met onderaan een zeefje. Deze drank wordt meestal gedeeld met anderen die allemaal uit hetzelfde rietje drinken. Patrick vraagt voor mij aan een wildvreemde of ik de mate mag proeven. Ik vind het niet lekker; het is een bitter drankje. Om de bittere smaak weg te spoelen eten we echte Belgische wafels met slagroom bij een oude Belgische hippie en gaan na de lunch verder reizen.

 

We steken Argentinië dwars (500 kilometer) over zodat we de slechte ongeasfalteerde route 40 naar het zuiden vermijden. Onderweg zien wij voor het eerst roze flamingo’s en stoppen natuurlijk meteen om ze te fotograferen. We overnachten bij een benzinestation. De route is Utah-achtig met gekleurde rotspartijen en blauwe luchten. Onderweg zien we regelmatig nandu’s, kleine struisvogels en guanacos, wilde lama’s. Deze lama’s kunnen venijnig bijten en zouden elkaar daarmee lelijk kunnen verwonden. Omdat ze bij het vechten om een vrouwtje eigenlijk alleen willen weten wie de sterkste is, bijten ze elkaar niet, maar worstelen met hun gespierde nekken. Ik zie zelfs een paar keer een mara, een Patagonische haas op hoge kangaroo-achtige poten. Maar op verzoek van Triek zoeven we met 100 km per uur door het landschap en dan is afremmen voor wild lastig. Voor ons is dat even slikken, maar we hebben er veel voor over om dit onherbergzame gedeelte van Argentinië met anderen te bereizen. De dorpjes op de kaart blijken gehuchten van drie huizen te zijn. De auto loopt goed en we krijgen steeds meer vertrouwen in ons campertje.  

Aan het eind van de middag komen we bij de oostkust aan en rijden we nog 75 kilometer onverharde weg, omdat wij graag hier pinguïns willen zien. De kniehoge Magellanic pinguïn broedt hier in Punta Tombo in grote getale. De parkwachter vertelt ons dat er nu zo’n 800.000 zijn! We lopen tussen hen door en verbazen ons over de geluiden die ze maken. Het lijkt wel of ze trompet spelen. Aanraken mogen we ze niet, maar de beestjes zijn zo nieuwsgierig dat ze ons tot op een paar centimeter naderen en we moeten oppassen dat we ze niet omver lopen. We zien ze in grote getale uit de zee komen, waarbij ze zich verrassend gemakkelijk bewegen. Eenmaal op land, nadat ze zich op het strand gedroogd hebben, lopen ze op de typische koddige manier naar hun nest, waar vaak een of twee jongen op hen wachten. De gevangen vis wordt direct in hun keeltjes uitgebraakt. We maken mooie foto’s en kunnen er niet genoeg van krijgen. Maar het park gaat sluiten en we moeten nog een flink stuk onverharde weg rijden om ergens langs de kant van de weg te kunnen overnachten. De zon gaat spectaculair onder. 

 

   

   

Terug op de geasfalteerde route 3 naar het zuiden voelen we pas goed de constante tegen- en zijwind. Het lijkt wel of er een draaikolk in de dieseltank zit, zoveel verbruikt de motor. Het landschap begint saai te worden, heuvels van geel gras met schapen, de Argentijnse pampa. Het enige verzetje zijn de wilde lama’s en struisvogels.
We arriveren in Comodoro Rivadavia, maar de Dodge garage kan niets voor ons doen. De motor loopt nu zo goed, dat PJ zich er verder ook niet druk over maakt. Maar het lijkt wel of ons pechduiveltje van onze schouder overgesprongen is naar die van de Vlamingen! Hun motor heeft last van een lekkende dieselleiding, later loopt hun volle gastank spontaan leeg, bij het verwisselen van de remschoenen raakt de rempot kapot en soms lekt de motor olie….

Verder naar het zuiden wijken we af naar de kust voor het Park Monte Leόn. Een Amerikaanse multimiljonair heeft de grond opgekocht en er een beschermd reservaat van gemaakt. Dit park heeft pas twee maanden de status Nationaal park en wordt niet druk bezocht. De entree en de camping is (nog) gratis. Hier kunnen we uitgebreid de guanacos (wilde lama’s) en een rode vos fotograferen. De kust is spectaculair met hoge kliffen en de regenwolken op zee zorgen voor mooie plaatjes. Volgens de borden is hier een wandeling van 45 minuten naar een grot die tijdens hoogwater half onder water komt te staan. Even twijfelen we nog of de wandeling zullen maken, want het waait met windkracht tig. We kleden ons tegen de wind en lopen over het natte zand naar de grot. Vijf minuten later zijn we er al! Later grappen we erover dat ze waarschijnlijk 4 à 5 minuten bedoelden…De Argentijnen doen hun naam als leugenaar zo wel eer aan.

   

   

Als we ’s morgens vertrekken uit het park Monte León vliegen de wilde lama’s ons om de oren. Twee lama’s worden zonder pardoes door een vrouwtje uit de kudde verdreven. Zonder moeite jaagt ze hen honderden meters ver weg. De beesten rennen voor onze auto’s langs naar de andere kant. Trots loopt het vrouwtje terug naar haar kudde. Wat een prachtig gezicht.

   

We volgen de geasfalteerde route 3 langs de kust naar het zuiden. We zien veel flamingo’s en PJ maakt mooie foto’s van hen vliegend. Langs de weg staan merkwaardige waarschuwingsborden voor zijwind. In Nederland is dat een bord met een windzak, hier is het een boom in de wind…maar er groeien op de pampa helemaal geen bomen!

   

In Rio Gallegos overnachten we op het parkeerterrein van een supermarkt en spelen zoals bijna elke avond een paar potjes kaart met Triek en Greetje. De volgende dag nemen we de ferryboot over een roerige straat van Magellan naar Tierra del Fuego (Vuurland). Hiervoor moeten we over het natte zand rijden.

   
Vuurland is de meest zuidelijke punt van Argentinië, maar moet dit delen met Chili. Daardoor moeten we die dag vier keer de grens over. Het is vandaag een Argentijnse feestdag en misschien dat het daarom zo druk is, want we staan anderhalf uur in de verschillende rijen. Formuliertjes invullen, stempeltje hier, stempeltje daar en dan zijn we in Chili. Daar begint alles weer opnieuw; visum aanvragen – voor drie uur Chili! – de auto tijdelijk importeren en al ons vlees en groente inleveren. Ik heb gezorgd dat we met een vrijwel lege koelkast de grens overgaan, dus dat is geen probleem. Nu moeten we zo’n 150 kilometer onverharde weg rijden tot aan de Argentijnse grens. Dit stukje van Vuurland is duidelijk het ondergeschoven kindje van Chili, want de weg is slecht onderhouden.

We laten Patrick het tempo bepalen en rijden niet harder dan 30 km per uur. De luxe camper van de Vlamingen is hier echt niet op gebouwd en steeds gaat er weer iets stuk. We begrijpen precies hoe ze zich voelen, want dat probleem hadden wij ook op de (nog slechtere) wegen van Bolivia. Straks krijgen ze nog spijt dat ze die Hollanders op sleeptouw hebben genomen! Na drie uur rijden we Chili weer uit en Argentinië in. De douanebeambten zijn nu allervriendelijkst.
 “Ik heb een vriend in Nederland. Hij woont in la asja”, zegt de man trots.
“La asja?”. We gokken Leiden, Assen?
De man moet het voor ons opschrijven, voordat we begrijpen waar hij het over heeft. La Haye schrijft hij op een blaadje.
“Oh, Den Haag!”. We kunnen maar niet wennen aan die Argentijnse uitspraak van de y, jj, en de ch die allemaal als sje klinken. 

In Rio Grande overnachten we op de camping. Hier staan de Zwitsers Andrea en Daniel en hun 11 maanden oude zoontje Killian. We hebben hen vijftien weken geleden ontmoet op de camping in Salta en het is leuk om hen weer terug te zien. Vervelend is wel dat ook zij niet zonder autoproblemen reizen en nu al een week of twee op een onderdeel wachten dat uit Engeland moet komen. We wisselen meteen boeken uit en vullen zo onze voorraad weer aan. We krijgen nu eindelijk het reizigersgevoel weer, want op de camping staan nog een aantal voertuigen met buitenlandse kentekenplaten. Een jong Duits stel (Melanie en Mathias) in een piepklein busje, een Duits gezin (Arne en Steffie en hun twee jonge zoontjes) met een enorme tot camper verbouwde vrachtwagen, die er van binnen zeer gelikt uitziet, twee Belgische fietsers en een Engels echtpaar, waar we geen contact mee krijgen, en nog een zootje fietsers. ’s Avonds zitten we gezellig tot na twaalven te kletsen en vieren Steffies 36ste verjaardag met champagne. We kennen deze mensen nog maar net, maar toch vind niemand het raar dat we als oude vrienden het glas heffen naar elkaar. De volgende avond is het weer zo gezellig en maken we het nog later.  

   

   

Patrick en Greetje staan alweer te trappelen om verder te reizen en we rijden die dag naar Ushuaia. Na een week alleen maar graslanden, zijn de bomen en de besneeuwde bergen een verademing. En dan zijn we er eindelijk, dik een maand te laat, in de meest zuidelijke stad ter wereld. Alaska ligt dik 17.000 kilometer noordelijk. Zuidelijk van ons ligt alleen Antarctica nog maar. Net zoals elke reiziger maken we foto’s bij het bord. Tijdens onze reis hebben we een paar keer op het punt gestaan om het bijltje erbij neer te gooien. We hadden niet durven dromen hier nog te komen en het is voor ons echt een mijlpaal van deze reis. We zijn dus ook in jubelstemming. Later krijgen we van reizigers e-mailtjes die zeggen: “Oh, ik weet nog precies dat wij daar twee jaar geleden ook stonden met die en die” (reizigers die wij dan ook weer kennen). Deze plek is echt mythisch.

 

   

Het stadje zelf is erg toeristisch en loopt vol met cruiseschippassagiers. Het enorme cruiseschip Queen Mary II ligt in de baai te pronken en de andere schepen vallen erbij in het niet. We rijden meteen door naar het nationaal park Tierra del Fuego, waar we overnachten. ’s Morgens staan we om vijf uur op om bevers te fotograferen. Triek en Greetje doen dapper met ons mee en we worden beloond met twee bevers die ons uitgebreid komen bekijken. Zwemmend door het water naderen ze ons tot op een paar meter. We zien ook een grijze vos die absoluut niet schuw is. Waarschijnlijk is hij regelmatig gevoerd.

   

   
            Crested Caracara                                               Great Grebe

   
                                                                                                          Ashy-headed Goose

Als we op een parkeerterreintje staan, komt er een zelfgemaakte camper met Nederlandse kentekenplaten oprijden. We raken aan de praat met dit oudere Hollandse echtpaar die hun camper vanuit Rotterdam naar Ecuador verscheept hebben.
Het accent van de man komt bij ons uit de buurt en als PJ vraagt waar hij vandaan komt, antwoordt hij: “Uit Wateringen”.
“Er woont een beroemde wereldreiziger in uw woonplaats”, antwoordt PJ.
“Weet je ook hoe die reiziger heet?”.
“Ja, Bert van Koppen”.
“Aangenaam”, zegt Bert van Koppen en steekt zijn hand uit.

We moeten hier vreselijk om lachen. Ik heb deze man zelfs een keer een e-mail gestuurd om wat informatie over de USA te krijgen, waar hij toen reisde. Bert schreef namelijk reisverslagen voor de plaatselijke Westlandse krant en mijn moeder heeft trouw alle stukjes voor ons uitgeknipt.
Bert reist nu met zijn vriendin Gretha. Een paar dagen later komen we hen weer tegen in Ushuaia. Na twee nachten in het wild kamperen, zijn we weer toe aan een douche en dus gaan we naar de camping in Ushuaia. Hier staan een Zwitsers stel dat wij al eens in Bolivia ontmoet hebben! Zij kennen Brenda en Guido en hebben een tijdje met de Zwitsers Daniel en Andrea gereisd. Wat is het toch een klein wereldje.

Wij willen nog een paar onverharde wegen op Vuurland rijden, maar de Belgen willen hun camper sparen en gaan terug naar het noorden. Het wordt dus tijd om afscheid te nemen van dit hartelijke Vlaamse stel. We zijn ervan overtuigd dat we hen nog wel tegen zullen komen. Met het vertrek van Patrick en Greetje verdwijnt ook de zon – zoals zij voorspeld hadden – en we monteren de video op de camping en kijken een DVD terwijl de regen de hele dag op ons camperdak tikt.  

Maar de volgende dag is het een stralend zonnige dag en we rijden 100 km onverharde weg naar Estancia Moat. Guido en Brenda hebben hier namelijk een koningspinguïn gezien, een anderhalve meter hoge pinguïn die normaal alleen op Antarctica voorkomt. Soms verdwaalt er eentje en we hopen dat hij er nog steeds zit. Onderweg zien we prachtige bomen die door de constante zijwind mooi krom staan. Ik noem het waaibomen. Een grote ijsvogel zit op een tak te pronken. We zien zo zuidelijk zelfs nog een paar papegaaitjes, maar de grote pinguïn zien we helaas niet. Toch hebben we geen spijt van de mooie rit.

   

 

Na een nachtje op een gratis camping, rijden we een andere onverharde weg naar Cabo San Pablo. Hier is een groot vrachtschip gestrand en op het zand liggen vreemd gevormde rotsen. Er hangen donderwolken in de lucht en de weg is nogal modderig. Om slippartijen te voorkomen, gaan we meteen terug naar de hoofdweg. Daar komen we Daniel en Andrea tegen! Hun onderdeel is eindelijk aangekomen en nadat we langs de weg een tijdje gekletst hebben, gaan we ieder ons weegs. Terug op de camping in Rio Grande zijn we dit keer de enigen en de regen komt gestaag uit de hemel. Alles ziet er troosteloos uit. Het lijkt een sombere avond te worden, maar dan ontmoeten we de Nederlands motorrijder Jacob (35) uit Ridderkerk. Heerlijk om de hele avond naar dat vertrouwde Rotterdamse accent te luisteren.

   

Jacob zwerft al sinds z’n zestiende werkend en reizend over de wereld en we wisselen tot in de vroege uurtjes reisverhalen uit. De volgende dag moeten we weer dat rondje grenzen doen. We waren echter iets eerder in Rio Grande dan verwacht en de koelkast zit nog vol met levensmiddelen. Omdat we nu weten hoe ze hier controleren, durven we het wel te verstoppen. Zo geef ik de beambte 1 ei en ligt de rest van het dozijn tussen de boeken. Het vlees gaat tussen de kleren en de groenten en fruit liggen ook verstopt. Met het achterlaten van 1 ei, twee tomaten en een half ons bacon zijn we de grens over. Typisch voorbeeld van 'appeltje-eitje'.

De zon schijnt ondertussen alweer, maar de onverharde weg is door de regen in een nog slechtere staat en we vorderen maar langzaam. We zien op klaarlichte dag een oehoe uil die we uitgebreid kunnen fotograferen. De Straat van Magellan is rustig en we zijn in twintig minuten met de ferry over. Achter ons staat een vrachtwagen met heel veel schapen, die zich als makke lammetjes laten vervoeren.

In Rio Gallegos staan Patrick en Greetje op het parkeerterrein van de supermarkt! We brengen de avond kaartend door.
 
                     Great-horned Owl                           Pygmy Owl

 Zij zijn al naar de gletsjers geweest, wij gaan daar nu naar toe, dus de volgende dag moeten we alweer afscheid nemen. We rijden in vier uur naar het Los Glaciares Nationaal Park. Melanie en Mathias – het Duitse stel in dat kleine busje – komen er net uitrijden. Ze vertellen ons dat we na acht uur ‘s avonds gratis het park in kunnen rijden. Maar het is nu stralend weer en dat kan in de bergen zo veranderen, dus betalen we het hoge entreebedrag en rijden het park in. De Perito Morene glacier is een van weinige gletsjers ter wereld die nog steeds groeit; wel twee meter per dag! De gletsjer is 14 kilometer lang en 5 kilometer breed. De ijswand waar wij tegenaan kijken is ongeveer 50 meter hoog. De grote aantrekkingskracht van deze gletsjer is dat er regelmatig grote stukken ijs afbreken die met veel geweld in het water vallen. Vol verwachting gaan we zitten wachten met het fototoestel en de videocamera in aanslag. Een condor zweeft over de gletsjer. Af en toe horen we gerommel, alsof het ver weg onweert. En dan valt er een stukje van de muur, niet groot, maar met verrassend veel lawaai. Die middag zien we een paar keer een stukje ijs vallen en we besluiten de volgende morgen nog eens terug te keren.

   

We mogen gratis overnachten bij een restaurant, niet ver van het uitkijkpunt van de gletsjer. Die nacht is het volle maan en zou wel een bezoek aan de gletsjer waard zijn, maar van de parkwachter horen we dat de maan pas om twee uur ’s nachts boven de gletsjer staat en dat vinden we te laat. De volgende morgen rijden we al vroeg naar het parkeerterrein. PJ wil eerst wakker worden met een kop koffie. Terwijl we koffie drinken horen we een enorme knal en daarna gerommel dat minutenlang doorgaat. We denken een klapper gemist te hebben. Terwijl we snel naar het uitkijkpunt lopen, begint de gletsjer weer te rommelen en als hij in zicht komt, zien we een enorme ijsschots met grote snelheid drijven. Ook die klapper hebben we gemist! De gletsjer blijft rommelen en af en toe horen we een kanonschot, maar we zien geen ijs vallen. Groene papegaaitjes proberen boven het gerommel uit te schreeuwen, maar de gletsjer wint het toch echt. De zon schijnt stralend op het blauwe ijs en verwarmt de gletsjer een beetje. En dan zien ook wij een flink stuk vallen en we leggen het allebei vast op video en foto. We zijn blij met het resultaat en als de toeristen in grote getale beginnen te arriveren, vertrekken wij.

   

   

Bij het prachtig azuurblauwe Lago Argentino fotograferen we geduldig de roze flamingo’s.

   

Het stadje El Calafate is lekker toeristisch en we rijden de camping op. Het ziet er troosteloos uit en ik wil het liefst meteen omkeren. PJ heeft daar geen zin en achteraf blijven we er vijf dagen! Een oude blauwe VW-bus met Nederlandse kentekenplaten komt aan het eind van de middag het terrein oprijden. We raken aan de praat met de Rotterdamse Marcel (33) en zijn Indische vriendin Dhanja (31). Dit gezellige stel nodigt ons meteen uit voor een Argentijnse barbecue, die bestaat uit geroosterd vlees, - uien en – paprika, een homp brood en rode wijn. De avond vliegt voorbij en we hebben het prima naar ons zin op deze dure camping. Dhanja kent de Zwitsers -die wij in Bolivia en Ushuaia ontmoet hebben - ook goed, zij heeft tien dagen naast hen gestaan toen Marcel naar Antarctica voer. We blijken nog meer gemeenschappelijke reiskennissen te hebben en de meiden kunnen ouderwets roddelen. Ik voer de campingkat kattenbrokjes, maar daar haalt hij zijn neus voor op. Hij wil liever een stukje biefstuk van de barbecue!

De volgende dag gaan Marcel en Dhanja naar de gletsjer. Wij zijn die avond getuige van een echtelijke ruzie van onze Zwitserse/Deense overburen, die al drieëneenhalve maand op de fiets op huwelijksreis door Zuid Amerika zijn.

De Zwitser pakt zijn boeltje en fietst de camping af. Hij laat haar hier gewoon achter! Als de Deense voor haar tentje zit te huilen, speelt PJ de reddende engel en vraagt haar binnen. Wij horen Tine’s (35) verhaal aan, troosten haar en voeren haar rode wijn. Ook de volgende dag houden we Tine in de gaten. PJ is diep verontwaardigd dat de Zwitser zijn vrouw na een (langslepende) ruzie hier heeft achtergelaten. Dat doe je toch niet! Ondertussen zijn Marcel en Dhanja weer terug van de gletsjer en ik bak pannenkoeken voor ons vijven. Voor we het weten doen we alles met z’n vijven en hopen we dat Tine een beetje afleiding heeft.

’s Avonds laat gaan we met z’n vijven een hamburgertje eten. De drankbestelling is twee thee, een bier, een versgeperste sinaasappelsap en ik bestel een perzikmilkshake. Milkshake bestaat in Zuid Amerika uit vers sap met melk, dat wordt opgeklopt. De thee wordt redelijk snel geserveerd, maar de rest van de drankjes blijven uit. Nadat we meerdere malen de ober hebben aangesproken komt na 50 (!) minuten eindelijk PJ z’n biertje. Tien minuten later worden er twee grote glazen sinaasappelsap op tafel gezet.
“Ik heb een perzikmilkshake besteld”.
“Dat is een milkshake”, zegt de ober zonder blikken of blozen.
Ik proef mijn sap en dat van Marcel, Marcel neemt een slok van mijn drank en dat van hem en we komen overeen dat we allebei versgeperste sinaasappelsap hebben gekregen.
Pissig loop ik naar de bar. “Ik heb een perzikmilkshake besteld, geen sinaasappelsap” en zet het glas sap op de toog.
“We hebben geen ijs meer”, verontschuldigt de barkeepster zich.
“Ik heb een milkshake besteld, daar zit geen ijs in”, blijf ik volhouden.
“Misschien is de vertaling in de menukaart niet helemaal duidelijk”, verweerd de barkeepster zich.
Ik pak de menukaart en wijs op de Spaanse uitdrukking voor milkshake. “Licuardo de leche con juego de duranzo, dat is toch melk met perzikensap?”.
“Oh, wilt u een perzikmilkshake? Geen probleem”.
Tien minuten later heb ik dan eindelijk mijn milkshake en komen ook de hamburgers. We leggen geen fooi neer voor de ober…
Het is ondertussen half 11 ‘s avonds en we lopen naar een openluchtpopconcert en nijverheidsmarkt. De Argentijnen beginnen nu pas op te leven en het concert gaat tot twee uur ’s nachts door. Dan liggen wij allang in bed en deinen mee op de muziek. We zitten midden in een feestweek, omdat het Lago Argentino zoveel jaar bestaat.

De volgende dag gaan we naar een asado, een Argentijnse barbecue, waar in een grote vuurcirkel vlees op verticale rekken wordt geroosterd. Met zoveel vrouwelijke charme (3) en blonde koppen (4) krijgen we gratis 5 borden met vlees. De folklore gaat verder met een rodeo. Ik maak mooie foto’s van de dappere mannen die zonder zadel 60 seconden op de rug van een wild paard moeten blijven zitten. Tijdens die minuut zingt een man gepassioneerd over de ruiter en drijft het tempo met zijn gitaar op.

   

   

PJ is duidelijk minder gecharmeerd en roept dat het dierenmishandeling is. Ze gaan inderdaad wat hardhandig met de paarden om, maar de beesten nemen vrijwel altijd wraak door hun ruiter eraf te gooien. Op het terrein staat een enorme Duitse vrachtwagen: daar hebben we de Duitse familie Arne en Steffie weer! We kletsen gezellig met hen en nemen alweer afscheid. Ook Dhonja en Marcel gaan een andere kant op en zo blijven we met Tine op de camping achter.

De volgende dag willen wij naar Fitz Roy, een bergketen 150 km noordelijk en PJ heeft er zichtbaar moeite mee zijn zorgenkindje hier achter te laten. Dit verhaal krijgt nog een staartje.
 
18 februari 2006
Vanuit El Calafate rijden we een stukje over de mythische route 40 naar het noorden. Deze ongeasfalteerde weg is zo’n 4000 km lang en is een uitdaging voor vele reizigers. We zien er zelfs fietsers die twee dagen geleden van de camping in El Calafate vertrokken zijn! Aan de 200 kilometer die wij rijden, wordt druk gewerkt en zal in korte tijd geasfalteerd zijn. Daardoor verliest zo’n weg wel z’n charme, maar het schiet straks wel lekker op. Wij zijn op weg naar het Fitz Roy gebergte, dat van ver lijkt op de Italiaanse Dolomieten.

   
We kunnen de spitse punten van het gebergte nog net bewonderen, voordat een dik regenwolkendek het zicht ontrekt. En omdat dit zo zal blijven de komende dagen, gaan we de volgende dag alweer terug naar El Calafate.

Onderweg zien we voor het eerst een gordeldier. In Florida hebben we die dieren regelmatig dood langs de weg zien liggen en ik verwachtte daardoor een groter dier, maar de Argentijnse harige zesbandige gordeldieren zijn niet zo groot. Geen wonder dat we ze nooit zagen! Na deze eerste keer, zien we ze ineens veel vaker.

Terug op de camping in El Calafate is tot PJ’s grote opluchting de Deense Tine er nog steeds. Ik schreef al dat dit verhaal een staartje zou krijgen, want we bieden haar een lift aan, zodat ze weer een beetje op de rails komt. Ze zal tien dagen met ons meereizen. Haar fiets wordt aan de camper gehangen en haar spullen gaan op ons bed. Ze moet tussen ons in zitten, een niet zo comfortabele plaats, maar ze mag natuurlijk niet klagen. Als we in korte tijd de eerste 80 kilometer erop hebben zitten, zegt PJ: “Zo dat was een dag fietsen voor jou”. Als de vele kilometers voorbij flitsen en ze weer op reis is, realiseert Tine zich pas goed wat haar echtgenoot haar aangedaan heeft.
 

Zittend tussen een koppel dat al bijna 25 jaar samen is, is haar huwelijk van nog geen 3 ½ maand natuurlijk nog triester. Haar tranen beginnen te vloeien en zijn niet meer te stuiten. We troosten en praten veel.

   
                                                                                         Nandu's                        White-tailed Hawk

We maken die dag een grote sprong naar Monte Leon - een park waar we ook al met Triek en Greetje zijn geweest - omdat we weten dat we daar leuk kunnen kamperen. Vooral belangrijk voor Tine, want die slaapt in een tentje. ’s Avonds loop ik met haar naar de grot en vind de reflectie van de rotsen in het natte zand weer fantastisch. Tine wijst mij op prachtig geslepen stenen op het strand, in rode en groene tinten. Dat we die vorige keer helemaal niet gezien hebben, verbaast mij nog steeds. Ik raap een knikkerzak vol. Zij is tevreden met een enkele steen; het reizen per fiets met weinig bagage zit haar blijkbaar in het bloed.  

   

’s Morgens ben ik vroeg wakker en liggend in bed kijk ik naar de zonsopgang. PJ ligt als een lepeltje warm tegen mijn rug en ik realiseer mij ineens dat die dingen als wakker worden naast je lief, niet voor iedereen zo vanzelfsprekend is. Ik voel mij een bevoorrecht mens.

   

   

We rijden naar een camping in Puerto San Julián. De douches zijn extreem schoon en we kunnen zelfs onze kleren met warm water wassen. We zien hier voor het eerst dat het afval gescheiden wordt ingezameld. Ik voel mij een beetje schuldig als ik ons al eerder verzamelde afval ongescheiden in de verzamelbak gooi. Dat schuldgevoel is snel verdwenen als de vuilniswagen langs komt en alle vier de bakken in dezelfde laadbak geleegd worden! We blijven ons verbazen in Zuid-Amerika. Tine’s stemmingen wisselen nogal en ze lucht haar hart bij PJ. Ze weet niet wat ze moet doen. Liefde en haat liggen blijkbaar dichtbij elkaar.
Vanuit Juli
án rijden we 30 kilometer onverharde weg langs de kust. Tine wil dit wel op de fiets doen. Wij zijn allang blij dat ze dit aandurft en kunnen het alleen maar aanmoedigen. Onderweg zien wij helaas een stuk uitstekend ijzer op de weg over het hoofd en we rijden een achterband finaal aan gort. Gelukkig hoeft PJ de band niet onmiddellijk te verwisselen, want met vier achterbanden - waarvan een lek - kunnen we nog steeds rijden. Op het strand Playa la Mina treffen we Tine weer. Het strand ligt in de luwte van groengekleurde rotsen, maar er ligt zoveel afval dat we er niet blijven overnachten. Terug dus naar de camping van Julián en PJ verwisselt daar de band. Nu reizen we zonder reserveband.  

   

   

De saaie geasfalteerde route 3 loopt dwars door de graspampa, maar als je de moeite neemt om van de doorgaande weg af te gaan is er veel verrassend moois te zien. Onze volgende stop ligt 50 km van de hoofdweg over een onverharde weg en is nationaal monument Bosques Pétrificados, een landschap met omgevallen versteende bomen. Op het parkeerterrein ontdekt PJ dat een andere band leeg is! Zo heb je nooit last van lekke banden en zo gebeurt het elke dag! Net zoals in Amerika worden we ook hier door de parkwachter op het hart gedrukt geen versteend hout op te rapen als we over het wandelpad lopen. In de USA wordt uit Petrified Forest National Monument jaarlijks 11 ton aan versteend hout gestolen, dus daar liggen alleen nog maar grote brokken. We merken onmiddellijk dat hier veel minder toeristen komen, want naast het pad ligt het bezaaid met brokjes prachtig gekleurd versteend hout.  Het is inderdaad erg verleidelijk om zo’n gekleurde brok in je zak te laten glijden, maar dat doen we toch maar niet. Dit versteend hout komt van bomen die 150 miljoen jaar geleden het landschap sierden, nog voor het Andes gebergte bestond! Nadat ze bedolven werden onder vulkanisch as, begon het proces van verstenen. We zien de gigantische araucaria bomen horizontaal liggen in de woestijn en het is moeilijk voor te stellen dat hier zoveel jaren geleden een bos stond.

   

   

We kunnen kamperen bij een estancia, een boerderij die een prachtige collectie fossielen in een vitrinekast heeft uitgestald, allemaal gevonden op hun eigen land. Versteende dennenappels, - bladeren, - schelpen en zelfs afdrukken van vissen in steen zien we in de kast liggen.

De volgende morgen zien we regelmatig mara’s, Patagonische hazen, en het lukt mij zelfs een foto te maken van deze schuwe dieren. Als ze staan hebben ze dunne hoge poten die niet lijken te passen bij het rechthoekige stevige lichaam. En rennen doen ze als een kangaroe, met grote sprongen.

We gaan weer van de route 3 af, 100 kilometer oost naar Puerto Deseado, waar we ’s middags een drie uur durende tocht maken over de Rio Deseado in een grote rubberboot. In de steile kliffen langs deze azuurblauwe rivier nesten drie soorten aalscholvers en zien we een kolonie zeeleeuwen. Maar wat vooral indruk maakt zijn de zwart-witte Commerson’s dolfijnen, volgens kenners de mooiste dolfijnen ter wereld. Vier van deze zoogdieren vermaken ons door onder de boot door te zwemmen, zich te verstoppen en razendsnel weer tevoorschijn te komen. Als ik over de rand van de boot hang en met mijn handen het water beweeg, komen ze daar naar boven en kan ik ze bijna aanraken. Ze blazen hun adem uit in onze gezichten. Nadat onze gids Ricardo ons lange tijd met de dolfijnen laat spelen (of spelen ze een spelletje met ons?) gaan we nog op een van de pinguïneilanden aan land.

   
                                                          Blue-eyed Comorant

   

Op het strand, in de ondergaande zon, tussen de kolonie pinguïns gaat de kalebas met mate rond (je weet wel die bittere kruidenthee van een soort hulstblaadje). Ik blijf me verbazen dat we allemaal uit datzelfde rietje moeten lebberen. PJ proeft het nu ook en vindt het naar slechte koffie smaken. Misschien krijg je nu een idee wat een raar drankje dit is…Dik drie kwartier later dan de afgesproken tijd staan we weer aan wal. En later stuurt Ricardo ons ook nog wat foto’s via de e-mail op. Wij vinden het een geslaagde tour.

 

   

De volgende dag laten we de lekke band repareren. Ze zijn er een uur mee bezig en we moeten 2.79 Euro afrekenen. Speciaal voor Tine stoppen we nog eens voor een kolonie Magellan pinguïns in Cabo dos Bah
ías. Het zijn er een half miljoen minder dan in Punta Tombo, maar het lijken er veel meer. De duinen - waar ze nesten - zijn minder begroeid en overal waar we kijken zien we die zwart witte vogels. Ook hier kijken de jonge vogels ons nieuwsgierig aan met hun zwarte kraaloogjes. De volwassenen toeteren er weer op los. Dit geluid maken ze ter herkenning, maar ook om indruk te maken. En dat doen ze zeker, want we zien vaak dat zo’n toeterende pinguïn een groepje bewonderaars om zich heen verzamelt die hem vol adoratie aanstaart. We ontdekken het nest van een vos en ik maak mooie foto’s van de jonge vossen in de ondergaande zon.  

   

   

En dan gaan we verder noordwaarts naar het schiereiland Valdéz.  Hier treffen we dan eindelijk Guido en Brenda weer. We hebben vijf maanden bij te kletsen en schakelen al snel over in het Nederlands. Tine trekt zich langzaam terug en kondigt ’s avonds aan dat ze met de bus naar Puerto Madryn wil. Wij voelen ons een beetje schuldig dat we haar vandaag aan haar lot hebben overgelaten, maar kunnen haar niet overreden te blijven. Het minste wat we kunnen doen is haar met de auto naar die stad te brengen, een uurtje rijden van het schiereiland. Op de camping van Puerto Madryn nemen we afscheid. PJ heeft er geen goed gevoel over, maar meer kunnen we nu even niet voor haar doen. Later e-mailt ze ons dat ze met de bus naar Mendoza is gegaan en daar met haar echtgenoot afgesproken heeft. Ze hebben nog een lange moeizame weg te gaan, maar voorlopig zijn ze terug in Zwitserland en zelfs weer bij elkaar.

   

Het schiereiland Valdéz is ongeveer 100 bij 100 kilometer en is privé-bezit van verschillende schapenboeren. Het bestaat uit een saaie vlakte begroeid pampagras. Daarover lopen een aantal onverharde wegen. Toch staat het sinds 1999 op UNESCO’s  Wereld Erfgoedlijst, wij zullen er 5 weken blijven en dit wordt het hoogtepunt van onze Zuid Amerika reis! Waarom? Vanwege de orka’s! Op de noordpunt van het schiereiland, simpel Punta Norte genaamd, leeft een grote kolonie zeeleeuwen langs de kust. Orka’s hebben hier een heel speciale manier van jagen op deze zeeleeuwen. Ze grijpen de zeeleeuwpuppies in de branding en schuiven dan met hun halve lichaam het strand op en schuifelen dan met een boog de zee weer in! De enige andere plek ter wereld waar dit ook gebeurt, is ergens op een eiland in de Stille Zuidzee en daar mogen alleen researchers komen, geen toeristen. Dus Punta Norte is de enige plek ter wereld waar wij dit kunnen zien. Vanwege het rif voor het strand, kunnen de orka’s alleen met vloed het strand op komen. We worden geadviseerd om te komen 2 à 3 uur voor hoogtij en te wachten tot 2 à 3 uur erna. Hoogtij verandert elke dag met ongeveer een uur. Zes uur per dag moeten we dus paraat staan. Nu moet je niet denken dat dit dagelijks gebeurt, we moeten vooral veel geduld hebben. Guido en Brenda zijn hier al een dag of vijf en hebben wel een groep orka’s gezien, maar de aanval helaas gemist.

Op Punta Norte is geen camping, hiervoor moeten we elke dag 80 kilometer terug rijden naar Puerto Pirámides, een zanderig dorpje tussen de duinen met drie straten. Overal liggen walvisbotten in de tuintjes. Dit is de andere grote attractie van dit gebied; de walvissen die in december en januari in de baai vlak bij het strand verblijven. Maar daarvoor is het nu niet het juiste seizoen.

 

 

Verder heeft het dorp een aantal restaurantjes, een supermarktje, souvenirwinkels, een benzinestation, een internetcafé, motels en een gemeentecamping die het halve dorp beslaat. De camping is zo ongezellig groot dat we op zoek gaan naar een alternatief. Brenda heeft gehoord dat we ook bij de politie kunnen kamperen. We stappen het bureau binnen en vragen ernaar. Een vriendelijke agent gaat ons voor en achter het politiebureau is een intieme camping, compleet met hete douches en elektriciteit voor maar 2.80 Euro per nacht. Prima! Wel raar dat we rondgeleid worden door een agent in uniform, compleet met handboeien en wapen.

Het dorpje heeft zo zijn eigen ritme. Zo moet het internetcafé
’s morgens om 9 uur opengaan, maar het meisje dat de computers moet aanzetten, werkt ’s avonds als bordenwasser in een restaurant. Als dat laat wordt, gaat ’s morgens het café veel later open. Lastig voor ons als we voordat we naar Punta Norte gaan nog even onze e-mail willen checken. Ook de bakker houdt van uitslapen; hij levert ’s morgens zijn verse brood pas ergens tussen half 10 en 10 uur af bij de supermarkt. Als dan eindelijk hoog tij zo laat is dat we pas na tienen naar Punta Norte hoeven, en we weer vers brood kunnen kopen, doen ze in de supermarkt weer iets vreemds: Het knapperige stokbrood wordt steevast doormidden gebroken, zodat het in een tasje past. Zo begint het uitdrogingsproces tenminste direct als we de supermarkt verlaten, in plaats van pas als ik het voor het eerst aansnijdt.


boot: ons internetcafé
 

   

Elke morgen rijden we de saaie onverharde weg naar Punta Norte, waar we een uur over doen. PJ klaagt dat het lijkt of hij elke dag naar zijn werk gaat. Onderweg zien we behalve schapen vaak guanacos (wilde lama’s), nandu’s (struisvogels), een enkele vos, een stinkdier en uiltjes. Het wachten gaat serieus beginnen. De zon schijnt gelukkig en elke dag zitten we in de duinen te staren naar de zee en de zeeleeuwenkolonie. De jonge puppies krijgen zwemles en de moeders brullen luid instructies. De puppies mekkeren als schapen, de volwassen brullen als leeuwen. Grote mannetjes verdedigen nog steeds hun harem al is het ruim buiten het paarseizoen. Waar maken ze zich druk om? Er zijn in januari zo’n 1400 puppies geboren, elk bevrucht vrouwtje krijgt 1 jong. Toch zijn er veel meer puppies op het strand dan moeders. Als we navragen hoe dit komt, horen we dat de moeders zo’n drie dagen in zee op jacht gaan en dan pas terugkomen. Zo kan een orka ook gemakkelijk een nietsvermoedend jong uit de branding grijpen, die zonder toezicht van zijn moeder aan het spelen is. Maar zover is het nog lang niet. Dagen gaan voorbij zonder dat er iets gebeurt.

   

   

We leren een paar leuke stellen kennen. De Engelse Alison en haar Zwitserse vriend Markus reizen al lange tijd met een rugzak door Zuid Amerika. Ze waren van plan om drie dagen op Valdéz te blijven, maar als we na een week nog steeds niets gezien hebben, wordt het alleen maar moeilijker om weg te gaan, want dan is al het wachten voor niets geweest. Zo denkt ook de Duitse Franz erover, die met hen een huurauto deelt. Verder is er nog een Zwitserse stel, Nadia en Marcel, die met hun Zwitserse auto rondreizen.  

   
              Markus en Alison                                       Franz                                        Nadia en Marcel

   

Op het parkeerterrein van Punta Norte lopen tamme (lees: gevoerde) gordeldieren rond. We vinden de diertjes erg grappig.

   

Na vier dagen wachten zien we heel ver twee vinnen boven het water uitsteken. Twee orka’s zijn in de buurt, maar komen niet dichterbij. Jammer!
De huurauto van Allie, Markus en Franz start op een middag niet en de jongens duwen de auto aan. De volgende dag heeft Franz de sleutels in het contact laten zitten en Guido en PJ moeten inbreken. Voor alle hulp krijgen ze drie flessen rode wijn. Dit schreeuwt om een geintje. Om ook de derde fles verdient te hebben, laten de jongens de volgende dag een band leeglopen. Markus begint het verwisselen van de band en Guido snelt toe met alternatieve oplossingen. “Misschien is de band niet lek, maar alleen maar leeg?” en hij stelt voor de band met zijn compressor op te blazen. Als we hen ’s avonds boven een glas rode wijn opbiechten dat wij de band hebben leeg laten lopen, schateren ze het uit.  

   

Het tij verandert elke dag met een uur, dus na een aantal dagen zitten we rond het avondeten nog op Punta Norte. De stoeltjes komen naar buiten en Bren en ik maken een snelle maaltijd die we opeten bij onze voertuigen. Een gezellig glaasje wijn erbij denk ik nog, maar een van de gordeldieren heeft mijn glas op de grond ontdekt en zijn lange tong erin gestoken. Getver, zo leuk zijn die beestjes toch niet! Na zeven dagen wachten zien we weer twee vinnen ver weg. Na elf dagen nemen we afscheid van Guido en Brenda, die over een week met de boot vanuit Buenos Aires naar Nederland zullen vertrekken. We zijn blij dat we hen toch nog gezien hebben, nadat we elkaar op dit continent zo vaak zijn misgelopen. Franz is het wachten zat en vertrekt naar Santiago de Chile, waar zijn Chileense vriendin op hem wacht. De zomervakantie van de Argentijnen loopt ten einde en de politiecamping sluit zijn poort. We moeten helaas verhuizen naar de gemeentecamping. Daar wordt het douchegebouw maar om de drie dagen geopend en alleen tussen 7 en 8 uur ’s avonds! Na zestien dagen wachten stroomt het voor de verandering van de regen. Die dag hebben twee orka’s uitgekozen om echt langs te komen! Maar de orka’s hangen rond voor een zeeleeuwenkolonie die ongeveer 800 meter van ons vandaan ligt. Daar splitst het rif zich namelijk, waardoor er een soort kanaal ontstaat, waar de orka’s gemakkelijker hun aanval kunnen inzetten.

Dit wordt het attack channel genoemd. Op het strand, slechts een meter of 15 van de branding vandaan, zitten professionele fotografen, die toestemming van de regering hebben gekregen om zo dichtbij te zijn. Zij moeten hier U$150 per dag voor dokken, zonder garantie dat de orka’s er ook zullen zijn! Zij zijn verplicht om zes uur per dag op het strand te wachten, mogen er niet eerder af of er pas gaan zitten als de orka’s komen.

 
   Rechts in de cirkel zitten de fotografen op het strand.                            Mel, de 40 jaar oude mannetjes orka.

Met verrekijkers, in een waas van regen, moeten wij toezien hoe een vrouwtjesorka een stuk of acht keer het strand op schuift en vijf keer een puppy grijpt. Tenminste, dat horen we later van de fotografen, want echt zien kunnen we het niet. Ze deelt haar buit met een grote mannetjesorka, die zich door haar laat voeren. PJ en ik staan zo geconcentreerd in de verte te turen, dat wij helemaal niet doorhebben dat er twee nieuwe orka’s uit het noorden zijn gekomen.
“PJ, achter je, achter je!”, roept Allie en als wij ons half omdraaien, zien we een twee meter hoge vin uit het water steken, slechts een meter of vijf uit de branding en vlak voor ons. Wat een fantastisch gezicht. De volwassen mannetjesorka patrouilleert een paar keer heen en weer en zwemt met zijn vriendin terug naar het noorden. Dat maakt de dag toch weer goed. De rangers van Punta Norte zijn helemaal enthousiast, want het mannetje blijkt een ongeveer 40 jaar oude orka te zijn die ze Mel noemen en die vier jaar zoek is geweest. Het is het enige mannetje dat puppies van het strand af grijpt, verder doen alleen de vrouwtjes dit. Mel is tevens de hoofdrolspeler in de beroemde documentaire “Wolven van de Zee”, die regelmatig uitgezonden wordt op de natuurkanalen op de Nederlandse televisie. Als we denken dat het orkaseizoen nu geopend is, hebben we het goed mis. De komende dagen gebeurt er weer helemaal niets. Na 22 dagen wachten geven de Zwitsers Nadia en Marcus het op en een dag later ook Alison en Markus. Zes jaar later hebben we nog steeds email contact met al deze nieuwe vrienden. We zijn nu de enige toeristen die hier al zo’n lange tijd zijn. Ik ben het nu ook zat en wil eigenlijk opgeven. PJ overtuigt mij dat dan alle tijd die we erin gestoken hebben, voor niets is geweest en wil nog een week blijven. Ik ben hem daar later erg dankbaar voor. Want na 26 (!!!) dagen wachten, komt orka Mel weer terug. De vloed is om 18.45 uur dus we hebben een mooie avondzon die op het strand schijnt. De orka zet de aanval in, niet vlak voor ons, maar wel dichterbij dan de vrouwtjesorka tien dagen geleden en we kunnen mooie foto’s maken.

     

Wat een fantastisch gezicht om zo’n enorm beest zulke onnatuurlijke bewegingen te zien maken. Hij strand zeven keer en vangt vijf puppies. Klein detail: omdat vloed zo laat is, missen we onze douche op de camping en moeten nu zes dagen zonder douche doen!  

Vanaf die dag is het hek van de dam. Zeven dagen achter elkaar zien we een pod van elf orka’s! Ze wuiven met hun staarten, patrouilleren vlak voor ons langs het strand en surfen door de golven. Maar ze laten ook zien waarom ze de bijnaam ‘killer whale’ hebben. (het zijn trouwens geen walvissen, maar familie van de dolfijn...) Ze proberen de zeeleeuwpuppies, die nietsvermoedend in de branding zwemmen te grijpen, gaan achter pinguïns aan en zelfs de watervogels zijn niet veilig voor een orka. Ze gooien een gevangen pup door de lucht en laten hun jongen ermee spelen, als een kat met een muis. In het attack channel schuift een enkele orka wel 25 keer achter elkaar het strand op en vangt 11 puppies.

   

   

Op een middag, als het al 3 uur na hoog tij is, gaan een groep van acht orka’s naar het aanvalskanaal en beginnen het beachen te oefenen. Zo zien we de orka’s soms met z’n drieën tegelijk het strand opschuiven, terwijl er geen pup te bekennen is. Anderen botsen bovenop hen en vanaf ons standpunt is het een chaos van staarten, vinnen, glanzende lijven en koppen. Een van de (strand)fotografen vertelt ons later dat ze dit in 8 jaar tijd nog nooit gezien heeft. Een spectaculair gezicht, maar wel weer ver weg!

Jammer dat hier niet hetzelfde sfeertje hangt als bij Fish Creek, Alaska. Wij zijn de enige toeristen die zolang gebleven zijn.
 

De professionele fotografen die hier ook weken zijn, zitten de hele dag op het strand en we krijgen dan wel contact met een paar, maar we zitten nu eenmaal niet in hetzelfde schuitje. Als zij enthousiast van het strand komen, omdat ze zulke goede foto’s hebben gemaakt, hebben wij met lede ogen moeten toezien dat het weer in het attack channel gebeurde en niet in ons zicht. Toch neemt de Amerikaanse fotografe Gretchen en de beroemde biologe Ingrid Visser (youtube: the woman who swims with wild orcas) ons een dagje mee op sleeptouw, naar een strandje waar geen toeristen mogen komen. Dit is het oefenstrand voor de orkababies. We zien helaas geen orka's, maar de pinguïns lopen wel parmantig voorbij.

   

De laatste vier dagen zien we geen orka’s meer en in totaal zijn we dan 38 dagen op het schiereiland Valdez gebleven. Misschien dat niet iedereen ons enthousiasme kan delen en het zielig voor de zeeleeuwen vindt, maar wij zijn blij dat we deze unieke manier van jagen van deze orka’s hebben mogen zien en zelfs hebben kunnen fotograferen. Het wordt tijd om verder te gaan.

7 - 27 april 2006 

In de badplaats Puerto Madryn blijven we een paar dagen. We lopen de Zwitsers Andrea, Daniel en hun zoontje Kilian weer tegen het lijf, het stel dat zo’n tijd op een auto-onderdeel moest wachten in Rio Grande. We willen eigenlijk gratis langs de boulevard gaan staan, maar als de stad ineens verduisterd wordt door een zandstorm, besluiten we toch maar de beschutting van de dure stadscamping op te zoeken. Als we het bedrag omrekenen, blijkt het maar 6 euro te zijn, maar na al die goedkope campings waar we de laatste tijd gestaan hebben, vinden we dit ineens duur. Maar het is ook wat waard om op elk moment van de dag een warme douche te kunnen nemen, in plaats van een keer in de drie dagen tussen 7 en 8 uur ’s avonds!

Andrea en Daniel komen ons op de camping gezelschap houden. Ik geef de camper van binnen een flinke schoonmaakbeurt. Na 56 keer die 80 km onverharde stoffige weg naar Punta Norte zit het stof in alle hoeken en gaten. PJ wast de auto en de camper van buiten.  

Over de saaie route 3 gaan we verder naar het noorden. Het wild dat we zien oversteken is een vos en tot vier keer toe een tarantella spin. We tanken voor de laatste keer goedkope diesel ( 0.37 per liter). In tegenstelling tot bijvoorbeeld Alaska is in Argentinië de brandstof juist goedkoper in de afgezonderde gebieden zoals Patagonië. De regering heeft hiertoe besloten om mensen te stimuleren naar deze gebieden te verhuizen.  

De stad Viedma blijkt een stad met prachtige huizen langs de Río Negro te zijn. Wat vooral opvalt zijn de groene voortuinen met weelderige begroeiing. Dat hebben we al een hele tijd niet meer gezien. We slaan af van de hoofdroute naar het plaatsje El Cóndor. De condor zullen we hier niet zien, maar er zit wel een grote kolonie papegaaien. Tijdens het broedseizoen zijn het er wel 35.000. Ze hebben zich in de kustwand genesteld, waardoor de steile wand vol met gaten zit. De meeste papegaaien zijn al naar het noorden gemigreerd, maar er zijn er nog tientallen achtergebleven. Genoeg voor ons om ze morgen met het ochtendlicht te fotograferen.  
De volgende morgen worden we wakker met regen. Verdorie, nu kunnen we de papegaaien niet fotograferen. Balend rijden we terug naar Viedma en checken via het internet het weer. Voorlopig blijft het zo. We rijden dus maar verder naar het noorden. Onderweg zien we regelmatig de papegaaitjes op de elektriciteitskabels zitten. Ze hebben felgele buiken, groene lijven en blauwe vleugels.

Twee dagen rijden we door de regenbuien. De natuur begint te veranderen. De saaie pampa heeft plaatsgemaakt voor boerenlanderijen. Voor het vleesland dat Argentinië is, waren we verbaasd dat we nooit koeien zagen, maar nu zien we ze voor het eerst! Omdat op de pampa geen bomen groeien en we op het schiereiland Valdéz nog zulk mooi weer gehad hebben, hadden we eigenlijk niet door dat hier op 21 maart de  herfst begonnen is. Maar door de loofbomen zien we dat de herfst al in volle gang is. De bladeren zijn gekleurd en vallen door de regen al van de bomen. We moeten er even aan wennen dat de temperatuur niet boven de 15 graden uitkomt. Bij elk benzinestation staan soort frisdrankautomaten waar heet water getapt kan worden in een thermosfles. Het is wel duidelijk dat de Argentijnen echt niet zonder hun mate (bittere kruidenthee) kunnen.

De zon schijnt weer en de temperatuur loopt weer een beetje op. We zijn met een grote boog om Buenos Aires gereden en rijden de provincie Entre Ríos in. Deze provincie wordt aan twee kanten begrensd door grote rivieren en wordt daarom ook wel Mesopotamië genoemd.

We volgen de westkant van de Río Uruguay en kunnen het land Uruguay aan de overkant zien liggen. Het is hier groen, maar schijnbaar lang niet zo begroeid als het vroeger was. In de 19e eeuw bedekte een palmenbos grote delen van Entre Ríos, Uruguay en zuid Brazilië. Door de ontbossing en landbouw is er nog maar een klein stukje palmenbos over en dit is tot nationaal park verklaard. We willen de paasdagen doorbrengen in het El Palmar Nationaal Park. Hier hopen we de capybara te zien; het grootste knaagdier ter wereld, de vizcacha; een chinchillakonijn met een lange staart, de zorro del monte; een krabetende vos en de jabilí; het Europese wilde zwijn.

Maar met ons heeft half Buenos Aires bedacht hier het paasweekend door te brengen en de camping is overvol. Er staat zelfs een rij mensen voor de toiletten te wachten! De auto’s rijden af en aan in dit kleine park, dus rijden we er gelijk weer uit. Ondanks de aflatende stroom auto’s ziet een groep wilde zwijnen kans de weg over te steken, maar dat is dan ook het enige wild wat we zien.

We overnachten in de stad Concordia, gratis in het stadspark, met uitzicht op de Río Uruguay. PJ ligt de halve nacht wakker van het lawaai van feestende Argentijnen, maar ik knor er gewoon doorheen. De volgende dag is het nog steeds zonnig en we stoppen in Chajari, waar een thermaal zwemparadijs is. Voor maar 5,20 kunnen we hier kamperen en de hele dag in verschillende warme (40°C) zwembaden liggen, compleet met borrelende jacuzzi’s en warme watervallen. We kunnen er niet genoeg van krijgen en blijven hier drie dagen.

   

Ik vind het erg jammer dat we geen capybara’s hebben gezien en stel voor een omweg te maken naar Iberá Nationaal Park. Dit wordt in de reisgids vergeleken met de Braziliaanse Pantanal, ’s werelds grootste moerasgebied wat vol met wild zit. Hiervoor moeten we eerst 100 kilometer van de doorgaande route af en daarna nog 120 kilometer onverharde weg (en weer terug). De onverharde weg is vreselijk slecht en PJ heeft spijt dat hij hiermee ingestemd heeft. Volgens hem waren alleen de wegen in Bolivia nog slechter. Onderweg zien we dan eindelijk een grote familie capybara’s. Hierbij moet je een cavia voorstellen van 1.30 meter lang en 60 à 65 kilo zwaar! Waanzinnig! De jongen vluchten meteen het riet in, maar de twee volwassenen blijven nog even rustig in het ondiepe water zitten.

   

Na drie uur hobbelen en stuiteren komen we bij het plaatsje Colonia Carlos Pellegrini en het bezoekerscentrum van het park aan. Hier zien we nog veel meer van die grote knaagdieren. De temperatuur is ondertussen opgelopen naar 27 graden en is tropisch benauwd. Op de camping, die aan het water ligt, kunnen we voor de volgende dag een boottour boeken. Wij willen het liefst met het eerste ochtendlicht gaan varen, maar volgends de eigenaar van de camping c.q. gids is het dan veel te koud. We nemen aan dat de gids het beter weet en spreken af voor 9 uur ’s morgens.

De volgende morgen staan we gewoontegetrouw om half 8 op. De zon is al een half uur op en het is nu al 20 graden. Wat nu ‘te koud ’s morgens’? Met twee Spanjaarden stappen we om 9 uur in een heel klein bootje. Na tien minuten varen, komen we bij een moerasgebied aan. De gids vaart meteen heel dicht naar een zwarte kaaiman. Aha, daarom mochten we niet eerder gaan varen: we moesten wachten tot de kaaimannen gaan zonnen! Wij vinden krokodillen wel interessant, maar dat is niet de reden dat ik PJ in een bootje laat stappen. De boot bevaart maar een piepklein gedeelte van het park. We zien nog een paar capybara’s en wat mooie vogels. Het laatste uur van de tocht is het bewolkt en het begint te waaien.

   

     
                                                     Southern Screamer                       Green-barred Woodpecker        Giant Woodrail

   
           White-headed Marsh Tyrant                       White-necked Heron                                        Maguari Stork

Na dik twee uur staan we weer aan wal en zijn een beetje teleurgesteld. We hadden meer van de boottocht verwacht. PJ zou het liefst meteen de terugweg aanvangen, maar ik wil nog graag een junglepad lopen en dat moet je natuurlijk niet midden op de dag doen. Ik vraag aan de gids of het gaat regenen.
“Nee!”, zegt hij zeer overtuigd met een blik van ‘hoe kun je het vragen?’.
We betalen nog een nachtje camping en lopen aan het eind van de middag het junglepad. PJ ontdekt een groepje brulapen. Ze zijn gelig en oranje van kleur, brullen niet maar kijken ons alleen boos aan. Verder fotograferen we nog een mooi gekleurd vogeltje en ik film vechtende capybara’s in een modderpoel. Bij een Indianenvrouwtje eten langs de kant van de weg een hamburger. Het is dertig graden en broeierig en we zijn allang vergeten dat het herfst is.  

   
                                                  Brulapen                                                          Red-crested Cardinal

Om 4 uur ’s nachts worden we wakker van een storm die aan de dakluiken rukt. PJ sluit ze, ondanks dat het nog steeds benauwd is. De camper staat te schudden op zijn banden. Om half 5 word ik weer wakker. Maar nu is het regen dat ik hoor! Nee hé! Ik stap uit bed en begin te ijsberen. Het zweet breekt mij uit. De slippartijen over de modderige weg in het noorden van Argentinië zijn 6 maanden geleden, maar ze zitten nog vers in mijn geheugen. En deze weg is meer dan twee keer zo lang. Na tien minuten stopt de regen. Ik ga weer terug naar bed. Een kwartier later regent het weer tien minuten. Als het hier bij blijft, moet het wel te doen zijn, denk ik nog.
De volgende morgen is het bewolkt, maar droog. Het eerste gedeelte van de weg gaat redelijk, maar dan wordt de modderweg natter en de auto begint te glijden. We moeten in het midden van de weg blijven rijden, want de bermen zijn helemaal zacht. De regenpoelen kunnen we daardoor niet ontwijken en golven modderwater sproeien de voorruit steeds secondenlang dicht. De kilometers sluipen voorbij. PJ vloekt hartgrondig. Ik ben boos op de campingeigenaar met z’n verkeerde voorspelling. De zon gaat schijnen, maar niet genoeg om de weg te laten drogen. De modder op de auto begint wel te drogen en wordt zo hard als beton. Na vier uur zijn we eindelijk weer terug op het asfalt. De auto is nog nooit zo vies geweest.

   

Als we parkeren om boodschappen te doen, ontdekt PJ dat de automatische versnelling niet meer in ‘parkeren’ gaat. Hierdoor kan de sleutel niet uit het contact. Dat schiet lekker op.
We willen de auto zo snel mogelijk laten schoonspuiten, en hopen dat het probleem van de versnelling daar ook mee opgelost is, maar de wasstraat is nog paar uur in siesta. Dus rijden we maar naar terug naar de hoofdweg. Natuurlijk komen we geen dorp tegen en voordat we de auto kunnen laten afspuiten is het de volgende dag. We overnachten weer gratis langs de R
ío Uruguay, alleen is het nu Brazilië dat we aan de overkant zien. Met drie man zijn ze anderhalf uur bezig om de keiharde modderlaag te verwijderen. Ondanks dat PJ heeft gezegd dat alleen de auto en vooral de onderkant afgespoten en niet gewassen moet worden, soppen en poetsen ze de auto én de camper. De camper is nog nooit zo schoon geweest. En dat voor een afgesproken prijs van 5,60.

 

 

Nu moet je niet denken dat we anderhalf uur later weer onderweg zijn…Nee, eerst moeten we op ons beurt wachten, dan is halverwege het water op, als onze auto op de brug staat, wassen ze ondertussen nog even een andere auto, nadat ze de onderkant hebben afgespoten moet de auto voor de zoveelste keer afgespoeld worden… We zijn in totaal 4 uur zoet met deze klus! Voor het geld hoef je het niet te laten, maar je moet wel geduld hebben in dit land. Maar de versnellingen doen het gelukkig weer.  

We rijden verder naar het noordoosten. De omgeving wordt steeds jungle-achtiger. Mooie oude vijgenbomen sieren de straten. De doorgaande route is geasfalteerd, maar alle zijwegen zijn van rode zachte klei met diepe bandensporen. Het heeft hier blijkbaar ook recentelijk geregend. Bij een politiewegversperring zien we in tegengestelde richting een bekende Duitse vrachtwagen staan. Het is het Duitse gezin dat we in Rio Grande en ook weer in El Calafate ontmoet hebben. Zij moeten over anderhalve dag in Buenos Aires zijn, vanwaar hun voertuig terug naar Duitsland verscheept wordt. We praten een half uurtje met Arne en Steffie en gaan dan gauw verder zodat we voor zonsondergang in Puerto Iguazú zijn. Hier willen we de beroemde watervallen van Iguazú bezoeken, maar eerst rusten we een dagje uit op de camping. Die ligt zo’n tien kilometer van de watervallen vandaan. Er is hier een flink stuk jungle vrijgemaakt van vegetatie, alleen de oude bomen hebben ze laten staan. Het resultaat is een schaduwrijke camping met mooie exotische bomen. De kamerplanten die Intratuin verkoopt, groeien hier als bomen.

   

Het dorpje Puerto Iguazú is gezellig met veel toeristenwinkeltjes. ’s Avonds eten we een hapje op een terras terwijl de mussen oorverdovend kwetteren. De laatste maand zijn we vaak uit eten geweest. We zijn dan meestal tussen de 11 en 16 euro kwijt. Dit is inclusief een fles rode wijn en een liter bier. Verder krijg je voor dat geld een mand broodjes waar wij de hele week van kunnen eten met vaak lekkere knoflookmayonaise of blauwe-kaasboter. We moesten in het begin wel wennen aan de Argentijnse manier van uit eten gaan. Op de kaart staan verschillende soorten vlees of vis. Als het niet specifiek vermeld wordt, krijg je er niets bij! Naast het vlees kun je patat, aardappelpuree of een salade bestellen. We hebben nooit meegemaakt dat we warme groenten bij het eten kregen. Vegetariërs hebben het moeilijk in Argentinië. We merken dat ze wel aan klantenbinding doen. Op Valdéz gingen we vaak naar hetzelfde restaurantje (5 minuten van de camping) en dan kregen we een gratis voorafje van de kok. Dat varieerde van een bak olijven of zeevruchten in knoflookboter. Wat ook opviel is dat de kwaliteit en kwantiteit in hetzelfde restaurant niet constant is. Zo bedekte de biefstuk de ene keer het hele bord, de andere keer was hetzelfde gerecht maar half zo groot. En een zeevruchten stoofpotje bevatte de ene keer inktvis en de andere keer mosselen. Aan het eind van de maaltijd krijgen we nooit de rekening, want die wordt mondeling medegedeeld. Nu is ons Spaans niet zo best, maar met de getallen komen we een heel eind. Maar toch raar dat je nooit de bedragen even bij elkaar op papier kan zien. En nu ik het toch over eten heb: het schepijs in Argentinië is fantastisch. Als je een hoorntje met twee ‘bolletjes’ besteld voor 85 eurocent, zit je ongeveer een kwart liter ijs weg te werken!  

De volgende morgen staan we vroeg op, want we willen om 8 uur bij de ingang van het Iguazú Nationaal Park staan. Via borden worden we gewaarschuwd dat er per jaar 500 dieren door auto’s worden aangereden en de snelheidslimiet is 40 km per uur. Terwijl wij tuffen, worden we constant ingehaald door veel te hard rijdende auto’s. Het is nog voor achten en het park is nog niet open. Ik verwacht daarom een lange rij voor de ingang, maar behalve een tourbusje dat ons ook ingehaald heeft, staat er niemand. Al die auto’s die veel te hard reden, is dus het personeel van het park.
In 2000 vierkante kilometer regenwoud liggen de watervallen van Iguaz
ú. Het gaat hier om 275 watervallen die over een breedte van 3 kilometer 80 meter naar beneden kletteren. Er zijn vijf wandelpaden die de verschillende watervallen vanuit allerlei hoeken laten zien. Wij kiezen als eerste voor een trail dat naar een enkele, niet bijzondere waterval gaat. We verwachten dat de meeste toeristen dit 3 kilometer lange pad zullen overslaan en hopen hier wild te zien. Het blijkt het enige pad te zijn waarbij we nog over de grond lopen, de rest van de paden zijn metalen loopbruggen waardoor we een meter boven de junglevloer lopen.

Het eerste wat we zien is een kapucijnaapje met een baby op haar rug. Ze bekijkt ons nieuwsgierig en komt dichterbij. Ze beweegt steeds haar wenkbrauwen en bijt op haar lip. We zien erna nog twee exotische vogels en agouti’s (uit de kluiten gewassen cavia’s), maar verder geen dieren die we nog niet eerder gezien hadden.

 


  
                     Kapucijnaapjes                      Cream-backed Woodpacker

Op de terugweg zien we een 35 cm grote specht en een knalblauw vogeltje met een rode kuif (blue manakin). Twee uur later staan we weer bij de hoofdingang. We hadden iets meer verwacht van deze wandeling. Omdat de watervallen over een groot gebied verspreid liggen, moeten we met een treintje(!) naar de 2 kilometer verder gelegen watervallen. De trein rijdt langs een muur van junglevegetatie en de bamboestammen zijn zo dik dat je ze met twee handen niet kunt omvatten. Wat had ik hier graag over een junglepad gelopen in plaats van in een treintje te zitten. Erna moeten we nog een kilometer over de rolstoelvriendelijke metalen loopbruggen. Ons was geadviseerd de Garganta del Diablo waterval (de keel van de duivel) als laatste te bewaren, voor het dramatische effect, maar wij zijn eigenwijs en doen het als eerste. Gevolg is dat het er niet druk is! De Iguazú watervallen zijn noch de hoogste ter wereld, noch de breedste en ze verplaatsen ook niet het meeste water, maar dat maakt het niet minder indrukwekkend. De waterval valt in een kom met heel veel water naar beneden. Een grote verscheidenheid aan vlinders fladdert rond en sommige landen op onze armen en likken de transpiratie van ons huid.

   

   

   

Op de terugweg zie ik twee toekans vliegen en ze landen boven de loopbrug in een boom. PJ maakt mooie foto’s. Met het treintje gaan we weer terug naar het midden van het park en lopen een wandelpad door de jungle. Weer over die metalen loopbruggen. De vele watervallen die we langs dit pad zien, zijn eigenlijk even indrukwekkend en exotisch door de omlijsting van palmbomen en varens. Het lijkt wel of we in een Fa shampooreclame zijn terecht gekomen. Als we aan het eind van de dag het park uitrijden, zie ik ineens een stuk of vier toekans in een boom landen. En daarna nog twee. Wat zijn dit toch leuke vogels. Onderweg naar de camping zien we er nog een paar. 

De volgende dag staan we weer om 8 uur voor de ingang en lopen de rest van de wandelingen. Het wordt weer een warme dag van 33 graden. We gaan nu ook met een bootje naar een eiland. Omdat we het eerste bootje van de dag nemen, verwachten we de enigen te zijn, maar een televisie crew heeft het eiland overgenomen en maakt opnames voor een televisieprogramma. Na een halve dag hebben we echt alles gezien en gaan we terug naar de camping. We zijn precies op tijd terug, want het begint ineens te hard te waaien en de lucht trekt helemaal dicht.

   
                                                                                Rufescent Tiger Heron

Nog twee namiddagen gaan we naar de toekanplek buiten het park en zien er in totaal een stuk of 35! Langs deze weg mag 60 km p/u gereden worden, maar de auto’s razen ons met de dubbele snelheid voorbij en toeteren geïrriteerd, omdat wij in de berm geparkeerd staan en van de natuur genieten. Wat een kort lontje hebben die Argentijnen.

De laatste dagen in Argentinië zitten erop. We zijn in totaal 18 weken in dit land geweest en hebben hier meer dan 20.000 km gereden. We hebben het van noord naar zuid en van oost naar west gezien. Het is een zeer gevarieerd landschap, met de kleurrijke woestijn in het noorden, de groene en met sneeuw bedekte bergen in het westen, het oerwoud in het noordoosten en de pampa in het zuiden.

We hebben veel nieuwe vogels gezien en ook wat nieuwe zoogdieren. Argentinië is een leuk land al zijn de afstanden erg groot en het zuiden behoorlijk saai.  
We zijn klaar voor het laatste eindje van onze reis: Brazilië. 

Brazilië 28 april - 11 mei 2006

Op 28 april gaan we bij Foz de Iguaçu de grens over. De douanebeambten zijn vriendelijk en nadat al het papierwerk voor de auto getypt is, kunnen we Brazilië in. We moeten erg wennen aan het Portugees dat hier gesproken wordt. Het klinkt absoluut niet Spaans, eerder Pools in onze oren, alsof we dat wel spreken. We parkeren de camper op een camping, weer zo’n junglegeval, en lopen naar de ingang van het Iguazú Nationaal Park. Nu gaan we de Braziliaanse kant van de watervallen bekijken, die maar een kilometer van de camping vandaan ligt. We zijn verplicht in een dubbeldekkerbus te stappen en ons naar de uitzichtpunten te laten vervoeren, waar we alleen het laatste stukje mogen lopen. Nou ja lopen, we kunnen hier zelfs met een glazen lift zakken tot aan rivierniveau!

Vanaf deze kant komen we zo dicht bij de Garganta del Diablo waterval dat we met een spray van nevel bedekt worden. Raar dat we drie dagen geleden aan de overkant stonden. Vanaf deze kant krijgen we een beter zicht van de grootsheid van de vele watervallen en het is ook weer het geld waard.  

 

Op het pad staan we ineens oog in oog met een groot harig beest met een lange neus en een lange gestreepte staart; een neusbeertje (familie van de wasbeer)! En hij is niet alleen, we zien er steeds meer. Ik had er al een beetje op gehoopt ze te zien, want overal hangen borden dat je deze beesten niet mag voeren. Wij zien dat de Brazilianen zich daar goed aan houden. Maar het park veroorzaakt zelf het wangedrag van de zoogdieren. De afvalbakken staan steevast geplaatst naast een hek en de deksels zijn van die klapdingen. We zien de beertjes behendig op het hek klimmen en gemakkelijk via het klapdeksel de afvalbak in klauteren. Met hun klauwen of tanden pakken ze het gewenste object eruit en zo zien we even later een beertje een plastic beker yoghurt uitlikken. Hoe is het toch mogelijk dat ze in Noord-Amerika beerbestendige afvalbakken uitgevonden hebben en dat hier de beertjes nog steeds uit de bakken kunnen eten? En dan de toeristen maar manen de dieren niet te voeren!

 


                           een neusbeertje!

 

 

Vlakbij de camping is een vogelpark en ik kan de verleiding niet weerstaan. Je mag hier namelijk in de kooi stappen bij de ara’s, papegaaien, parkieten en toekans. Zo sta ik even later slechts tien centimeter bij een toekan vandaan. Een dwergpapegaai land op mijn hoofd en begint aan mijn petje te rukken. Dat is minder leuk. Voordat ook een meter grote ara op mijn schouder landt, gaan we gauw de kooien uit.  

   

   

Het is al donker op de camping als PJ over een douche begint. We zijn de enige kampeerders en het terrein is pikkedonker. Bij het licht van een zaklamp lopen we  samen naar het gebouw. We zitten weer op een junglecamping en je weet maar nooit wat voor griezels er door de dorre bladeren glijden. We kunnen niet samen douchen, want het lauwwarme straaltje wat uit de douche komt, is amper genoeg voor 1 persoon. Het is namelijk een ‘elektrische’ douche, met in de douchekop een elektrisch verwarmingsplaatje. De elektriciteitssnoeren en kroonsteentjes lopen uit de douchekop. Ik vind dat maar een eng idee.

Als ik de dameskant van het witte gebouwtje met het witgeschilderde golfplatendak in loop, zie ik op het plafond, boven de douche een enorme spin zitten. Ik ben al aardig gewend aan die grote tarantella spinnen, maar dit is echt een hele enge grote harige spin. Ik wil me niet laten kennen en ga onder de douche staan. Ik weet dat als ik naar de spin toe ga douchen, ik vannacht nachtmerries zal hebben, dus draai ik mij om en kijk steeds met een half oog naar boven of die zwarte vlek er nog zit. Als die opeens weg is, spring ik met een gilletje onder de douche vandaan en spied het plafond en de muren af. Waar is dat beest ineens gebleven? Dit is nog veel enger. Ik kan de spin niet meer vinden en spoel me snel af. PJ roept al waar ik blijf. Ik vertel hem natuurlijk gelijk over de spin en hij antwoordt: “Hou op, schei uit, ik zag er steeds meer!”. Ik kan niet geloven dat hij ook van die grote spinnen in de douche had en hij moet van mij met de zaklantaarn op het plafond van de herendouche schijnen. Inderdaad, dezelfde spinnen. Brrr. We zijn blij dat wij ’s nachts niet uit de camper hoeven om te plassen. De volgende morgen loop ik wat over de camping op zoek naar vogels en ik zie een roodborst toekan! Die hadden we nog niet in het wild gezien, dus ik ben hartstikke enthousiast.

We gaan dezelfde dag een flink eind oostwaarts rijden, richting de kust. We willen de camper verschepen vanuit Santos naar de USA. We hebben in februari een boot gereserveerd voor 31 mei. Maar een maand geleden heeft de verscheper opeens geschreven dat wij volgens de Braziliaanse wet een tussenpersoon moeten inhuren, die ons helpt met het papierwerk voor de douane. Maar deze man beantwoordt onze e-mails niet! Als we over een maand willen verschepen, moeten we dus maar persoonlijk bij hem langs gaan.
We moeten ongeveer 1000 kilometer rijden om aan de kust te komen en betalen vijftien (!) keer tol. Vanwege de dubbele achterwielen vallen we onder het vrachtverkeer en moeten steeds het dubbele bedrag neertellen van wat de stadsbus met enkele achterwielen betaald. Dat loopt lekker op.

 

Om de 50 kilometer is er een militaire politiecontrolepost. We worden gelukkig steeds doorgewuifd. Tussen de controleposten in, staan verscholen achter struiken of bomen politieagenten met radarpistolen en bonnenboekjes. Een agent heeft zijn dienstwagen verstopt in het suikerriet en springt tevoorschijn als wij langsrijden. We rijden niet te hard, maar moeten toch stoppen. Eerst wil hij de douanepapieren zien. Die zijn natuurlijk in orde. Vervolgens het kentekenbewijs. Ook in orde. Maar dan vraagt hij om PJ’s rijbewijs. We hebben bij de ANWB geen internationaal rijbewijs aangevraagd. Dit hadden we wel gedaan voor onze eerste reis naar Afrika en dat bleek er zo zelfgemaakt uit te zien, dat we daar ons geld niet meer aan uit wilden geven. Bovendien moet PJ voor het rijden met de Dodge pick-up een groot rijbewijs hebben en dan zou hij met zo’n internationaal rijbewijs meteen door de mand vallen. Nu heeft hij alleen de linkerpagina van zijn rijbewijs, de rest heeft hij er al jaren geleden afgescheurd, zodat de voor iedereen duidelijke symbolen niet meer zichtbaar zijn. De agent is niet blij met dit Nederlandse rijbewijs. De Braziliaanse wet accepteert geen rijbewijs dat niet in het Portugees is. Natuurlijk hebben we moeite met het verstaan van de agent, maar dit begrijpen we wel. We praten wat over en weer; wij in drie woorden Spaans, hij in volzinnen Portugees. We begrijpen uit zijn woorden dat we naar São Paulo moeten rijden en op het hoofdkantoor moet PJ’s rijbewijs vertaald worden in het Portugees. Natuurlijk beloven wij dat we dat zullen doen. (Natuurlijk gaan wij niet vrijwillig de grootste stad van Zuid Amerika met 11 miljoen inwoners inrijden.) We denken dat het met een sisser afloopt, maar de agent blijft tegen ons aan lullen. Hij maakt schrijfbewegingen en wijst naar zijn auto, maar wij blijven hem glazig aanstaren. We denken dat hij dreigt met een boete en dan moeten wij natuurlijk vragen of er een andere oplossing is en dat we misschien ter plekke iets kunnen regelen, maar aangezien wij geen woord Portugees spreken, krijgt hij niet de kans dit uit te voeren. Uiteindelijk geeft hij het op en mogen we doorrijden.

We realiseren ons nu pas dat we eigenlijk best een woordje Spaans spreken en het ook redelijk verstaan. Wat voelen we ons ineens klunzig, nu we de taal echt niet verstaan en spreken. Zoals in heel Zuid-Amerika zien we ook hier onderweg regelmatig zogenaamde ‘love’ hotels. Bij deze hotels kun je een kamer voor een paar uur huren. Dat zegt neem ik aan genoeg. De hotels zijn echte vestingen met dichte poorten en hoge muren eromheen. Als we soms toch over de muur kunnen kijken, zien we dat om elke parkeerplaats een gordijn geschoven kan worden, zodat je buurman niet per ongeluk je auto kan zien staan. Ze hebben klinkende namen zoals Eros, Amor of Playtime (echt waar!). Maar om je hotel Alibi te noemen, vinden wij toch wat vergezocht…  

We halen Santos net niet in twee dagen en overnachten bij een benzinestation vlak voor de grote stad São Paulo. Bij verschillende benzinestations onderweg hebben we geprobeerd een betere wegenkaart te vinden en een stadsplattegrond van Santos, maar dat is niet gelukt. Achteraf koop je die kaarten bij de tijdschriftenstalletjes langs de dorpswegen. We willen proberen om de miljoenenstad heen te rijden, maar we verdwalen weer eens en rijden er dwars doorheen! Het is gelukkig nog vroeg en niet zo druk. Hadden we net zo goed meteen even langs het hoofdbureau van de politie kunnen gaan, haha. Vanuit São Paulo volgen we de borden Santos. Zo, nu zitten we gelukkig goed.
“Volgens mij moeten we eraf”, zegt PJ.
“Nee, we zitten op de goede weg”, zeg ik stellig.
“Nee, we moeten eraf!”.
En dan pas zie ik de borden dat deze snelweg alleen gebruikt mag worden door personenauto’s. Op het laatste moment rijden we de afrit op. We worden via een andere weg naar Santos gestuurd en die blijkt heel steil te zijn. We vragen ons af hoe die eerste weg dan wel moet zijn. Met de vrachtwagens en bussen zakken we in een slakkengangetje naar de kust. Links van ons begint gelijk een muur van junglevegetatie en rechts golft het Atlantische regenwoud over heuvels en dalen.

We rijden Santos in en moeten nog even het adres van die tussenpersoon opzoeken in onze e-mail. Kunnen we toch al twee dagen geen internetcafé vinden! En zonder stadsplattegrond rijden we als een kip zonder kop door de stad. Op een gegeven moment zien we veel dames in bikinibovenstukjes over straat lopen, jongens met surfboards en mannen in kleine zwembroekjes. Het strand moet dus wel in de buurt zijn, anders loop je toch niet zo over straat? We vinden de boulevard en het is enorm druk op het strand. Het is maandag…het is toch geen feestdag…? Oh, het is de Dag van de Arbeid, dus het kantoor van de tussenpersoon is dan natuurlijk ook niet open. Bovendien mogen bussen en vrachtwagens niet langs de boulevard parkeren, en daar valt onze camper ook onder. Dus snel een nieuw plan bedacht: we willen ten noorden van Santos langs de kust een klein plaatsje opzoeken om te emailen en daar misschien te kamperen en dan morgen er weer fris tegenaan.
Ik zie de borden ‘Guaruj
á via Balsa’. Die plaats ligt noord, dus stuur ik PJ die kant op. En voor we het weten staan we in de rij voor de ferryboot. Oh, balsa betekent ferryboot…Dus met veel moeite er weer tussenuit en tegen de richting de stad weer in. Daarna raken we verdwaald op het industrieterrein van de haven, maar uiteindelijk vinden we drie kwartier noord van Santos de kleine badplaats met een camping en een internetcafé. De camping ligt aan het strand, alleen de boulevard ligt ertussen. We zoeken het adres van de agent op en kopen een stadsplattegrond van Santos. 

   

De volgende dag nemen we de bus naar Guarujá. We hebben een van de laatste plekjes in de bus. Als goede burgers zouden we eigenlijk moeten opstaan voor de oudere passagiers die later instappen, maar de bus rijdt erg hard, stopt onverwachts, zoals bijvoorbeeld 100 meter ná de halte terwijl er toch duidelijk passagiers staan te wachten - en trekt heel onverwachts op; om bijvoorbeeld door het rode licht te rijden. Ik krijg al blauwe plekken als je naar me wijst, dus ik heb geen zin om bont en blauw de bus uit te komen. We kunnen nu al amper in onze stoelen blijven zitten zonder eruit te vallen. De snelheidslimiet is op de bochtige weg 60 km p/u maar de bus rijdt minstens 100.
Drie kwartier later gaan we met de ferryboot naar Santos. We zitten meteen in het oude centrum en als we door de nauwe straatjes lopen, worden we aangestaard door dames in niets verhullende kleding. Ze staan in de deuropeningen van obscure hotelletjes. We vinden gelukkig vrij snel het kantoor van de tussenpersoon. Meneer Santana zit net te kaarten op de computer en zijn secretaresse heeft niet eens een computer. De goede man en zijn secretaresse blijken geen Engels te spreken en begrijpen ook helemaal niet wat wij hier komen doen. Geen wonder dat we geen antwoord kregen op onze mails. We bellen vanuit zijn kamer onze verschepingsagente en laten haar het geval uitleggen aan de tussenpersoon, maar blijkbaar krijgt ook zij geen poot aan de grond. De secretaresse belt naar verschillende bedrijven en vindt er uiteindelijk een die ons wel kan helpen en waar ze Engels spreken. Natuurlijk is het nu ondertussen lunchpauze, dus daar kunnen we voorlopig niet terecht. De dames op straat zijn gekleed in topjes, korte rokjes en schoenen met plateauzolen. PJ wordt helemaal duizelig van al die schuddende borsten en billen. Is dit de Braziliaanse mode of kijken we naar stoephoeren die met lunchpauze zijn? Om de drie uur durende lunchpauze te doden gaan we weer op zoek naar een internetcafé. Het enige internetcafé van Santos ligt in de hoerenbuurt.
Ook het tweede bedrijf dat wij bezoeken kan ons niet helpen en nu worden we naar de haven gestuurd. We vinden het welletjes voor vandaag, PJ heeft even genoeg ‘kastjes en muren’ gezien. We gaan terug naar de camping en zijn net voor het donker terug bij de camper.  

We pakken het moeizame contact met de verscheper weer per e-mail op. Ze noemen nu een ander bedrijf waar we contact mee op kunnen nemen. In de tussentijd wagen we ons leven nog een keer in de bus om te winkelen in Guarujá. Ik had vorige keer vanuit de bus gezien dat deze plaats een gezellig drukke winkelstraat heeft. Het personeel staat bij de ingang van de winkels. Bij het binnengaan worden we meteen aangesproken door iemand die ons door de winkel volgt en zijn commissie probeert te verdienen. Ik ben op zoek naar een bepaald merk slippers, maar zodra ik laat blijken dat ik interesse heb in Havaňa slippers, worden alle merken en modellen achter mij aangesleept. Zeer irritant.

Twee dagen later ontvangen we een e-mail van de tussenpersoon. Hierin staat een lijst van benodigde documenten waar geen eind aan lijkt te komen. Netjes met de Portugese vertaling erachter, met andere woorden, daar moeten we dus zelf achteraan gaan. Elk document moet door de juiste geautoriseerde persoon getekend en afgestempeld worden. Wij dachten dat we daarom een tussenpersoon betaalden, zodat die alles voor ons kan regelen. De contactpersoon meldt erbij dat het vergaren van die documenten ons waarschijnlijk 20 dagen gaat kosten en met de stakende douane misschien meer. Dit wordt natuurlijk helemaal niets. Straks staan we met de camper in de haven en dan blijkt dat we een stempeltje of paraaf missen en dan kunnen we niet verschepen. We geven het op en besluiten terug naar Argentinië te gaan!  

We hebben niet veel verschepingsmogelijkheden meer en zoeken ten einde raad contact met een verscheper in Buenos Aires die auto’s naar Europa verscheept. Het nadeel is alleen dat we dan zelf ook op de boot mee moeten. PJ wordt al zeeziek als hij naar Loveboat kijkt, dus echt vrolijk wordt hij hier niet van.  

Tegelijkertijd mailen we een verscheper die vanuit Chili naar Texas verscheept en zowaar: na een week krijgen we antwoord dat we kunnen verschepen vanuit Valparaiso. Een grote opluchting voor PJ! We willen op zondag uit de badplaats vertrekken en denken nog even op zaterdag genoeg geld te pinnen voor tol en diesel. Maar dan slikt de flappentapper PJ’s pinpas in! De bank is gesloten, dus moeten we daar maandag maar langs gaan. Maandag staan we om 9 uur op de stoep, maar de geldmachine kan pas om 11 uur geopend worden. We wandelen wat af die dag. De pas krijgen we terug, maar we vinden het te laat om nog aan die lange rit te beginnen.
Dinsdag vertrekken we al om 7 uur ’s morgens, want we zijn nu al zo dicht bij de evenaar dat de zon om 6 uur opkomt, maar om 6 uur ’s avonds is het al stikdonker. We hebben besloten een andere route terug naar Puerto Iguazu te nemen. Die blijkt sneller te zijn en de helft minder tol. De weg kronkelt door het Atlantische regenwoud en ik zie zelfs nog een paar mooie vogels. Langs de weg worden geen trossen bananen verkocht, maar hele kammen. Als we om 5 uur ’s middags stoppen, hebben we al tweederde van de afstand gereden. De volgende morgen is de ochtendnevel zo dicht als mist. Maar niet denken dat de beroepsvrachtwagenchauffeurs hun lichten aandoen…

Om 1 uur ’s middags zijn we al in de grensplaats Foz do Iguaçu. We gaan nu voor een stadscamping in plaats van de spinnencamping. Ondanks dat het centrum maar een kwartiertje hiervandaan lopen is, staat de camping weer vol oude bomen en lijkt de jungle niet ver weg. Er staat een Duitse camper en de hele avond praten we in het Duits met het oudere stel. Oef, het spreken is wat roestig geworden. Na precies twee weken verlaten we Brazilië weer en zijn we weer terug in Puerto Iguazú. We hadden gerekend om nog een maand door dit land te reizen, maar door de perikelen rond de verscheping is het er niet van gekomen en hebben we weinig van Brazilië gezien.

We hebben onze hielen nog niet gelicht als de hel uitbreekt in de deelstaat São Paulo! Gewapende bendes maken de straten onveilig, in zeventig gevangenissen zijn opstanden uitgebroken, waarbij cipiers gegijzeld zijn. Banken, een metrostation, politiebureaus, dienstauto’s en de agenten worden aangevallen met granaten en na vier dagen zijn er meer dan 130 doden gevallen, waarvan 35 agenten. We denken dat we voor die papierwinkel vast ook wel een paar keer naar São Paulo hadden gemoeten, en zijn maar blij dat de verscheping niet is doorgegaan.

Argentinië 12 mei – 23 juni 2006  

Na twee weken Brazilië zijn we weer terug op de ‘Intratuin’ camping in Puerto Iguazú. PJ heeft al een paar dagen last van zijn schouder en de pijn wordt alleen maar erger. Als ik ’s nachts wakker word, zit PJ rechtop te suffen op de bank onder een paar dekens, omdat hij van de pijn niet kan slapen. We besluiten de volgende dag een ziekenhuis op te zoeken. We gaan voor een privé-kliniek in de hoop dat er iemand Engels spreekt. Het is niet druk in de wachtkamer en bij de receptie proberen we uit te leggen waar we voor komen. Volgens de receptioniste er is geen dokter die Engels spreekt. Gelukkig is er toevallig wel iemand in de wachtkamer die Engels spreekt en vraagt waar hij ons mee kan helpen. Hij legt PJ’s probleem uit aan de receptioniste en we worden doorverwezen naar een arts. We kunnen gelijk naar binnen. Het kamertje is leeg, maar als de arts binnenkomt heeft hij een Engelssprekende dame bij zich, die toevallig in het ziekenhuis was. Met onze tolk is het probleem gauw uitgelegd en de dokter constateert een ontstoken schouderspier. Oorzaak is overbelasting, maar dat is wel raar, want PJ heeft geen andere dingen gedaan dan normaal. Hij krijgt een injectie in de spier en we moeten over drie dagen terugkomen. De rekening is voor Argentijnse begrippen pittig, maar in Nederland schudt een specialist daar amper je hand voor. Drie dagen later komen we terug en dit keer zit de wachtkamer stampvol. We melden ons bij de receptie en we kunnen weer gelijk doorlopen. De arts zit achter zijn bureau een misdaadroman te lezen! PJ krijgt een tweede injectie en de dokter zegt dat hij over twee dagen moet terugkomen. We hebben nu een beetje de indruk dat ze de kip met de gouden eieren ontdekt hebben, en zullen wel zien of we nog terugkomen. De pijn wordt al minder en we willen eigenlijk wel weer eens richting Chili gaan rijden.

Ondertussen staan er veel reizigers op de camping die vrijwel allemaal Kerst gevierd hebben met Guido en Brenda in Ushuaia. De watervallen zijn echt weer een ontmoetingsplaats voor reizigers met hun eigen vervoer. Sommigen zijn aan het eind van hun trip, maar we ontmoeten ook reizigers die net begonnen zijn. Als we met een jong Zwitsers stel staan te kletsen, komt er een grote blauwe vrachtwagen met Belgische kentekenplaten de camping oprijden. Het blijkt een Franstalig Belgisch gezin te zijn met drie blonde knulletjes in de leeftijd van 10, 8 en 5 jaar. Dit gezin is van plan 2 jaar door Zuid Amerika te trekken. Nadat we een half uur hebben staan kletsen zegt de Belg: “Wat zullen we doen met eten?”. Wij vinden dat hij wel erg hard van stapel loopt en spreken af elkaar om 8 uur ’s avonds met een flesje wijn weer te treffen. Om met een gezin zo’n trip te ondernemen, vergt natuurlijk veel voorbereiding. Ze hebben hun voertuig zelf gebouwd en ondanks dat de vrachtwagen 12 meter lang is, is het natuurlijk schipperen met de ruimte met drie van die knullen. Elke centimeter wordt benut en een jaar lang werd de reis voorbereid. Maar slechts twee weken voor vertrek krijgt Véronique ineens te horen dat hun anticonceptie niet gewerkt heeft en dat ze zwanger is! Daar gaat hun vijf- persoonshuisje…
“Ik heb er eerlijk gezegd wel om moeten huilen, maar nu ben ik er wel blij mee”, zegt V
éronique heel oprecht.

Ik vraag haar of de baby, die in september verwacht wordt, in een hangmatje gaat slapen. “Nee”, is het antwoord, “het bedje van de baby komt in een lade”. Ik zie het al helemaal voor mij, dat het kindje later zegt: “Mijn eerste levensjaar heb ik in de keukenla geslapen!”. Ik lig helemaal in een deuk, maar de ouders vinden dit niet grappig. We gaan nog een avondje uit eten met dit gezin en de kinderen gedragen zich voorbeeldig, eten met mes en vork (zelfs de jongste) en jengelen niet als ze klaar zijn. Dit gezin komt er wel met hun onverwachte vierde kindje.  

   

Andere reizigers die hun wereldreis net begonnen zijn vanuit Buenos Aires hebben bijna allemaal een bekeuring gekregen in de provincies Misiones (waar we nu zijn) and Entre Ríos (de provincie ten zuiden van Misiones). O.a omdat ze geen 80 km sticker op hun bumper hebben. Wij reizen al vier maanden door Argentinië zonder die sticker en hebben nooit problemen gehad. We moeten straks door beide provincies en zijn benieuwd of we ook aangehouden worden.

   

Het is gezellig op de camping en als we het weer op het internet bekijken, zien we dat het in de rest van Argentinië overal koud is. We moeten voor de verscheping vanuit Chili het land dwars doorsteken. We kunnen hier een langere tijd voor uittrekken en nog wat andere plekken zien, maar hier in het subtropische regenwoud is het warm en erg gezellig met al die reizigers, dus besluiten we de tocht in een paar dagen te doen. Zo blijven we nog een weekje in Puerto Iguazú staan. Op de camping staat een avocadoboom die vruchten heeft die bijna niet in mijn hand passen.De laatste dagen ligt de nadruk op de regen van het regenwoud, maar met al die reizigers hebben we toch veel pret.

Van de Belgen horen we dat er in Argentinië een brandstofoorlog gaande is. De regering wil het grote prijsverschil met Brazilië rechttrekken en de brandstof in één keer met 30% verhogen. De oliemaatschappijen zijn het hier niet mee eens (wonderlijk hè?) en leveren maar mondjesmaat hun brandstof. In Puerto Iguazú is helemaal geen diesel meer te krijgen en bij de pompen buiten de stad krijg je volgens de Belgen maar twintig liter per keer. Wij hebben gelukkig de dieseltank in Brazilië nog volgegooid, want we hebben van Bert van Koppen gehoord (je weet wel die Wateringse wereldreiziger die we ontmoet hebben in Ushuaia) dat hij in de buurt van Iguazú slechte diesel had getankt, waardoor zijn motor in de soep is gelopen en hij zijn reis voortijdig heeft moeten afbreken! Maar wij willen morgen aan onze roadtrip van 2500 kilometer beginnen en dat schiet dan natuurlijk niet op. We zijn er gelukkig van op de hoogte en bij de eerste pomp waar we gaan tanken, krijgen we inderdaad maar 20 liter. Bij de volgende pomp krijgen we zowaar 30 liter. Als we de grensprovincie van Misiones uitrijden en weer tanken, krijgen we een volle tank. De oorlog was blijkbaar maar plaatselijk.

De eerste dag rijden we 800 kilometer (Triek kan trots op ons zijn). Net voor zonsondergang worden we in de provincie Entre Ríos aangehouden door de politie. Ze willen onze autopapieren zien. De agent loopt naar de achterkant van de camper en komt even later terug. Hij mompelt naar zijn collega iets van “ochenta”. Ik denk dat hij de hoogte van de boete bespreekt, maar PJ heeft hem meteen door. “Het gaat over die 80 km sticker die ontbreekt”, sist hij tussen zijn tanden.
“Waar gaan jullie naar toe?”, vraagt de agent.
In de berm staat een billboardreclame van de thermale zwembaden van Chajari, die hier maar een kilometer vandaan liggen.
“Daar naar toe”, wijst PJ.
De man staart even naar de verdwijnende zon en besluit ons zonder boete door te laten gaan.

Om bij te komen van de lange rit, blijven we een dagje weken in de warme thermale baden. De auto en camper kunnen ook wel een weekbeurt gebruiken, want ze zien helemaal rood van de rode aarde van Misiones. We hebben geen onverharde wegen gereden, maar door de regen hebben de vrachtwagens die van de onverharde zijwegen komen, de snelweg besmeurd met rode blubber en dat is tot aan het dak toe opgespat. PJ probeert de camper schoon te spuiten, maar de modder is weer aangekoekt. We zullen weer een wasstraat moeten opzoeken. Daar hebben we nu even de rust niet voor; weer vier uur wachten bij een temperatuur van 15 graden totdat ze de combinatie schoongespoeld hebben!

In twee dagen rijden we de rest van de 1200 km naar Mendoza, de grensplaats van Argentinië, net voor de Andespas. Op de camping kijkt de eigenaar naar onze auto,  haalt zijn vinger door het rode stof en zegt hij tot onze stomme verbazing: “Zijn jullie in de provincie Misiones geweest?”.
Het is de volgende morgen pas om half 9 licht en nog maar 3 graden. Maar de lucht is maar een beetje bewolkt en ik verheug me al op het zicht op de Aconcagua, de hoogste berg van Zuid Amerika. Langzaam kruipen we naar pashoogte, 3185 meter. Het kale, maar kleurrijke berglandschap deed regisseur Annoud zo aan de hooglanden van centraal Azië denken, dat hij de film “Seven Years in Tibet”, met Brad Pitt in de hoofdrol, hier opgenomen heeft.

Langs de weg staat een ode aan Diffunta Correa (je weet wel die dame die in de woestijn omkwam van de dorst, maar na haar dood nog wel haar baby de borst gaf). Mensen hebben zeker duizend oude plastic Cola en 7-Up flessen gevuld met water voor haar achtergelaten. Het lijkt nu gewoon een grote berg afval. Rare gewoonte van die Argentijnen.

   

Vlak voor de grens bezichtigen we een badhuis dat door een minerale bron helemaal ‘overgroeid’  is met prachtig gekleurde minerale kalkafzettingen. Met een zonnetje was dit nog mooier geweest, maar de lucht is helaas helemaal dichtgetrokken. Zo is de Aconcagua ook dit keer weer niet te zien. De motregen verandert in sneeuw en aan de rechterkant van de weg staan kilometers lang vrachtwagens half op de weg geparkeerd. Personenauto’s en bussen halen deze lange rijen in, door tegen de richting in te rijden. Ondanks dat het zicht slecht is volgen wij ook maar. Er staan minstens 500 vrachtwagens geparkeerd, die allemaal de grens over moeten. Bij de grens mogen we inderdaad voor de vrachtauto’s.

 

   

Chili juni 2006

Deze grensovergang hebben we zes maanden geleden ook al gedaan en zou geen problemen moeten opleveren. De vier hokjes die we moeten bezoeken worden handig genummerd en geduldig wachten we in de rij. Maar natuurlijk gaat het niet vanzelf en bezoeken we elk hokje minstens drie keer, moeten we ook nog twee niet genummerde hokjes bezoeken en blijven we maar heen en weer lopen. Stempeltje hier, formuliertje daar, weer een stempeltje hier en paraaf daar. Na een uur zijn we Chili binnen.

We zakken via 38 haarspeldbochten naar zeeniveau en arriveren ’s middags bij Gerard en Monique. Zij werken nu allebei, maar we worden verwelkomt door hun hulp María en twee Jack Russels. ’s Avonds kletsen we gezellig bij met een Chileens wijntje. Lang blijven we niet in dit huis, want Gerard en Monique gaan twee dagen later verhuizen. Kunnen wij mooi even de armen uit de mouwen steken, hoewel dat in PJ’s geval maar één arm is. Hun nieuwe huis ligt hemelsbreed maar twaalf kilometer van hun oude huis vandaan, maar door de bergketen die ertussen zit, is het toch een half uur rijden. De ligging van het huis is vlak bij de ingang van het La Campana National Park en het uitzicht vanaf hun veranda op de La Campana (1910 m) is schitterend. Het vervoer is hier per paard of paard en wagen en regelmatig horen we het hoefgeklepper van deze dieren. De mannen dragen breed omrande hoeden en worden meestal gevolgd door een aantal honden. Slechts een uurtje van de hoofdstad Santiago de Chile vandaan, maar wat wonen ze hier landelijk!

We zijn nog in de veronderstelling dat wij zeven dagen later onze camper zullen verschepen naar de Verenigde Staten. Maar dat loopt allemaal anders. De boeking is niet gedaan, de volgende boot is vol, de prijs is veel hoger dan afgesproken en uiteindelijk kunnen we pas zes weken (!) later op de boot. Maar dat horen we natuurlijk niet meteen.

Als we Monique´s auto lenen om naar de havenplaats Valparaiso rijden om met de verscheper te praten, is er net de zoveelste studentendemonstratie aan de gang. En dan ook nog precies voor het kantoor van de verscheper! De agenten in kogelvrije vesten en gepantserde auto’s blokkeren de weg nog meer en het ziet er grimmig uit. We kunnen bijna geen parkeerplaats vinden (blij dat we niet met de camper gegaan zijn) en alleen als we Monique’s auto ook laten wassen, mogen we hem in een straatje achterlaten. In het kantoor blijkt dat de boeking niet gedaan is en dan begint de wekenlange heen en weer gemail met de verscheper en onze agent.  

 

Het nieuwe huis van Gerard en Monique ligt in een cactusdal zonder vaste telefoonverbinding, dus helaas moeten we om te e-mailen 20 minuten rijden.
In de tussentijd vermaken wij ons in hun huis met allerlei schilder- en kluswerk. Slechts 5 minuten rijden van hun huis is een doorkijk naar het Andersgebergte en meestal is de Aconcagua verscholen onder een paddenstoelvormige wolk, maar soms zien we hem in zijn volle glorie als we naar het dorp rijden om te e-mailen.

De huishoudelijke hulp María maakt schoon, wast, strijkt en kookt zelfs de warme maaltijd die Gerard en Monique met ons ’s middags nuttigen. Als ik een keer mijn befaamde Surinaamse roti met kip wil maken, heeft María alle ingrediënten al gewassen, gesneden en in schaaltjes voor mij klaargezet. Ik voel mij net een televisiekokkin, compleet met publiek in de vorm van María die over mijn schouder meekijkt en alles noteert, zodat zij het later ook eens kan maken.
Op een avond worden we opgeschrikt door een aardbeving die onze camper een paar tellen laat schudden. Aardbevingen komen hier regelmatig voor, maar een echte grote is alweer een jaar of 20 geleden. Als eindelijk de datum dat we de camper in de haven moeten afleveren vast staat (6 juli), hebben we nog dik twee weken te gaan. We besluiten een rondje Noord Chili te gaan doen, om de Atacama woestijn te bezoeken.

24 juni – 27 augustus 2006

We verlaten de vruchtbare dalen van Santiago met de avocadobomen, sinaasappelboomgaarden, bloemenvelden en kassen. De exotische palmbomen maken plaats voor cactussen en lage droge struikjes. De eerste nacht staan we bij een benzinestation, omdat we er draadloos kunnen Internetten. Omdat het best koud en regenachtig is, blijft de laptop (die op zijn laatste benen loopt en niet zo goed tegen warmte kan) het ook goed doen en downloaden we urenlang muziek. We vallen in slaap op het luidruchtige parkeerterrein.

Vijfhonderd kilometer ten noorden van Santiago de Chile begint het landschap steeds woestijnachtiger te worden. De tweede nacht overnachten we op een kiezelstrandje aan de kust en vallen in slaap bij het ruisen van de zee. ’s Morgens worden we wakker en de zon is bedekt achter een natte mist. Dat is typisch voor hier en wordt veroorzaakt door de koude Humboldt-golfstroom uit Antarctica. Nu gaat de Atacama woestijn toch serieus beginnen. Dit is één van de droogste woestijnen op aarde. Klassieke woestijnen zoals de Sahara of de Gobi woestijn kennen een jaarlijkse regenval tussen 10 en 100 millimeter per jaar, in de Atacama is de gemiddelde jaarlijkse regenval slechts 0,6 millimeter per jaar. Zover het oog kan kijken, zien we zand, rotsen en heuvels in koperkleurige tinten, want de woestijn is rijk aan koper en nitraat. 
Atacama Desert, de droogste woestijn ter wereld
 

Af en toe zien we dorpjes en vragen ons af of ze kunnen rondkomen van de mijnbouw, want aan iets anders kun je hier niet je geld verdienen. We passeren een paar observatietorens voor sterrenkunde, want deze hemel heeft vrijwel nooit wolken die het zicht ontnemen.

   
 
Na drie dagen door de woestijn gereden te hebben, beginnen we het wat saai te vinden. Bovendien hebben we deze route elf maanden geleden ook al genomen. Alleen het laatste gedeelte diep de woestijn in, hadden we nog niet gezien. Deze route is blijkbaar niet alleen voor ons saai, want langs de weg staan ongeveer om de kilometer gedenktekens voor verongelukte chauffeurs. Het zijn meestal geen eenvoudige kruisjes, maar complete gebouwtjes met  kleine houten vrachtwagens, miniatuur kerken, plastic bloemen en grote kruizen. Soms voegen ze ook de reclame toe die aan de zijkant van de vrachtwagen heeft gezeten. Het is wel een raar gezicht om bij zo’n serieus gedenkteken de reclame voor lekkere gebraden kippetjes te zien! Ondertussen is de temperatuur opgelopen naar 33 graden Celsius.
                                      zie je mij staan?

In de loop van de dag komen we in San Pedro de Atacama aan. Dit woestijndorpje staat vol met witgeschilderde vierkante huizen, gemaakt van in de zon gedroogde kleiblokken en heeft een schattig wit kerkje. Het dorp is omringt door vulkanen met besneeuwde toppen.

 

   

We vallen met ons neus in de boter, want dit dorp maakt zich op voor een feestdag, met optochten van traditioneel geklede mensen. Het is al buiten het toeristenseizoen, dus er zijn bijna geen toeristen, maar we zien wel een paar voertuigen met buitenlandse kentekens en de bijbehorende reizigers. We hadden dat niet meer verwacht, maar de temperatuur in de Atacama woestijn is prima om te overwinteren. Deze reizigers blijven een aantal jaren in Zuid Amerika en verblijven langere tijd in deze omgeving. Een Belgisch stel zijn we tien maanden geleden ook al in Bolivia tegengekomen!

   

´s Nachts overnachten we net buiten het dorp in de Valle de Muerte, de doodsvallei waar het inderdaad doodstil is. Wat is het hier mooi, met die roodgekleurde rotsen. We bezoeken het plaatselijke museum met mummies en potscherven. Met afschuw kijken we naar de opzettelijk misvormde kinderschedeltjes en de wikkels die ze hiervoor gebruikten. Welke moeder laat nu toe dat de schedel van haar baby helemaal ingezwachteld wordt, zodat de vorm veranderd volgens de laatste mode? Lange halzen in Afrika, ingebonden voetjes in China en misvormde schedels in Zuid Amerika…laten we hopen dat dit nu niet meer gebeurt.  

   

 

Op 29 juni is het feest van de Heilige Petrus (San Pedro). De dag begint met een openluchtkerkdienst. De kardinaal is een vrolijke Frans die lekker staat te swingen als een plaatselijk bandje muziek maakt. De traditioneel geklede mensen uit verschillende dorpen beginnen het plein te vullen. De heilige mascottes staan al klaar en na de kerkdienst begint de optocht, maar ze lopen achteruit! Daar hadden we niet op gerekend en snel moeten we van plaats veranderen om mooie foto’s te kunnen maken. Er wordt gedanst en muziek gemaakt en het is een vrolijke boel. De toeristen zijn echt op 1 hand te tellen en we maken leuk contact met de reizigers.  

   

     

   

De volgende dag gaan we weer richting het zuiden en een paar dagen later zijn we weer terug bij Gerard en Monique. We denken dat we nog vier dagen hebben om de camper verscheep klaar te maken, maar dan horen we dat de boot weer vertraagd is. Hoe vaak gaat dit nog gebeuren? We hebben nog een paar gezellige dagen bij Gerard en Monique en zijn dankbaar voor hun hulp en gastvrijheid.

  

   

   

Ik maak de camper spik en span schoon, want in de USA zijn ze nogal huiverig voor zaadjes en grond uit andere landen. Zelfs de zolen van onze wandelschoenen krijgen een beurt. Als we dan eindelijk de camper mogen afleveren in de haven van Valparaiso, gaat Gerard met ons mee. De tussenpersoon staat niet op de afgesproken tijd op de afgesproken plaats en we zijn blij dat Gerard er is om hem te bellen. De Engelstalige mailtjes van de tussenpersoon zijn blijkbaar door iemand anders geschreven, want hij blijkt ook geen Engels te spreken. We moeten wachten op de douane, die de camper met honden wil controleren. We schieten bijna in de lach als er een cocker spaniël uit de auto gehaald wordt. Erg goed afgericht is het dier ook niet, want hij ontsnapt en rent uitgelaten het terrein over. Helaas is het een regenachtige dag en de douane loopt met hun modderschoenen de camper in. De hond mag overal opspringen om te ruiken en laat modderpoten achter op het aanrecht en de bank. Wat zal de douane in de USA hier nu weer van zeggen?

                

Na elf maanden verlaten we Zuid Amerika. PJ kan niet dolenthousiast worden van dit continent. Maar dat komt voornamelijk omdat we al na een maand autoproblemen kregen en dit heeft vier maanden lang geduurd. Misschien hadden we in Bolivia toch onze camper moeten laten zegenen door de kerk…
Ik heb toch wel genoten van deze reis, ondanks alle tegenslag. Verder heeft de verscheping ook veel energie gekost. We dachten half april dat we een maand later zouden verschepen vanuit Brazilië. Dat werd Chili en uiteindelijk is de camper pas 12 juli op de boot gegaan, dat is 2 maanden later dan verwacht! En toen waren we nog niet van de problemen af, want in de USA begon de ellende gewoon weer opnieuw.  

De eerste Amerikaanse vlieghaven waar we landen is Cincinatti en ook daar is de douane ons niet gunstig gestemd. We worden er weer uitgepikt en moeten drie kwartier op het strafbankje wachten. PJ vindt dat het mijn schuld was, omdat ik een onsamenhangend verhaal hield. Maar nadat we ons verhaal iets duidelijker kunnen vertellen, krijgen we toch weer een visum voor een half jaar. We missen gelukkig niet onze vlucht naar Houston.  

In de haven Houston verloopt ook niets van een leien dakje. In plaats van 7 augustus rijden we uiteindelijk daar pas 18 augustus het haventerrein af door een nog eens vertraagd schip, langzame lossing van de lading en een douanecontrole die vier dagen op zich laat wachten! PJ vindt dat de pick-up als een dweil rijdt, maar ontdekt dan dat er bijna geen lucht meer in de banden zit! De douane heeft blijkbaar op zoek naar drugs (waar wij niet bij mochten zijn) de lucht uit de banden laten lopen. Maar het kan nog erger…
Het is ondertussen 41 graden in Texas en onze airconditioning in de pick-up doet het niet meer. Als we bij een garage stoppen om dit te laten maken, ontdekt een monteur dat de douane erg grondig te werk is gegaan. Ze hebben zelfs in het luchtfilter gekeken en zijn daarna vergeten de klep weer vast te zetten. Die losse onderdelen hadden veel schade kunnen veroorzaken aan de motor.
Als we ’s avonds bij een parkeerterrein langs de weg overnachten zakt de temperatuur maar langzaam naar 27 graden. We liggen te koken in onze kleine slaapruimte. Maar we moeten ons snel aanpassen aan de wisselende temperaturen, want de volgende dag komen we in een hagelbui terecht en de thermometer zakt in korte tijd van 38 naar 16 graden!  

We sjezen in een dag of vier naar Utah, waar mijn nicht Jayne al een afspraak voor ons heeft gemaakt voor de APK keuring. Dat gaat lekker vlot en voordat we het weten staan we al voor de grens van Canada. Maar voor het eerst hebben we problemen bij de grensovergang met Canada. De douanebeambte vindt het erg raar dat een Nederlander in een Amerikaanse auto rijdt en ook hier moeten we een half uur op een bankje wachten. De kattige tante vraagt om het kentekenbewijs en als PJ niet snel genoeg is, wil ze de hele map zien. De verwarring wordt hier alleen maar groter als ze de rekening van de huurauto en hotelkosten ontdekt (we hebben 12 nachten in een hotel moeten wachten totdat de camper eindelijk vrijgegeven werd door de douane in Houston).

De camper wordt van top teen doorzocht en ze kunnen de Argentijnse rode wijn (10 liter in plaats van de opgeven 1 fles rode wijn) niet over het hoofd gezien hebben. Toch krijgen we ons visum en mogen we verder. Dit komt waarschijnlijk omdat er voor ons een Aziatische man met een geladen pistool het douanekantoor binnenloopt en er ook nog een jachtgeweer in zijn auto blijkt te liggen. Het douanepersoneel staat op zijn achterste benen.
“Als ik nu in mijn auto lig te slapen en ik word overvallen…mag ik dan niet mijn pistool leegschieten op de overvaller?”, zegt de Aziaat verontwaardigd.
“Nee, natuurlijk niet!”, roept de douanier uit.
“Oh, in de USA wel…”.
Ach, na zoveel commotie kunnen ze natuurlijk niet moeilijk doen over een paar litertjes rode wijn. 

We racen verder over de snelweg en drie dagen later zijn we in Fish Creek.  

© Potgieser 2006 Claudia en PJ   

terug naar journals