Reisverslag Zuid-Amerika 2005-2006

door Claudia en PJ Potgieser

 

home

who are we?

journal

our favorites

photo gallery

our book

guestbook

English

Een jaar met de camper door Zuid-Amerika


Atacama woestijn in het noorden van Chili

17 - 20 augustus 2005 
Brazilië

Terwijl onze camper vanuit Baltimore (USA) verscheept wordt naar Chili brengen wij een bliksembezoek aan Nederland en vliegen naar Zuid Amerika. De eerste stad op het Zuid Amerikaanse continent waar we landen is S
ăo Paulo in Brazilië. Hier moeten we vier uur wachten op de aansluitende vlucht naar Santiago de Chile. Maar we hebben nog geen instapkaarten en we sluiten aan op een lange rij. Bij de balie aangekomen, moeten we onze paspoorten inleveren en ongeveer een uur wachten totdat de instapkaarten geprint worden! Moet die boom nog geveld worden of zo?

In het vliegtuig merken we pas goed dat we nu heel ver van het Amerikaanse continent af zijn. De stewardessen spreken veel talen, maar vrijwel geen Engels. De Amerikaanse film die vertoond wordt, is nagesynchroniseerd in het Spaans en Portugees. Zelfs het eten is anders; de kip met gekookte wortel blijkt een onbekende oranje groente te zijn en over het rijstetoetje zit geen kaneel maar gemalen kruidnagel!
De vlucht is overdag en ik verheug mij al op het zicht op het Andes gebergte, dat ik na een paar uur in de verte kan zien liggen. Maar als we eroverheen vliegen zijn de hoge bergen jammer genoeg in een dik wolkendek gehuld.

Chili
We landen op het vliegveld van de hoofdstad van Chili; Santiago de
Chile. Ons Bed & Breakfast heeft een taxibusje gereserveerd en het is een ongekende luxe om iemand met een bordje met onze naam in de aankomsthal te zien.
We rijden door de stad en ik neem de oude gebouwen en drukke moderne winkelstraten in mij op. PJ beleeft zo’n taxirit heel anders. Hij let op het rijgedrag van de andere weggebruikers, verkeerssituaties en verkeersborden. Hij moet misschien straks zelf ook door het drukke verkeer manoeuvreren en dan kijk je toch anders tegen zo’n stad aan. Ik heb wel een kopietje van de stadsplattegrond in mijn tas gestoken en probeer te ontdekken waar we zijn en hoe de taxichauffeur door de stad rijdt. Dat blijkt later nog goed van pas te komen.
Het El Patio Suizo B&B dat we via het internet gereserveerd hebben, wordt gerund door een Zwitsers stel, Monica en Armin. Het ligt in de chique wijk Providencia aan een smal straatje. We worden opgevangen door een blonde jonge vrouw.
“Monica?”, vraag ik.
“Nee, ik ben Rhona, een stagi
čre.”, zegt de blondine.
Alle 9 kamers liggen aan een binnenplaatsje met veel trappen, zitjes en allerlei rommelige uitbouwsels. Het is nog koud hier. Dat hadden we natuurlijk kunnen weten, want we zitten ten zuiden van de evenaar en de seizoenen zijn dus omgedraaid. Het is hier nog winter. We lopen naar een supermarkt en kopen heerlijk verse witte Keizerbroodjes, mortadella worst en gaatjeskaas. Dat doet mij denken aan de Oostenrijkse wintersportvakanties van mijn jeugd. Ik verheug mij al op het ontbijt morgen, met al die heerlijke zoete- en harde broodjes, eieren, vers exotisch fruit en uitgeperst sinaasappelsap. Het exotische fruit groeit hier tenslotte aan de bomen. We hebben nog steeds Monica of Armin niet gezien, wel een knul die rondscharrelt in de keuken en hier misschien ook werkt. 

De volgende morgen zijn we al vroeg wakker en schuiven aan de grote ontbijttafel. Daar is diezelfde jongen weer.
“Ben jij soms Armin?”, vraag ik hem. Dat is hij inderdaad. Erg vreemd dat hij zich niet is komen voorstellen en ons welkom heeft geheten. Heeft mijn schoonvader toch gelijk gekregen, toen hij zei dat Zwitsers stugge mensen zijn. Armin blijkt alleen Duits en een beetje Spaans te spreken en de conversatie gaat stroef. Het ontbijt is teleurstellend. Droog Duits brood met hartig beleg, thee en koffie, een bekertje yoghurt en mierzoete sinaasappelsap uit een pak. Dat had toch veel beter gekund.

Vandaag willen we langs bij onze verschepingsagent. PJ heeft onze agente in Baltimore bijna elke week gemaild om te vragen of ons schip nog steeds volgens schema vaart. Steeds beaamde zij dit.
De verschepingsagent in Santiago zit in dezelfde wijk als ons B&B, maar wel een half uur lopen. Ik wil wel met de metro, maar PJ stelt voor te gaan lopen om alvast iets van de stad op te snuiven. Volgens het weerbericht zal het vandaag 20 graden worden en de lucht is strakblauw. Voor de zekerheid doe ik toch maar een fleecetrui aan, want het is zo ’s morgens nog best fris. Maar ik heb alleen maar een paar teenslippers bij me en ga zonder sokken de deur uit. PJ heeft in de koffer alleen een dunne katoenen zomerbroek meegenomen en ook hij loopt op teenslippers. Onze winterkleren liggen namelijk in de camper.
Het valt ons op dat iedereen nog in dikke winterjassen loopt. Vrouwen lopen bijna allemaal op elegante hoge hakken. De huizen in de wijk Providencia zijn een mengeling van Engelse cottages, statige herenhuizen en jarenzestig flatgebouwen. De bomen zijn nog kaal of net in bloesem, maar de hoge palmbomen geven de wijk een exotisch tintje.
Als we om 11 uur ’s morgens bij de agent aankomen, wordt er erg moeilijk gekeken.
“Jullie moeten onmiddellijk naar de haven om je camper op te halen”.
”Hoezo?”, vragen wij verbaasd. “De boot komt toch pas over drie dagen aan?”
“Nee! Het schip is twee dagen geleden al aangekomen! De douane gaat om half 1 dicht, dus jullie moeten je echt haasten”.
Wij hebben hier ongelooflijk de balen van, want volgens de Amerikaanse agente was de boot nog niet aangekomen. We waren gisterenmiddag al in Santiago en hadden het proces dus allang kunnen opstarten.
“Laten we nu even realistisch blijven”, zegt PJ. “San Antonio is hier 125 kilometer vandaan en onze koffers staan nog in het Bed & Breakfast. Dat halen we dus nooit binnen die 1 ˝ uur”.
Natuurlijk vinden we het vreselijk dat ons ‘huis’ het hele weekend op de kade moet blijven staan, maar we denken dat het geen zin heeft om naar de haven te haasten als de douane toch dicht is.
De Chileense verschepingsagent vind het erg vervelend dat wij verkeerd zijn voorgelicht en wil er alles aan doen om toch vandaag nog onze camper te kunnen inklaren. Ze bellen met de douane om te vragen of ze wat langer willen blijven. Vanzelfsprekend hoef je daar bij een ambtenaar niet mee aan te komen.

We worden het kantoor ingeloodst en moeten plaats nemen in de kamer van de directeur, die vandaag afwezig is. Het uitzicht vanaf de 19de verdieping is spectaculair. De stad ligt onder ons en aan de rand van de stad komen boven een laag smog de besneeuwde toppen van het Andesgebergte loodrecht omhoog.
De directiesecretaresse in korte strakke rok en geweldige kniehoge zwarte laarzen met stiletto hakken brengt ons koffie en relatiegeschenkjes. Dit vinden wij een slecht teken…zouden ze soms weten dat onze camper leeggeroofd is?
De secretaresse spreekt goed Engels en komt op een gegeven moment met het volgende voorstel.
“Jullie gaan met de taxi naar San Antonio, de agent zit daar klaar om al het papierwerk te regelen en dan door naar de douane om je camper in te klaren.”
Het is ondertussen al 12 uur, dus wij vragen verbaasd: “Maar de douane gaat toch over een half uur dicht?”
”Nee, ze zijn tot 5 uur open, maar jullie moeten er wel voor 4 uur zijn”.

Vreemd, maar we gaan natuurlijk wel op het voorstel in. Ze stelt tevens voor dat zij voor ons een bedrijfstaxi regelt, want een reguliere taxichauffeur zou wel eens misbruik kunnen maken van het feit dat wij onwetende buitenlanders zijn.

Voor een afgesproken prijs van 70.000 pesos (100 Euro) staat er een kwartier later een auto met chauffeur voor ons klaar. Freddy spreekt geen Engels, maar wij proberen hem duidelijk te maken dat er al een prijs is afgesproken. We hopen er maar het beste van. We gaan niet meer onze koffers ophalen in het B&B, zodat we geen tijd verliezen. Freddy weet waarschijnlijk dat wij haast hebben, want hij scheurt met 80 kilometer per uur door de drukke stad. Af en toe wrijft hij even over het houten kruisje dat aan zijn spiegel hangt. God zij met ons….toch?
De blauwe lucht verdwijnt als we dichterbij de kust komen en een koude mist hangt over de stad.
Klokslag twee uur komen we bij de agent in San Antonio aan. Freddy loopt met ons mee het gebouw in en met de lift gaan we naar de zesde verdieping. Zachtjes klopt hij op de deur van het kantoor, maar er doet niemand open. Nog maar iets harder kloppen. PJ neemt het heft in handen en bonst op de deur. Nog steeds geen antwoord. De chauffeur beduidt dat hij naar beneden gaat. Wij hebben hem nog steeds niet betaald, dus dat zit wel goed. Wij blijven voor de deur wachten, we hebben tenslotte een afspraak met Eduardo, dus die zal toch zo wel komen. Een man uit een ander kantoor vraagt wat we willen. Ik herinner me ineens het Spaanse woord voor afspraak (les 4) en zeg:” We hebben om 2 uur una cita met Eduardo”, maar de man zegt doodleuk dat al het personeel tot drie uur met lunchpauze is. Dat zullen we toch niet gaan meemaken? Zijn wij als een paar idioten naar San Antonio gesjeesd, gaat die man gewoon lunchen? Freddy komt terug met een bewaker, maar die kan ook weinig doen. Boos gaan we beneden in de hal staan wachten en spreken iedereen aan die maar wil luisteren. Uiteindelijk komt er iemand van ons verschepingskantoor binnen - de directeur blijkt later - die ons mee naar boven neemt, in een vergaderkamer zet, koffie maakt, zijn verontschuldigingen aanbiedt, maar geen geschenkjes dit keer, en om half drie komt Eduardo aankakken.
Het blijkt een jonge kantoorklerk te zijn, die bijna geen Engels spreekt, maar als hij zich maar verstaanbaar kan maken bij de douane, vinden wij alles best. Freddy brengt ons naar de douane. Maar de deur van het kantoor is dicht. Na langdurig kloppen doet er iemand open die Eduardo uitlegt dat het personeel tot half 4 met lunch is. Dit is toch niet te geloven? Terug naar het kantoor van de verschepingsagent, waar we de tijd doden in de vergaderruimte. Niemand biedt ons nog een kopje koffie aan. Sinds het karige ontbijt in het B&B hebben we niets gegeten. PJ kan hier wel tegen, maar mijn maag knort opstandig. Ondertussen is Eduardo ingeruild voor Fernandez die wel goed Engels spreekt. Om half vier belt hij met zijn contactpersoon bij de douane en de dame zegt dat ze al op ons zit te wachten. Freddy hadden wij allang terug naar Santiago willen sturen, maar hij staat erop om te blijven. Dat komt nu mooi uit. Het kantoor is per auto maar een paar minuten rijden en even over half vier staan we weer voor een gesloten deur. Het is ondertussen nog maar tien graden en met een straffe wind, in dunne kleren en op teenslippers is het erg onplezierig wachten. Na langdurig kloppen doet er eindelijk iemand open en Fernandez loopt naar zijn contactpersoon. Blijkbaar is zij van gedachten veranderd, want ze zegt: “Nee, aan dat soort klussen begin ik pas om vier uur’, terwijl ze onverstoorbaar een grote stapel papieren stempelt. Hier word je toch niet goed van?
De jongens gaan buiten een sigaretje roken. Ik zie dat PJ’s handen trillen, van de kou of van de zenuwen? Even voor vieren zitten we weer in de wachtkamer. De klok tikt gestaag door naar tien over vier. Mijn hart tikt drie keer zo snel. Wat een zenuwengedoe, zo meteen is het 5 uur en zijn we te laat om onze camper in te klaren. Dan is alle moeite voor niets geweest…
Fernandez rolt met zijn ogen, maar houdt wijselijk zijn mond. Zo’n douanebeambte moet je natuurlijk niet tegen de haren instrijken. Eindelijk worden we opgeroepen. Onze beambte blijkt toch wel een vriendelijke dame te zijn, die af en toe zelfs grapjes maakt. In drie kwartier maakt ze op een ouderwetse typemachine al ons papierwerk in orde. Fernandez krijgt nog wel een standje dat een bepaald kopietje ontbreekt, maar dat is toch op te lossen en 1 minuut voor 5 zijn we klaar. We willen afrekenen met Freddy, maar hij staat erop te wachten totdat alles geregeld is.
Op naar het volgende kantoor in de haven, waar we twee dagen opslaggeld moeten betalen. We houden ons hart vast, want we hebben gehoord dat hier astronomische bedragen voor gevraagd kunnen worden. Na een half uur op het toetsenbord rammen, komt dan eindelijk het verlossende woord: “6000 pesos.” Dat is nog geen 3 Euro per dag! Opgelucht trekt PJ z’n portemonnee. Nadat we de rekening betaald hebben, zorgt Fernandez ervoor dat we met onze taxi het haventerrein mogen oprijden. We hoeven alleen ons paspoort als onderpand in te leveren. En dan zien we eindelijk ons voertuig terug.

Zo op het eerste gezicht is er geen schade aan de auto, geen kapotte ruiten in de camper en de alle deuren zitten op slot. Met Fernandez gaan we een kantoor binnen, waar het laatste papierwerk afgehandeld wordt. We krijgen de contactsleutels terug en dan mogen we dan eindelijk onze camper inspecteren. PJ ziet al snel dat onze mooie Utah kentekenplaat verdwenen is en ook een achterlichtje op de camper kapot is. Maar dat blijkt de enige schade te zijn. We zijn zo blij en opgelucht verlaten we het haventerrein. Nog even worden we bij de ingang tegengehouden door een dame van de douane, maar het is koud en laat en zonder een laatste check mogen we doorrijden. We krijgen natuurlijk wel onze paspoorten terug.

Op het parkeerterrein van het verschepingskantoor nemen we afscheid van Fernandez en PJ betaald Freddy het afgesproken bedrag, die hier erg tevreden mee is. Het is ondertussen al bijna donker en PJ wil niet in het donker naar Santiago rijden. We snellen naar een supermarkt waar we iets te eten kopen en om 7 uur ’s avonds zit ik achter een dampende kop soep. PJ kan van de zenuwslopende middag nog steeds geen hap door zijn keel krijgen. We hebben een onrustige nacht op het parkeerterrein, waar tot 5 uur ’s morgens een disco staat te blčren.  

De volgende morgen zijn we al om 6 uur klaarwakker, maar het is nog te donker om al te gaan rijden. We poetsen 4 weken vuil van de autoruiten en rommelen wat tot het licht genoeg is om te gaan rijden. Het kost even moeite om de havenstad uit te komen en over de tolweg rijden we naar de hoofdstad. Ik loods PJ door Santiago en 2 uur later rijden we het smalle straatje van ons B&B in. Er tegenover zijn nog twee vrije parkeerplekken, waar ons enorme voertuig maar net inpast. We zouden nog op tijd voor het ontbijt zijn en een snelle douche zou ook wel lekker zijn, maar dat loopt anders. Als PJ onze bagage in de camper aan het zetten is, wordt hij uitgescholden door een overbuurvrouw die uit het raam hangt en dreigt de politie te bellen. Ze spreekt vloeiend Duits, maar dat kan PJ ineens ook.
"Binnen tien minuten zijn we weg”, stelt PJ haar maar met moeite gerust. Wat een ongastvrije buurt is dit.
Gelukkig hebben we nog een adresje hier in de buurt. Monique en Gerard zijn nog geen twee maanden geleden naar Chili geëmigreerd en we zijn gelukkig van harte welkom bij hen. In de ommuurde tuin en heerlijk groot huis, kunnen we dagenlang relaxen en op orde komen.

20 augustus - 8 september 2005

   

Negen dagen laten we ons lekker verwennen bij Gerard en Monique. Dit Vlaardingse stel hebben wij in 2001 voor het eerst ontmoet in Fish Creek, Alaska (waar ook anders?). Ze hadden hun Nederlandse Mercedesbus verscheept naar Canada en waren op weg naar Vuurland, Chili. In Mexico spraken we weer af en reisden samen over het Mexicaanse schiereiland Baja California. Na zes weken namen wij afscheid en zij reisden verder naar het zuiden.

Als Gerard na drie jaar wereldreizen een baan aangeboden krijgt in Chili, besluiten ze naar dit land te emigreren. Dit was begin juni 2005, dus ze wonen er nog maar net. Ze wonen in een leuk groot oranje huis met heel veel tegelwerk en een lekker stuk grond eromheen. In de tuin heeft een kolibrie een nestje in de avocadoboom gebouwd en het mannetje zien we regelmatig rondfladderen. Verder zien we al gelijk vogels die we nog niet eerder gezien hebben.

Gerard (46) werkt voor een tuinbouwbedrijf dat zaden van perkplanten vermeerderd, potgrond maakt van turf dat ze in het zuiden van Chili afsteken en plantenvoeding maakt. Werken op zaterdagmorgen is in Chili nog steeds gebruikelijk, dus Gerard’s weekend is niet zo lang.

Monique (40) was longfunctieassistente en studeerde voor anesthesist, maar heeft nu haar handen nog vol aan het runnen van het huishouden. In die negen dagen krijgen we een beetje een indruk hoe het leven in Chili toegaat. Allereerst is er natuurlijk de taal. Monique spreekt al een aardig mondje Spaans. Zij krijgt twee keer in de week privéles en heeft tijdens het reizen door Spaanstalige landen al aardig wat opgepikt. Dit demonstreert zij als zij voor ons een Chileense autoverzekeringsmaatschappij belt en er lustig op los babbelt. Helemaal onder de indruk raken we als we met haar naar een doe-het-zelf zaak gaan, alleen is deze wel met een grote balie, waar je naar de gewenste artikelen kunt vragen. Purschuim, verfrolletjes, voegsel, nee geen wit, maar grijs, schoenenlijm, en zo ratelt Monique maar door. De man achter de balie kijkt steeds met een schuin oog naar PJ. Hij begrijpt niet dat PJ ‘zijn vrouw’ het woord laat doen en zelf niets zegt. Dat is in dit macholand niet gebruikelijk. PJ houdt zich wijselijk afzijdig. Tevreden komen we met een tas vol spullen terug, maar helaas komt de klusjesman die een badkamer zou verbouwen niet opdagen. Dat is ook weer typisch voor deze Zuid-Amerikaanse landen. PJ helpt Monique een beetje uit de brand door allerlei kleine klusjes te doen zoals schilderijtjes en planken ophangen.

Aardschokken komen hier regelmatig voor. De eerste keer dat we hier een kleine aardbeving meemaken is dat wel even schrikken, maar de grotere beving om 5 uur ’s morgens maakt ons niet eens wakker. Als wij slapen, worden we nergens van wakker, denken we dan nog, maar dat blijkt later toch niet zo te zijn.
Het weer is nog verrassend koud en tijdens de nachten daalt het kwik naar 5 graden boven nul. We hebben zelfs dagen dat het de hele dag regent. Het is hier nog echt voorjaar met wisselende weerstemperaturen.
Dagen hebben wij het druk met het reorganiseren van camper en auto. PJ monteert zelfgemaakte plastic kentekenplaten met zwarte plakletters op de auto, ter vervanging van de gestolen Utah-platen. Wel lastig dat in Chili de kentekenplaat ook wit met zwarte letters is; nu lijkt het net of we die nagemaakt hebben.

Monique en Gerard nemen ons mee naar een groot winkelcentrum. We hadden het niet verwacht, maar het ziet er net zo uit als een Amerikaanse mall. Het enige grote verschil is dat hier overal gerookt mag worden. Ook de Jumbo supermarkt, de naam zegt het al, verkoopt werkelijk alles. We kopen flink in voor onze reis naar Peru, want daar schijnt het allemaal wat moeilijker verkrijgbaar te zijn. Ook hier kun je een sigaretje opsteken in het middenpleintje waar ook koffie geschonken wordt.
We kopen lekkere Chileense rode wijn, want daar hebben we bij Gerard en Monique al veel van geproefd. Nadat we heerlijk verwend zijn en weer helemaal klaar voor het nieuwe continent, nemen we afscheid van dit hartelijke stel. 

Als we bij hen de poort uitrijden, gaat dat maar net. We merken niet dat door het schudden een raam geraakt is en dat die gebroken is. Daar komen we pas achter bij de eerstvolgende stop. Gelukkig was het al een vervangend raam dat van plastic was en ligt de camper nu niet vol glas. Met duct-tape plakken we het raam weer aan elkaar, lang leve het plakband.

We rijden in vier dagen naar de noordgrens van Chili. We hebben namelijk in Peru afgesproken met de Nederlanders Guido (37) en Brenda (35).Je weet wel: dat stel dat in 2002 hun bloemenwinkel in Zaandam verkocht heeft en in september van datzelfde jaar hun Toyota landcruiser met daktent hebben verscheept naar Australië. Sindsdien zijn ze onderweg. Wij kwamen hen in 2004 in Fish Creek tegen (ja, daar weer). In Mexico hebben we drie weken met hen gereisd en dat is ons prima bevallen. Dus willen we best een beetje opschieten zodat we met z’n vieren verder kunnen. Zij hebben door Midden-Amerika gereisd en hebben hun auto vanuit Panama naar Equador verscheept.

Door een woestijnlandschap en langs een woeste blauwe zee rijden we naar het noorden. Alleen de eerste nacht slapen we op een camping, om er weer een beetje in te komen, maar de volgende twee nachten vinden we het veilig genoeg om op het strand te overnachten.

   

Iquique is een grote havenstad, maar het bijzondere is dat de stad achter een enorm zandduin gebouwd is. Wat zullen ze moeten stofzuigen na een windstorm!

   

Als we een route door de bergen rijden, zien we overal kruisjes langs de weg van verongelukte automobilisten. En als we een bus op zijn kant zien liggen die frontaal gebotst is op een vrachtwagen, wordt het allemaal erg realistisch.

   

De laatste nacht nemen we toch een camping, omdat we niet in een grensplaats vrij willen kamperen. De campingeigenaar is een 45-jarige macho, die mij enthousiast op de wang kust! Oeps, dat is iets te familiair voor mij, maar het schijnt in Chili heel normaal te zijn. De beloofde warme douche blijkt een koud flut straaltje te zijn. 

De grens met Chili zijn we in drie kwartier over, maar we moeten wel eerst een formulier in viervoud invullen. Eén van de formulieren wordt in Peru gebruikt; wij zijn er verbaasd over dat ze zo efficiënt met elkaar samenwerken!

Peru
De grensovergang met Peru duurt ook niet al te lang en een behulpzame douanebeambte helpt ons bij het invullen van de papieren voor het importeren van de auto. Drie kwartier later zijn we onderweg.
Dertig kilometer na de grens is de plaats Tacna waar we even Peruaanse soles uit de muur willen trekken, maar een uur later rijden we nog steeds rondjes door de stad. Uiteindelijk vinden we een bank met een flappentapper en kunnen we verder reizen. Het is ondertussen al 12 uur ’s middags en we willen eigenlijk Arequipa nog wel halen (350 km). Net voor het donker bereiken we de buitenwijken van de stad en besluiten bij een 24-uurs benzinepomp te overnachten in plaats van een beveiligde parkeerplaats in het hartje van de stad. 

Peru loopt een uur achter, dus verzetten we de klok en gaan op tijd naar bed.
Om kwart over 5 zit PJ rechtop in zijn bed.
“Wat is er?”.
“Het lijkt wel of er iemand aan de deur zit te rommelen”, antwoordt PJ.
Hij schijnt met een zaklamp op de gordijnen. We zien of horen niets.
“Misschien vergis ik me”, zegt PJ.
Ik ben niet helemaal gerustgesteld en glip uit bed om tussen de gordijnen door te gluren. “Er lopen inderdaad net drie mannen weg!”.
Twee seconden later staat PJ naast me. De schrik zit er goed in en om zes uur rijden we al weer. PJ ontdekt dat de kerels alle buitenluiken zonder slot (gasflessen, ontluchtingsrooster van de koelkast) open gezet hebben. We zijn blij dat PJ door het tijdsverschil niet meer in zijn diepe slaap was en er wakker van is geworden. 


Arequipa ligt op ongeveer 2300 meter en langzaam stijgen we naar een hoogvlakte van 4300 meter. Ik merk dit meteen met hoofdpijn. Op de hoogvlakte zien we een paar kuddes vicuňas, soort wilde lama’s.
We houden er flink de vaart in, want we willen niet nog een keer bij een benzinepomp overnachten. Zo komt het dat we net voor zonsondergang de stad Cuzco bereiken, waar we afgesproken hebben met Guido en Brenda. Zij hebben ons de GPS-coördinaten van de camping gemaild, dus zouden we deze toch wel moeten kunnen vinden.

Maar de straatjes worden steeds smaller en als we op een pleintje vanwege de eenrichtingsstraatjes nog maar één kant op kunnen, rijdt PJ vol gas een steil straatje omhoog. Daar lopen we hopeloos vast in een bocht. Het lijkt wel of er geen power in de motor zit. Als de omstanders beginnen te fluiten, zien we wat er gebeurd is. Een van de opkrikpalen van de camper is losgeschoten en is klem komen te zitten op de straat en heeft de achterkant van de camper helemaal opengescheurd!


       

Met hulp van vriendelijk Peruanen schroeft PJ de omgebogen paal los en als ze ons dan ook nog duwen, komen we wel het volgende straatje omhoog. Net voordat we een wat bredere straat bereiken, komt de camper weer vast te zitten! Zwarte rookwolken komen uit de uitlaat en hoe PJ ook op het gaspedaal trapt, er zit geen beweging in. Uiteindelijk komen we ook hier weer los. Een politieagent maakt zich zorgen over de grote hoeveelheid mensen die zich om onze camper verzameld heeft, maar wij vinden ze allervriendelijkst en behulpzaam. De camping blijkt hier maar anderhalve kilometer vandaan te zijn, we zijn alleen via een verkeerde route gereden.

Als ik bij de poort van de camping warm omhelst wordt door Brenda, komen bij mij de tranen. Bij het oprijden van de camping rijden we nog een wieldop kapot. Zo is het wel even genoeg ja!

De schade aan de camper is wel te overkomen, maar PJ maakt zich wel zorgen dat de motor helemaal geen power heeft. Voorlopig staan we op een lekker stukje grasland van een paar Nederlanders (!) die hier een primitieve camping zijn begonnen. We kletsen lekker bij met Guido en Brenda, die we alweer 7 maanden niet gezien hebben. Guido rijdt ook een dieselmotor en vertelt dat ook hij problemen heeft. Hij denkt dat het door de hoogte komt. De jongens zullen op zoek gaan naar een dieselverrijking product in de hoop dat de motoren beter gaan lopen.

 

We zijn niet de enige Nederlanders op de camping. Hier maken we kennis met Coen en Dorrit, die hun camperbus verscheept hebben naar Brazilië en al een maand of acht over dit continent reizen. Grappig is dat ik hun website op het internet gevonden had en in hun gastenboek geschreven had, zonder dat we hen kenden. Dat we hen nu hier tegenkomen is wel erg toevallig.

                        

Na een dagje relaxen op de camping, lopen we via de steile en gladde klinkerstraatjes naar het mooie oude centrum van Cusco. Vrouwen in traditionele kleding laten zich voor een kleine tip fotograferen met hun lama’s. Kinderen in kleurrijke kleding wekken vertedering op met hun jonge hondjes of lammetjes.

   

   

Jonge souvenirverkopertjes weten met gevatte opmerkingen een gevoelige snaar te raken. “Mevrouw, koop alsjeblieft vandaag wat bij mij, want morgen is het maandag en dan moet ik naar school”. En dat in het Engels! Alles is hier spotgoedkoop en ik moet me echt inhouden om niet teveel te kopen. Maar Brenda heeft een paar hele leuke sučde laarzen laten maken en ik volg haar voorbeeld. Een dag later zijn ze klaar en ik ben er hartstikke blij mee. En dat voor maar 30 Euro!

     

Als we na uren wandelen weer terugkomen op het grote plein, komen daar ineens allerlei optochten voorbij. Vrouwen en mannen in kleurrijke kleding dansen op hoempapa muziek. We maken veel mooie foto’s en zijn erg blij dat we juist op dit moment op het plein waren, want denk niet dat het ergens aangekondigd wordt. Voor maar €1,25 nemen we de taxi terug naar de camping.

   

   

     

Guido helpt PJ gebroederlijk met het repareren van de camper en het ziet het redelijk goed uit. Nu maar zien hoe de gerepareerde schade zich houdt. We vermaken ons verder prima op deze camping. Het enige nadeel is de hoogte (3500 meter) waardoor we dagen last hebben van hoofdpijn. Maar na een dag of vier zijn we gelukkig geacclimatiseerd.

9 - 18 september 2005

Natuurlijk komen ook wij er niet onderuit om vanuit Cuzco de mooiste Inca ruďnes van Zuid-Amerika te bezoeken. Maar dat gaat niet vanzelf. De ruďnes van Machu Picchu zijn alleen lopend (de beroemde vierdaagse Incatrail) of per trein te bereiken. Peru Rail heeft het alleenrecht gekregen en een retourtje met de ‘rugzaktrein’ kost al U$65,-. De treinreis duurt 4 uur, dus dan moet je eigenlijk ook nog een nachtje in een hotel om ten volle van de ruďnes te kunnen genieten. En met de hoge entreeprijs wordt het een dure grap, maar het is zo’n plek ‘waar je geweest moet zijn’.

Met Guido en Brenda wandelen we op dinsdag in Cuzco naar het treinstation, waar we treinkaartjes voor de volgende dag willen kopen. Allereerst moeten we anderhalf uur wachten voordat we aan de beurt zijn. Dan blijkt de trein de komende twee dagen al vol te zijn. We kunnen alleen nog met de ‘eerste-klas-trein’, maar die is twee keer zo duur. Dus besluiten we een paar dagen later te gaan, zodat we toch met de ‘rugzaktrein’ kunnen gaan. We kopen kaartjes voor zaterdag heen en zondag terug.

Zaterdagmorgen moeten we om half 5 opstaan, zodat we om 5 uur vanaf de camping naar het dorp kunnen wandelen om vanuit daar een taxi naar het treinstation te nemen. De trein vertrekt om precies kwart over zes. Er is geen verwarming en de trein met zijn stoelen met ijzeren leuningen is door en door koud. De eerstvolgende plaats ligt maar tien kilometer verderop, maar de trein moet een behoorlijk hoogteverschil overbruggen. Aangezien een trein geen haarspeldbocht kan maken, moet er gezigzagd worden over het spoor. Het is een gekke gewaarwording om de trein een stuk of vier keer achteruit en vooruit te voelen rijden en pas een half uur later in de volgende plaats te zijn.

Vier uur later komen we in Aqua Calientes aan. Hier worden we opgewacht door jonge ventjes die hun hotel of pension aanprijzen. We wandelen mee met een knul die ons wel aanspreekt. Na tien minuten bergop komen we bij ‘zijn’ pension aan. De buitenkant bestaat nog uit kale betonblokken en voor de ramen zitten grote vellen plastic.

    

                          
 

     

“Weet je zeker dat het al klaar is?” grappen we. Toch lopen we met hem mee naar binnen. De gastenverdieping ziet er keurig uit en de kamers hebben een tweepersoonsbed en een eigen douche en toilet. Alleen de verdieping erboven staat nog in de kale beton, en daar woont de familie.

     
De familie woont boven            Uitzicht van ons kamerraam      Toilet met praatraam            Brenda en Claudia bij tulpenboom

Nadat we met onze gids nog een stuk of vier pensions afgegaan zijn en hij zijn prijs laat zakken tot 12,50 per kamer inclusief ontbijt, besluiten we het toch te doen. Al snel blijkt dat het niet inclusief handdoeken is, en er is ook niet altijd stromend water. We hebben nog een middag zoet te maken in deze stad, dus we wandelen door de smalle straatjes en drinken en eten op de gezellige terrasjes. Het eten is hier gelukkig erg goedkoop. We hadden natuurlijk voor de Peruaanse specialiteit kunnen kiezen; een gefrituurde cavia, maar we houden ons toch maar bij gevulde avocado’s en hamburgers met friet.

  

Steeds als we ergens neerstrijken, spelen straatmuzikanten een paar melodietjes op een panfluit voor ons. Ze beginnen meestal met “El Condor Pasa”. Ik denk je dat je dat niets zegt, maar ik weet zeker als je het deuntje hoort dat je het kent. Het is wereldberoemd gemaakt door Simon & Carfunkel (“If I could”). We nemen een warm bad in de hete bronnen van Aqua Calientes. Achteraf komt dat mooi uit, want er komt ’s morgens geen warm water uit de douche. Het water is troebel en de bodem is bedekt met grind. Guido vraagt zich hardop af hoe de baden schoongemaakt worden. Als ik later bij de kleedkamers zit te wachten, zie ik een paar (straat)jongetjes met zweren op hun enkels die in hun onderbroeken richting baden lopen. Als de ‘badmeester’  hen sommeert dat ze hun sandalen - gemaakt van autobanden - uit moeten doen laten ze pikzwarte voetafdrukken achter op de witte tegels. Ik vraag me af hoe fris dit hete bad nu wel was.

De volgende morgen staan we weer om half vijf op zodat we de eerste bus naar de ruďnes kunnen nemen. Na een half uur haarspeldbochten draaien komen we bij de beroemde ruďnes aan die liggen op 2350 meter. We lopen een soort junglepad steil omhoog, maar het is de inspanning waard. Machu Picchu ligt dan onder ons te schitteren.

 

   

   

Deze Incastad is in ongeveer 1400 na Chr. gebouwd, maar werd in pas in 1911 ontdekt door een Amerikaanse ontdekkingsreiziger. We hebben in Mexico al zoveel gerestaureerde Maya tempels gezien, dat we bang waren dat dit tegen zou vallen. Maar de ligging van deze grootste behouden Inca stad is zo spectaculair, dat het even niet uitmaakt dat er alleen maar muurtjes staan. Maar na een paar uur hebben we het wel gezien.

's Middags lopen we weer door het stadje en wandelen stiekem de tuinen van een sjiek resort hotel binnen. Dit hotel heeft een prachtige tuin aangelegd met allerlei jungleplanten en er komen kolibries en andere gekleurde vogels op af. Maar het hoogtepunt is de Cock-of-the-Rock vogel, een 30 cm grote knalrode vogel met een heel aparte kop. Ik ben zo onder de indruk van deze vogel dat ik het afstapje niet zie en pardoes in een struik strelizia’s val (oranje paradijsbloemen, die bij de Intratuin voor een Euro per stuk verkocht worden). Ik ben de enige die dit hilarisch vind. Gelukkig vliegt de vogel niet weg en kan PJ hem mooi vastleggen.


 

Vanuit de camping in Cuzco bezoeken we het dorpje Pisac. We houden een taxi aan en ondanks dat de chauffeur een passagier heeft, stopt hij voor ons. Aan de Nederlandse campingeigenaresse hebben we gevraagd wat zo’n taxirit van een half uur ongeveer moet gaan kosten.
“25 Soles” (=
6,25) is haar antwoord.
Dus als de taxichauffeur met 50 soles begint, dingen we dit af tot 25. Zijn passagier stapt uit en gaat in de achterbak van de stationwagon zitten. We nemen aan dat het een vriend van de taxichauffeur is, maar generen ons enorm als het later toch een betalende passagier blijkt te zijn. We begrijpen trouwens niet dat die taxi’s voor zulke lage bedragen kunnen rijden, want de benzine is hier verhoudingsgewijs hartstikke duur, maar we willen natuurlijk niet meer betalen dan gebruikelijk.
Pisac wordt gedomineerd door de markt, waar we naar hartenlust rondsnuffelen, souvenirs kopen en de mensen fotograferen.

   

   

     

   

We willen natuurlijk voor dezelfde prijs terug naar de camping, maar dat blijkt niet eenvoudig. De eerste paar taxi’s die we aanschieten, willen ons niet voor dat bedrag rijden.
“Wie wil er een paar toeristen voor 25 soles naar Cuzco brengen?”, schalt een van de chauffeurs even later over het plein. Een taxichauffeur die helemaal achterin de rij staat en voorlopig geen ritje kan verwachten, springt in zijn wagen en brengt ons terug naar de camping.

Op een regenachtige 13de september verlaten we - natuurlijk met Guido en Brenda - de camping in Cuzco. Vrijwel elke kilometer ligt of staat er een hond naast de weg, meestal een dik behaarde schapenhond, die ons helemaal nastaart. Het lijken wel soldaten die de weg bewaken.

Onderweg stoppen we nog even in het plaatsje Lampa, waar we een bijzondere kerk bezoeken. Een rijke inwoner van het dorp heeft een kapel voor zichzelf laten bouwen met daarop een replica van Michelangelo’s ‘La Pieta’ (Maria met een gestorven Jezus in haar armen). In zijn tombe hangen de skeletten van de Spanjaarden die uit de catacomben van de kerk gesleept zijn. Een bizar gezicht en de bedoeling hiervan is ons niet echt duidelijk. Misschien heeft deze welgestelde Peruaan wraak genomen door de Spanjaarden aan zijn graf te nagelen…

     

   
                                                                                                                    G&B komen nog een bekende tegen!

In twee dagen rijden we naar de Caňón del Colca. Het begint onderweg te sneeuwen en tot onze verbazing wordt er een poging gedaan de weg sneeuwvrij te maken door mannen met spaden. Het zicht wordt nu ook minder en als PJ in de mist op een stilstaande vrachtwagen stuit, wil hij die inhalen. Maar dan blijkt dat het niet 1 maar een file van wel een stuk of 50 vrachtwagens te zijn. Gelukkig kan hij weer invoegen voordat er een tegenligger aankomt. Twee uur lang staan we vrijwel stil. We vragen ons natuurlijk af wat er aan de hand is. Het tegemoetkomende verkeer rijdt wel. Als we na twee uur eindelijk verder kunnen, blijkt dat er twee geschaarde vrachtwagens aan onze kant van de weg stilstaan. Niemand heeft eraan gedacht om het verkeer te regelen en beide rijbanen omstebeurt door te laten gaan.

We verlaten de geasfalteerde weg en moeten nog 80 km over onverharde weg naar de eerstvolgende plaats, maar de weg is bar slecht. Guido en Brenda schieten met hun Toyota Landcruiser veel sneller op, maar wij zijn na een uur pas 20 kilometer verder! We willen het bijna opgeven als Guido over de walkietalkie meldt dat hij op een asfaltweg staat. Daarna schiet het voor ons ook wat sneller op. We klimmen langzaam naar 4891 meter. Een raar idee dat we hoger rijden dan de hoogste berg van Europa. De uitzichten zijn adembenemend, ook letterlijk, want zo hoog is er niet veel zuurstof in de lucht en als we even uitstappen, lopen we al snel te hijgen. 

      

We zien een vizcacha, een konijn met een eekhoornstaart. Brenda noemt dit gemakshalve een Incakonijn, en die naam houden we erin. Via nog een onverharde weg (we doen 2 uur over 60 km) rijden we naar de Canon del Colca. Vanaf de weg hebben we prachtig uitzicht op de terrasvormige landbouw.
We kamperen op een parkeerterrein bij een diep ravijn op 3800 meter.

Ondanks dat we nu al een paar weken op hoge hoogte slapen (tussen de 3400 en 4000 meter), zijn we blijkbaar nog steeds niet geacclimatiseerd. Dit merk ik vooral tijdens nachtelijke toiletbezoeken. Als ik vanwege de kou iets te snel weer in bed klauter, lig ik nog minutenlang naar adem te happen. PJ hoort mij ook ’s nachts vaak hijgen in mijn slaap. Maar gelukkig hebben we geen hoofdpijn meer.

Canon del Colca is diep ravijn en wedijvert met de Grand Canyon (USA) welke de diepste is. Maar wij zijn hier vanwege de condors. Volgens verschillende reisverslagen van andere reizigers, moet je erg vroeg bij het beroemde uitzichtpunt Cruz del Cóndor zijn. De touroperators komen hier rond een uur of 7 en volgens reizigers missen de toeristen de condors meestal. Om half 6 staan we te blauwbekken bij het 1200 meter diepe ravijn. Geen condor te zien natuurlijk, want het is veel te koud voor de vogels om op de thermiek naar boven te komen zweven. Om 7 uur stoppen de eerste tourbussen en spugen hun toeristen uit. En dan zien we ineens ook onze eerste condor. Een prachtig gezicht om de aasgier met een vleugelspanwijdte van dik drie meter langzaam omhoog te zien komen. Er volgen er steeds meer. Een fanatieke toerist telt er 17 in totaal. Sommige vliegen zo dicht over dat we hun vleugels bijna kunnen aanraken! En dit spektakel duurt tot een uur of elf ’s morgens.

 

 

 

 

 

 

 

Met de toeristen zijn ook de souvenirverkopers aangekomen, die hun waar uitstallen op kleedjes. Ik koop een leuke geborduurde riem, maar vergeet hem te passen. Het blijkt voor een klein prijsje een klein maatje te zijn, dus leuk voor mijn slanke zus. De vrouwen dragen prachtig geborduurde hoeden, hesjes en rokken. Als ik aan een van hen bewonderde complimentjes over het borduurwerk maak, is haar antwoord: “Dat heeft mijn man gemaakt”.

 

 


Na de lunch rijden we naar het plaatsje Chivay, waar we in de hete bron willen, want we hebben al drie dagen niet gedoucht. Vanaf boven kunnen we het complex zien liggen. Een prachtig zwembad is helemaal leeg, dus we vermoeden dat dit een koud bad is. Een ander bad heeft afgebladderde muren en is vol met schreeuwende Peruaanse kinderen. Het ziet er niet zo appetijtelijk uit, maar Brenda en ik gaan toch even kijken. Dan blijkt dat er vijf baden zijn, waarvan drie alleen voor toeristen! Het is natuurlijk belachelijk dat er onderscheidt gemaakt wordt tussen de lokale bevolking en buitenlanders, maar met de straatjongetjes in gedachten zijn we er toch wel erg blij mee. We laten ons zakken in een rond binnenbad van 38 graden. Maar pas echt fantastisch wordt het als we het mooie buitenbad uitproberen dat nog een graadje heter is. In een 40 meter bad liggen we uren met z’n viertjes en kunnen meteen onze voertuigen in de gaten houden. Er mag zelfs een drankje en versnapering bij genomen worden. Wat een luxe voor maar 2,50. Om vier uur worden we weer ‘ingehaald’ door de tourbussen met toeristen en wordt het voor ons tijd om uit het bad te komen. We overnachten naast de hete bronnen, maar als het donker wordt, komt er iemand om parkeergeld vragen. De gevraagde 2,50 lijkt ons redelijk, maar dan wordt het ineens verdriedubbeld. Boos rijden we weg, maar snijden onszelf hiermee in de vingers. Waar moeten we nu slapen? We besluiten gewoon 25 meter verder te parkeren en niemand durft ons meer lastig te vallen. 

Als we de volgende dag langs het kerkplein van Chivay rijden, is er net een optocht aan de gang. We begrijpen er zoals zo vaak weer niets van, want waarom hebben die vrouwtjes enorme broden met linten aan hun lijf gebonden en waarom lopen de mannen met kratten bier op hun schouders?

     

Antwoord hierop zullen we niet krijgen. Onderweg zien we weer een tourbus op z’n kant liggen. Gelukkig had deze bus niet zoveel passagiers en we zien vijf mannen bedremmeld op een kluitje staan. Ik zie wel een paar benen onder een plaid uitsteken van een minder gelukkige passagier. We zijn weer blij dat we niet afhankelijk van het openbaar vervoer zijn.

We rijden door naar Puno. Deze plaats ligt aan het Lago Titicaca. Dit meer ligt op 3820 meter boven zeeniveau en is volgens de reisgids het hoogste meer met een passagiersboot service. We kamperen langs het meer op een veldje waar een schapenhoedster haar kudde schapen laat grazen.

De wekker staat op zes uur, maar om half zes worden we wakker van geschreeuw. Wat nu weer? Ik glijd uit bed en gluur tussen de gordijnen. Het blijkt dat er twee jongens aan het oefenen zijn met kickboksen. Niets om je ongerust over te maken dus. Maar even voor zessen loopt het veldje vol en begint een groep jongens en meisjes te voetballen om onze voertuigen. Het blijkt dat we op hun voetbalveld staan! Ik had gisteren wel wat vage krijtlijnen gezien, maar er geen aandacht aan geschonken. We verplaatsen snel de camper, zodat ze hun spel kunnen afmaken zonder een voertuig in het doel. Een half uur later rijden we dwars door de stad naar de haven, waar we een boottochtje willen maken. Ondertussen is de markt begonnen en vrouwtjes met bolhoedjes en klokkende rokken beginnen hun groenten op de straat uit te stallen. Hoe we hier straks weer uit moeten komen, is van latere zorg.

We laten de voertuigen op de kade achter bij een gladde verkoper, die meteen ook onze boottickets verzorgd. Met een gemotoriseerde boot gaan we naar de zogenaamde drijvende rieteilanden. PJ heeft er een hard hoofd in, want in Mexico-stad waren de drijvende tuinen ook niet echt een succes. Maar deze eilanden van de Uros Indianen zijn echt gemaakt van afgesneden rietstengels die laag op laag een zachte bodem vormen. Aan de onderkant rotten ze weg en aan de bovenkant worden ze weer aangevuld.

   

   

Op elk eilandje staan eenvoudige rieten huisjes, een wankele uitkijktoren en proberen de Indianen hun rietsouvenirs te verkopen. We zien een echtpaar dat hun vangst eenden aan het villen is. Als Brenda en ik vanaf de toren over het piepkleine eilandje uitkijken, vraagt Brenda zich hardop af of er een toilet is. Haar vraag wordt meteen beantwoordt als we een Indianenvrouwtje zien hurken achter een huisje, haar rokken omhoog doet en haar plas laat lopen. Geen onderbroek, geen toiletpapier, gewoon lekker simpel. Met een heuse rietkano gaan we naar het volgende eilandje. Deze kano’s zijn zo gebouwd dat ze een hele familie een aantal maanden kunnen vervoeren, voordat ze wegrotten. We hopen maar dat deze boot niet aan zijn laatste dagen toe is...

   
Ook hier staat weer een uitkijktoren, zit een oma gerstekorrels fijn te malen en verkopen kinderen met groene snottebellen zelfgemaakte ansichtkaarten. Hygiëne is ver te zoeken en de eilandbewoners verspreiden een sterke lichaamsgeur. Na drie eilanden gaan we met de motorboot weer terug naar het vasteland. Natuurlijk kapt de motor er een paar keer mee, maar uiteindelijk komen we wel weer terug op de kade. De voertuigen staan er net zo als we ze achtergelaten hebben en de stad komen we ook zonder kleerscheuren uit.  

Op weg naar de grens met Bolivia stoppen we nog even bij een vruchtbaarheidstempel. Eén meter hoge stenen fallussen staan op een rij en volgens de reisgids gaan vrouwen op de kop zitten in de hoop zwanger te raken. Een tienjarige knul biedt aan om onze gids te zijn. Hij spreekt ons aan in het Engels, maar als Brenda een praatje met hem aanknoopt, komt ze niet ver.
“Waar heb jij Engels geleerd?”
“Yes”
“Van wie heb je Engels geleerd?”, probeert ze nog eens.
“Yes”.
Maar als hij zijn uit het hoofd geleerde praatje begint, gebruikt hij prachtige Engelse volzinnen. Helaas vertelt hij alles over de symbolen in de muren en niets over die merkwaardige stenen penissen. We willen hem niet in verlegenheid brengen, dus laten we het maar zo.
Nu zijn we nog maar een paar kilometer van de grens verwijderd. Door de behulpzame en vriendelijke douanebeambten zijn we in een kwartier de grens met Peru over. Ook Bolivia in kost geen moeite en geen geld. We krijgen een visum voor dertig dagen. We zijn klaar voor ons volgende avontuur.

Bolivia (19 september - 3 oktober 2005)

Bij Lago Titicaca gaan we zeer gemakkelijk de grens over naar Bolivia. Maar voordat we bij Copacabana aankomen, worden we gestopt bij een politiecontrole. De agenten zijn zeer onvriendelijk en schrijven een reçu uit voor een vage toeristenbelasting van 3 euro. Voor zo’n bedrag hebben wij geen zin om ruzie te maken, maar Guido en Brenda denken daar anders over. Ze gaan met de agenten in discussie en hun bedrag wordt gehalveerd. Zo gemakkelijk gaat dat blijkbaar. We weten dat die bedragen direct in hun zakken verdwijnen en dat maakt het wel vervelend.

In Copacabana kamperen we gratis langs het meer. Dit plaatsje is bekend om zijn zegeningen. Bij de kerk kun je werkelijk alles laten dopen, zoals je winkel, je huis, je restaurant, je fortuin, jezelf… Omdat het natuurlijk niet mogelijk is je huis naar de kerk te brengen, staan er voor de kerk stalletjes die miniatuurtjes van huizen en winkels verkopen, zodat het iedereen eenvoudig gemaakt wordt.

Twee keer per dag is er de mogelijkheid je auto te laten zegenen. Drie rijen dik staan gepoetste auto’s te wachten en de eigenaren versieren hun voertuigen met slingers, verse bloemen en medaillons met Heiligen. Klokslag tien uur verschijnt er een geestelijke in een bruine monnikspij. Hij draagt een baseballpet en een donkere zonnebril en onder zijn pij is zijn spijkerbroek zichtbaar en een paar gymschoenen. Met een emmertje en een kwast loopt hij langs de voertuigen en sprenkelt wijwater over en in de motorkap, over het interieur en over de eigenaren. De Bolivianen nemen dit hartstikke serieus. Als de geestelijke klaar is, spuiten ze bier of champagne (ligt eraan hoe rijk ze zijn) over hun auto en strooien een handvol confetti over de motorkap.

   

Ik vind het eigenlijk te zot voor woorden dat de kerk hierin meegaat en PJ is bang dat de automobilisten nu denken dat ze onschendbaar zijn en hun rijgedrag hieraan aanpassen. We proberen Amerikaanse dollars te wisselen bij een bank, maar het merendeel van de biljetten worden niet geaccepteerd, omdat er op geschreven is. Daarom wisselen we maar bij een vrouwtje op straat. De Boliviaanse munteenheid zijn boliviano’s, die PJ meteen omdoopt tot ‘bolletjes’.

De volgende dag wordt een spannende want eerst moeten we met de camper op een soort houten vlot de smalle monding van het meer oversteken en daarna moeten we dwars door La Paz rijden om bij de camping ten zuiden van de hoofdstad te komen. In de buitenwijken van La Paz hebben ze geen stroom of riolering en modderige straten. Het ziet er vreselijk armoedig uit. Maar als we door hartje centrum rijden, zien we mooie hoge gebouwen en schone straten. Met vier paar ogen, 2 GPS-systemen, walkietalkies, plattegronden en reisgidsen zoeven we door de stad en vinden we de camping die een half uur ten zuiden van de stad ligt. Een Zwitser is hier een schitterend hotel begonnen en laat reizigers met eigen vervoer op een stukje grond parkeren. Meer is het echt ook niet, want PJ ziet een rat wegvluchten, er loopt een lama te grazen op het terrein, die begint te blazen als je te dichtbij komt, er is geen water of elektriciteit en geen toilet. Daarvoor moeten we naar het hotel klimmen. Maar er is wireless Internet en een hete douche, dus we zullen niet klagen.

Met de taxi gaan we naar het centrum. Het eerste wat ons opvalt zijn de schoenpoetsertjes. Ze dragen allemaal zwarte bivakmutsen! Het schijnt dat ze zich vreselijk schamen dat ze zo hun geld moeten verdienen, zodat ze hun gezicht onherkenbaar maken. Dat is toch triest.
La Paz ligt op 4012 meter en we happen naar adem als we door de steile straatjes lopen. De traditioneel geklede vrouwen dragen strokenrokken gemaakt van brokaatstoffen, die schitteren in de zon. Hoog op hun hoofd dragen ze een fluwelen bolhoedje. Ik vraag me af waar dit vandaan komt; het is niet functioneel, want de oren blijven koud in deze gure temperaturen en de rand is zo smal dat het hun ogen niet beschermd tegen de zon.

Na drie nachten geslapen te hebben naast een lama gaan we zuidwaarts. De akkers worden hier nog met ossen of met de hand bewerkt. We zien vrouwen een klinkerstraatje leggen, compleet met klokkende rokken en kind op hun rug. Wat moeten die vrouwen hier sterk zijn. Na 300 kilometer zuidwaarts houdt het asfalt op. We kamperen naast het Lago Poope en hebben voor het eerst nachtvorst. Een boer komt ons ’s morgens met een brede glimlach vol zwarte tanden een zakje cocablaadjes aanbieden. Het kauwen van cocablaadjes stilt de honger en helpt tegen hoogteziekte.
“Nee, dank u, wij zijn al geacclimatiseerd”.


Nu moeten we nog 200 kilometer onverharde weg naar Uyuni, de uitvalsbasis voor de beroemde zoutvlakte. De weg is slecht en we moeten zelfs door drie rivieren rijden. Voor Guido en Brenda is dit gesneden koek, maar wij doen het voor het eerst en vinden dit best eng.
We balen vreselijk als de deur van de koelkast opengegaan is en de inhoud van de koelkast verspreid over de vloer ligt. Alles trilt open en kapot onderweg. Ondanks dat er ook vrachtverkeer rijdt, is het een rustige route. Eindelijk geen kruisjes langs de weg van omgekomen automobilisten, geen afval en geen aangereden honden. Alleen kuddes grazende lama’s en een enkele vicu
ňa (wilde lama). Na zeven uur bonken, komen we bij de zoutvlakte aan. We tanken de auto’s vol diesel en rijden de witte vlakte op. Salar de Uyuni is eigenlijk een enorm zoutmeer (’s werelds grootste), dat in de winter zo opdroogt dat er met auto’s over de zoutkorst gereden kan worden. We informeren waar het mooie eiland met zeldzame cactussen is, want we hebben geen GPS- coördinaten.
“Tachtig kilometer naar het westen en dan zie je het vanzelf”.
Met 70 km per uur vliegen we over de gladde witte vlakte en hebben het reuze naar ons zin. Wat een verademing na zeven uur bonkedebonken. De vulkanen om de zoutvlakte lijken te zweven.

   
Als het eiland in zicht komt, valt het tegen. Het is meer een rotsgebergte met cactussen in plaats van een eiland in een witte vlakte.
Na navraag blijkt dat we een flinke afwijking naar het zuiden gemaakt hebben en al aan de rand van de zoutvlakte zijn! Het eiland ligt hier anderhalf uur vandaan. We besluiten hier te kamperen en morgen wel verder te zien. Guido en Brenda willen verder naar het zuiden om een ruige driedaagse 4x4 weg te gaan rijden en kunnen om diesel te besparen niet eerst naar het eiland rijden. Wij willen eerst het eiland proberen te vinden en dan terug naar Uyuni. We spreken af elkaar over tien dagen weer te ontmoeten in Samaipata.

Zoals we gisteren ook aan de andere kant gedaan hebben, snijden we de weg langs het gebergte af door over de zoutvlakte te rijden. Maar het eerst zo gladde spoor, wordt dieper en we verliezen grip. PJ besluit een u-bocht te maken, maar dan zitten we ineens hopeloos vast in de supergladde blubber onder de zoutkorst!!!! Het is pas kwart over acht in de morgen.

 

 

 

Na even slikken en met de handen in het haar gezeten te hebben, gaan we tot actie over. Ik loop naar de weg (tien minuten) en houd een tourbusje aan.
“Ik kan je niet helpen, want ik moet verder, maar daar verderop is een pueblo (dorpje) en die hebben vast een tractor”, verontschuldigt de gids zich in het Spaans. Ik kan het dorpje zien liggen, maar het is toch nog een half uur lopen. Ik houd contact met PJ via de walkietalkie. Als ik het dorp inloop, ziet het er uitgestorven uit. Zodra ik een oud vrouwtje zie, spreek ik haar aan.
Buenos D
ías Seňora, estoy una tourista muy stupido, coche a la solar, necesito un tractor” is mijn Spaanse volzin. (“Goedemorgen mevrouw, ik ben een stomme toerist, auto in de zoutvlakte, een tractor nodig”, denk ik te zeggen).
Ze begrijpt mij meteen en wijst naar een man verderop, volgens mij de enige twee volwassenen in dit dorp. Ik  herhaal mijn zin en hij zegt dat hij geen tractor heeft, maar gaat meteen via een ouderwetse radiozender ‘bellen’.
Terwijl ik sta te wachten, wordt ik ineens besprongen door een jongetje.
Hola, ik ben Ernesto, hoe heet jij?”, zegt hij terwijl hij zijn snottebel aan mijn jas veegt. Een meisje steekt haar handje in mijn jaszak, vist mijn handschoenen eruit en trekt ze aan. Ze pakt mijn handen en wil een dansje met mij doen. Ik ben nog buiten adem van de wandeling, want we zitten op 3600 meter hoogte (hé, ik ben geboren onder zeeniveau!) en mijn hoofd staat er ook niet echt naar. De kinderen zijn super aanhalig. De man komt uit zijn hok en ik begrijp uit zijn verhaal dat in het dorp verderop wel twee tractoren zijn, maar dat hij geen contact heeft kunnen maken.
“Je moet een uur en een kwartier lopen naar dat dorp”
“U bedoelt dat ik vijf kwartier moet LOPEN?”, vraag ik verbaasd en hoop op een lift.
Si”, zegt de man stralend en biedt mij geen lift aan.
Teleurgesteld loop ik weg en slik mijn tranen in.
Ciao”, roept Ernesto bij de poort en zwaait naar me. 

Terug bij PJ en de vastgelopen camper, besluiten we samen naar dat dorp te lopen. We nemen een fles water mee en wat mueslirepen. Vijf kwartier wordt twee uur met een koude straffe wind. We stoppen bij twee mannen en een vrouw die met een schop het land aan het bewerken zijn.
“Of zij weten waar we een tractor kunnen vinden”, durven we nog te vragen!
“Daar in het dorp”, wijzen ze.
We zien een grote boerderij, maar als we er aankomen, hebben ze er geen tractor en verwijzen ons naar het volgende dorp. Weer zo’n spookdorp, maar we zien wat kinderen die ons naar hun vader brengen. Als de man hoort dat we geen kleine auto hebben, maar een zes ton wegende truck, wil hij ons niet helpen.
“Kan iemand ons misschien een lift geven naar onze auto?”, vraagt PJ.
“Nee, we hebben hier geen auto’s in de dorp”, grinnikt de man.
“En die auto daar dan?” zegt PJ en wijst op een redelijk goed uitziende Toyota pick-up truck.
“Die doet het niet”, lachen de man en kinderen vol leedvermaak. Kapot of geen brandstof is hier waarschijnlijk hetzelfde, want de dichtstbijzijnde benzinepomp is hier tachtig kilometer vandaan!

Zeer teleurgesteld sloffen we de twee uur met tegenwind terug naar de camper en drinken kleine slokjes van het water. Ik heb ondertussen een stukgelopen blaar ter grootte van een Euro op mijn hiel en mij handen zwellen helemaal op. Uitgedroogd komen we bij de camper aan en drinken in een hoog tempo 6 mokken thee en een liter water. Pas na een paar uur komen onze nieren weer op gang. We zien weer wat lokalen en vragen of zij een tractor weten.
“Nee, je hebt geen tractor nodig, maar ….. en stenen en ..…, en …..…  “. We hebben geen idee wat hij bedoelt maar deze Boliviaan is wel bereid ons te helpen.
“Ik kom morgen terug met de spullen en wat vrienden”.
Hij vraagt hiervoor het astronomisch bedrag van 800 bolletjes (80 Euro).
“Dat is veel te veel”, sputtert PJ tegen, maar de man mompelt: “Mucho trabajo” (veel werk). Tja wat doe je eraan? Later horen we van een Amerikaanse restauranthouder dat 800 bolivianos het gebruikelijke bedrag is om toeristen uit de shit te halen. We leggen ons erbij neer dat we hier de nacht moeten doorbrengen, maar om vier uur komt onze man terug met een auto, zijn zoon, een kruiwagen en wat palen. Hij begint het achterwiel dat het meest is weggezakt langzaam via de velg op te krikken. Als het wiel een stukje omhoog is, strooit hij de droge zoutkorst onder het wiel, dat zijn zoon met de kruiwagen is gaan scheppen. Daarna laat hij het wiel zakken, verhoogd de plank onder de krik en begint opnieuw. Na een uur staat het wiel toch zeker een centimeter of acht hoger!

   

 “Ik ga ervandoor”, zegt hij na een uur. We denken even dat hij ons een kamer in zijn pension aanbied, maar later begrijpen we dat hij vast iets anders gezegd heeft, zoals: "Ik verwacht elk moment mijn gasten in mijn pension”.
Tot overmaat van ramp is onze tweede gasfles ook bijna leeg en we hebben nog geen kans gezien ze te vullen. Om gas te sparen, kook ik niet (we eten broodjes) en gaan we om half 8 naar bed. We staan niet eens zo heel erg scheef.

De volgende morgen komt ons Boliviaantje aangereden met een kuub droog struikgewas op zijn dak, zijn zoon, zakken fijn woestijnzand en nog meer houten planken. Het enige wat we hadden verstaan (piedras = stenen) hebben we nooit gezien. Het proces van het opkrikken van de banden begint opnieuw, alleen de voorbanden krikt hij op via de bouten…aaah, het gaat gelukkig allemaal goed. Ondertussen is kleine Ernesto weer van de partij en heeft nu een nieuwe vriendin, Abigail meegenomen. De kinderen pakken weer steeds mijn hand, vegen hun snottebellen tijdens knuffels aan mijn jas af, ik houd ze warm en vermaak ze met tekenen. Jammer dat ze denken dat mijn tekening van een lama een flamingo is…
Als alle vier de banden een stuk hoger staan, mag PJ beginnen met stukje bij beetje te rijden. De takken, de planken en het droge zand zorgen ervoor dat de wielen weer grip krijgen en drie uur later rijdt PJ weg over de zoutvlakte. Ik ga aan de weg staan en krijg gelukkig een lift van hem.

We hebben even ons buik vol van het zout, maar moeten toch nog 80 kilometer terug over de zoutvlakte naar Uyuni rijden. In dit woestijnstadje nemen we een kamer met douche in een pension en parkeren de camper achter een poort op een vieze buitenwerkplaats. Als we zien dat het plafond van de kamer bekleed is met brandgevaarlijke piepschuim platen, slapen we vertrouwd in de camper, maar we maken wel gebruik van de douche. Om gas te sparen hebben we een mooi excuus om uit eten te gaan.
’s Nachts doet PJ geen oog dicht vanwege een verkoudheid en we besluiten nog een dag in dit godvergeten oord te blijven. De koude wind waait door de straten en stuift fijn zand op. In onze hostelkamer schrijf ik de sores van mij af en PJ doet het rustig aan. ’s Avonds eten we weer in hetzelfde eettentje en horen waar we onze gasflessen kunnen vullen.

Vanuit Uyuni rijden we over een mooie, maar onverharde route naar Potosi, de hoogste stad ter wereld (4090 meter). Het roodgekleurde landschap doet een beetje denken aan de staat Utah in Amerika. In Potosi wordt in de mijnen gewerkt onder Middeleeuwse omstandigheden. Toeristen kunnen dit bekijken, maar de asbestdeeltjes vliegen er in het rond, dus wij slaan dit over. We willen tenslotte geen permanente souvenirs mee naar huis nemen…
 

Na de stad begint het asfalt weer. We zijn Potosi nog niet uit, of we hebben al twee tolhuisjes achter de kiezen. In Bolivia moet je voor vrijwel elke weg, ongeacht de wegconditie, betalen. Het tolhuisje wordt aangekondigd door een touw dat over de weg is gespannen. In het huisje zit een man achter een houten keukentafel met daarop allerlei gekleurde bonnenboekjes. Elke kleur staat voor een ander bedrag en naar mijn idee scheurt hij een paar willekeurige gekleurde blaadjes af, niet deze aan elkaar en de opstelsom van alle getallen wordt het uiteindelijke bedrag. Het gaat meestal om luttele bedragen van 50 of 75 eurocent. Het lijkt wel Monopolygeld.

Na de twee tolhokjes moeten we stoppen bij een politiepost. De agent heeft een modern radarpistool in zijn handen en laat ons zien hoe hard we reden.
“Oh nee, dat is niet waar”, roept PJ uit als hij ziet dat we 88,8 kilometer hebben gereden. Hij weet namelijk zeker dat hij minder dan 70 reed.
"U mocht hier maar 80 km p/u dus u krijgt een bekeuring voor te hard rijden”, fluistert de agent met de stem van maffiabaas Don Corleone.

“Spreekt u Engels?”, vraagt PJ, zodat hij iets makkelijker met de agent in discussie kan gaan over het vermeende te hard rijden.
“U bent hier in Bolivia en hier spreken wij Spaans”, fluistert Don droog. De agent blijft maar naar de 88,8 wijzen in het schermpje en trekt zijn bonnenboekje tevoorschijn. De boete is 50 bolletjes (5 euro). PJ pakt de portemonnee en haalt het bedrag eruit.
De acuerdo? vraagt Don.
"Nee, niet akkoord”, antwoordt PJ boos en geeft hem een biljet van 20 bolletjes (2 euro). Dit blijkt voldoende te zijn. We moeten nog wel een preek aanhoren dat de wegen hier gevaarlijk zijn en dat we niet te hard moeten rijden. "De politie, die is pas gevaarlijk”, zou PJ willen zeggen, maar houdt wijselijk zijn mond. We weten zeker dat het volgende slachtoffer dat ze aanhouden ook 88,8 kilometer heeft gereden, wat een corrupte zooi zeg.

We rijden door naar Sucre, maar kunnen in de stad geen plek vinden waar we de camper durven achter te laten. Voordat we het weten zijn we de stad weer uit. Ik had me verheugd op een bezoek aan de suikerwitte stad, het stoffenmuseum, de dinosaurusafdrukken van wel 80 centimeter, het café gerund door Nederlanders waar ze Hollandse appeltaart en broodje kroket verkopen, en natuurlijk het winkelen, dus ik ben ontroostbaar. Als PJ een uur later helemaal omkeert op de slingerweg, omdat ik drie groenblauwe papagaaitjes in een boom heb zien zitten, maakt dat het maar deels goed.

Na 100 kilometer houdt het asfalt weer op en doen we 2 uur over de volgende 50 kilometer. De camper steunt en piept en alles trilt van zijn plaats. Scharnieren trillen kapot. De auto heeft absoluut geen kracht meer en slaat af en toe zelfs bijna af. Hebben we slechte diesel getankt of is er  iets mis met de versnellingsbak, omdat we in Cuzco ook al dezelfde problemen hadden? PJ maakt zich diepe zorgen over de verdere trip.
We rijden een schitterende route door een zogenaamd cloudforest met dikke varens,  grote gele paraplubloemen, lianen en zien zelfs een condor.

   

In Samaipata weten we een camping gerund door een Nederlands echtpaar en daar komen we weer een beetje tot rust. Brenda en Guido zullen binnen enkele dagen hier ook komen. We kijken al naar ze uit.
“Nu moet het afgelopen zijn met al die avonturen als wij er niet bij zijn”, is het eerste wat Guido lachend zegt en hij drukt PJ een fles whisky in zijn handen. “Die kun je vast wel gebruiken”.
Guido en Brenda komen drie dagen eerder dan verwacht de camping in Samaipata oprijden. We hebben elkaar maar negen dagen niet gezien, maar we hebben genoeg stof tot praten voor een week. Ook voor hen is de reis niet helemaal voorspoedig verlopen. De diesel die we getankt hebben vlak voordat we de zoutvlakte opreden, blijkt niet goed te zijn geweest. Hun Toyota Landcruiser reed ineens niet harder dan 20 kilometer per uur, maar gelukkig hadden ze nog een jerrycan met andere diesel (hun kacheltje loopt op diesel). Ook heeft Guido een dieselfilter verwisselt bij temperaturen onder het vriespunt. Een lekke band in de sneeuw is ook geen pretje en ze konden hun 4x4 track niet vervolgen vanwege te hoge sneeuwwallen.
Het is al snel duidelijk dat onze wegen zich weer zullen scheiden, want wij hebben besloten niet 500 kilometer onverharde weg naar Brazilië te rijden om in de Pantanal te komen. Guido en Brenda willen dit (uiteraard) wel doen, hun auto is daar tenslotte op gebouwd.
Maar daar houden we ons nu natuurlijk niet mee bezig en we genieten van elkaars gezelschap. De camping in Samaipata wordt gerund door een Nederlands 60+ echtpaar, die hier 25 geleden naar toe geëmigreerd is. Het campinggedeelte is uiterst verzorgd, we hebben zelfs een keukentje en eethoek tot onze beschikking.

Vele uren brengen we door in ‘ons hok’, want er zijn op dit moment geen andere campinggasten. In de pensionkamers zit de filmcrew van de BBC televisie, die opnames maakt over het leven van Ché Guevara. Het is volgende week 38 jaar geleden dat deze rebel hier vlakbij geëxecuteerd werd. We vermaken ons over de amateuristische manier waarop geacteerd wordt.

    

Ik heb nog een stad tegoed van PJ (na het mislopen van Sucre), dus gaan we met de taxi naar Santa Cruz de la Sierra. Dit is tweeëneenhalf uur rijden, dus we willen wel een comfortabele taxi die banden met profiel heeft. We vinden een keurige oude taxichauffeur die ook nog een redelijk goede stationwagon heeft, die ons wel naar de stad wil rijden, daar een paar uur zal wachten, bij een grote supermarkt zal stoppen en ons weer terug zal rijden. Bij elke kerk en elk kapelletje langs de weg, slaat hij een kruisje. De stad valt een beetje tegen, vooral het shoppen naar souvenirs, maar we hebben wel een leuke dag. Brenda biedt de chauffeur op de terugweg een koud blikje frisdrank aan. Deze keurige man gooit z´n lege blikje pardoes het raam uit. Daar staan we toch wel even raar van te kijken. Maar onze haren rijzen echt ten bergen door zijn rijstijl op de terugweg: hij haalt in de bochten in en het tegemoetkomende verkeer missen we rakelings. Nu zijn wij het die kruisjes slaan en schietgebedjes prevelen!

   

Na een week relaxen besluiten we te vertrekken. Maar de hele nacht heeft het geregend en wij komen niet weg van het nu modderige veld! We geven het al gauw op en besluiten een dag of wat te wachten totdat het weer droger is. Het lukt Guido wel, na een paar pogingen en veel sporen in het gras, en we nemen voortijdig afscheid van elkaar. We verwachten elkaar over een maandje weer te zien in Argentinië’, maar dit zal door onvoorziene omstandigheden VIJF maanden worden!   

Na twee dagen is de modder gedroogd en kunnen ook wij vertrekken. We rijden zuidwaarts over geasfalteerde wegen. In twee dagen rijden we naar Villamontes, waar we naast een ravijn, Caňón del Pilcomayo willen overnachten. Ondanks dat we de onverharde wegen zoveel mogelijk proberen te vermijden, komen we er soms niet onderuit een stukje onverhard te rijden. Door een over het hoofd geziene kuil in de weg, maken we een smakker met de auto. Het overhangende gedeelte van de camper klapt op het dak van de pick-up. Dit overkomt ons de laatste tijd steeds vaker! In de USA gebeurde dit misschien twee keer per jaar, in Zuid Amerika soms wel twee keer per dag. We zijn bang dat er een dag komt dat de camper hierdoor in tweeën breekt! En deze angst blijkt later niet ongegrond.

We rijden langs het stoffige ravijn en in een kale boom zie ik vier grote oranje vlekken. Het duurt even voordat ik door heb waar ik naar kijk. Dat oranje is de snavel van een …
“Toekans, toekans!”, roep ik, maar voordat ik de fotocamera heb gepakt, zijn ze al naar de overkant van het ravijn gevlogen. We besluiten hier te overnachten in de hoop dat ze nog eens terugkomen. Aan de overkant van het ravijn nesten honderden groene parkietjes en maken veel lawaai.
We wandelen langs het ravijn en zien verschillende soorten dwergpapegaaitjes en parkietjes, caracara’s - roofvogels die leven van aas -  en mooi gekleurde hagedissen. Het is hier 36 graden, maar we kleuren niet bij, want we moeten ons bedekken met kleding om niet gebeten te worden door zietzenietjes, minuscule vliegjes. ’s Morgens vroeg worden we gewekt door hard gekras en als ik met een verrekijker de rotsen aftuur, zie ik ineens twee military macaws - grote groene ara’s (grote papegaaien). Te ver voor foto’s, maar we vinden het wel bijzonder deze vogels in het wild te zien.

     

Als we ’s morgens naar de grens rijden, zien we nog twee toekans overvliegen. Om de rivier over te steken, hoeven we nu eens niet te water, maar moeten over een enkelbaans spoorbrug rijden!

Bij Yacuiba willen we de grens overgaan, maar we hebben moeite de grensovergang te vinden. We worden toch niet geacht dwars door die straatmarkt te rijden?Jawel! Na langzaam manoeuvreren komen we bij de grenspost aan en halen de vereiste stempels. Dag Bolivia! We hebben een beetje een wrange nasmaak van dit land, maar dat komt door de slechte wegen en de problemen die we gehad hebben. Het is vast een heel fijn land als je het een kans geeft.

 

 

 

Argentinië 10 - 29 oktober 2005

Via dezelfde rommelige markt komen we bij de grens van Argentinië aan. Hier worden we van het ene hokje naar het andere gestuurd, voor stempels en het invullen van papieren. Het duurt en duurt maar en iedereen controleert elkaar. Overal willen ze de originele papieren zien, wat vervelend is want op ons kentekenbewijs staat heel vet gestempeld dat we het voertuig uit de USA hebben geëxporteerd. Bij een van de hokjes vragen ze steeds om onze seguro. We hebben geen idee waar ze het over hebben en laten al onze papieren zien. Nee, seguro, blijven ze maar zeggen. We pakken het woordenboek erbij en begrijpen eindelijk wat ze bedoelen: onze autoverzekering. Oeps, we hebben alleen een faxkopie van onze verzekering, want het origineel is opgestuurd naar Gerard en Monique en daar hebben we niet op gewacht. Dit is het eerste land dat hierom vraagt, maar gelukkig maakt het hen nu niet uit dat het maar een kopie is. Nadat de auto eindelijk is ingevoerd, moeten we nog een half uur wachten voordat wij ook de vereiste stempels in onze paspoorten hebben en dan zijn we binnen!


 

Argentinië is het land van voetballer Diego Maradona, presidentsvrouw Evita Perón, vrijheidsstrijder Ché Guevara, de Falkland Eilandenoorlog, de tango, de Dwaze Moeders en natuurlijk Prinses Máxima Zorregieta. We moeten hier aan een aantal dingen wennen: als we iemand met blond haar zien, kunnen we niet meteen aannemen dat het een toerist is. Dit in tegenstelling tot Peru en Bolivia, waar iedereen ravenzwart haar heeft. De taal die ze in Argentinië spreken is geen Spaans! Wat het wel is, weten we niet. Voor ons had het net zo goed Chinees kunnen zijn, want we verstaan er geen woord van. Nu zijn we na al die tijd gewend dat in het Spaans de v uitgesproken wordt als een b, dubbele l uitgesproken als een j, maar die regels gelden niet in Argentinië. Het Argentijns is voor ons zo anders dan het Spaans dat we gewend zijn en ze spreken zo razendsnel. Erg lastig. Verder worden we zo elke 50 kilometer aangehouden door de politie. Ze willen weten waar we naar toe gaan en waar we vandaan komen – niet altijd in die volgorde – en dan mogen we meestal doorrijden. We hopen dat dit is, omdat we nog zo dicht bij de grens van Bolivia zijn, want we vinden het vervelend, zeker omdat we zo’n moeite met hun uitspraak hebben.  

We overnachten in het Nationaal Park Calilegua, waar aan het begin van het park een gratis camping is met koude douches. De motor van de pick-up loopt nog steeds niet goed, dus PJ wil niet verder het park inrijden (onverharde weg met een flinke stijging) en we blijven twee nachten op de camping staan. Om de camping begint een subtropisch bos, maar omdat het al lange tijd niet geregend heeft, is het bos droog en de begroeiing niet zo uitbundig.  De douches zijn nogal ranzig, maar we halen gewoon een teil water en wassen ons in onze eigen doucheruimte. Het is hier bloedheet en dan is poedelen met koud water heerlijk. ’s Morgens zien we hele mooie gaaien met blauw fluorescerende wenkbrauwen en vreemde beesten scharrelen rond op de camping. Agouti (goudhaas) is een soort uit de kluiten gewassen cavia op hoge poten. 

   
                                                        Plush-crested Jay                                                Agouti (goudhaas)

Na twee dagen rijden we naar Salta, waar we een Dodge garage weten. We komen er pas om een uur of 1 aan en PJ probeert het probleem uit te leggen. De Argentijn zegt dat ze er in de werkplaats wel naar willen kijken, maar dat het nu lunchpauze is.
“Komen jullie maar om vier uur terug”.
Ik denk dat ik het verkeerd verstaan heb en zeg ongelovig: “Om vier uur?” Ja, de Argentijnen hebben echt lunchpauze van 1 tot 4 uur. We blijven voor de deur staan en om een uur of vier komt iedereen weer aanrijden en worden we geholpen. Een monteur hangt een computer aan onze Dodge en PJ moet een half uur rondjes rijden. Hieruit komt naar voren dat de brandstofpomp getimed moet worden. PJ vertelt de monteur dat we waarschijnlijk slechte diesel getankt hebben in Bolivia, maar deze antwoordt dat waarschijnlijk de diesel in heel Zuid-Amerika een te laag octaangehalte heeft. Hij zegt dat we alleen bij Shell mogen tanken, want hun diesel komt het dichtste bij de diesel in Europa. De monteur besluit op aanwijzing van PJ de dieseltank en -pomp schoon te maken. Het is ondertussen al zes uur ’s avonds. Aangezien deze klus wel even kan duren, besluiten we dit voor de volgende dag te bewaren, zodat we vannacht voor de deur in de camper kunnen overnachten.

De eigenaar heeft ons al gewaarschuwd dat het schoonmaken van de dieseltank erg veel gaat kosten, wel 50 US dollar. We nemen aan dat we dit verkeerd verstaan hebben en gaan uit van 500 dollar. De laatste werknemer vertrekt ‘s avonds om 9 uur, zulke werktijden lijken me niet goed voor je sociale leven. ’s Nachts doen we geen oog dicht vanwege het lawaai van een nachtclub en karaokebar, die naast de garage zit en het vele verkeer dat over de drukke weg rijdt.
’s Morgens hebben we voor 8 uur afgesproken. Wij zitten ruim voor die tijd al klaar, maar de eerste werknemer komt om kwart voor 9 aankakken en wij worden pas om kwart over 9 geholpen. De hele ochtend zijn ze druk met het schoonmaken van de dieseltank en de pomp.


 

De diesel die uit de tank komt, ziet er inderdaad erg vreemd uit met dikke klonten. Net voor de lunch zijn ze hiermee klaar en rijden ze de auto naar buiten, zodat wij de lange lunchpauze in onze eigen camper kunnen de doorbrengen. Na de lunch vervangen ze het oliefilter en controleren nog een paar dingen. Om zes uur zijn ze klaar, maar als PJ de auto start, ziet hij dat de dieselmeter het niet meer doet! De auto weer terug de garage in en dan beweren ze glashard dat het komt omdat er maar 20 liter diesel in de tank zit. PJ kent zijn eigen auto en weet dat ook 20 liter te zien is op de meter.

Ik raak geďrriteerd en zeg dat we zullen gaan tanken bij de Shell en dan terugkomen. Zonder te betalen rijden we weg en niemand bekommert zich hierom. Ze zijn wel goed van vertrouwen! We laten de tank volgooien en natuurlijk blijft de meter op leeg staan. In de garage gaan ze weer aan het sleutelen en een uur later staat de meter op vol. Nu de rekening…
Tot onze verbazing kost het uren schoonmaken en sleutelen maar 50 Euro! Wel moeten we Amerikaanse prijzen betalen voor het oliefilter, maar dat is ook een origineel Dodge onderdeel. Dat valt in ieder geval een keertje mee.

We rijden naar de gemeentecamping van Salta, een camping met een van de grootste zwembaden ter wereld en wel 500 kampeerplekken. Hier vinden we veel Europese reizigers met hun verscheepte voertuigen. We hebben het hier prima naar ons zin, ondanks dat het zwembad pas over een maand gevuld zal worden (en dat vullen duurt een week). 
Hier ontmoeten we Andrea en Daniel, een jong Zwitsers stel met een Toyota Landcruiser die tijdens het reizen tot de ontdekking kwamen dat Andrea zwanger was. Andrea is in maart bevallen in Ecuador van hun zoon Kilian, en ze reizen nu met hun baby. Dat noem ik nog eens lef hebben.

   

   

Bij de ingang van de camping is een internetcafé. Terwijl we onze e-mail aan het lezen zijn, komt een man ons allerlei vragen stellen. Waar we vandaan komen. “Ah. Prinses Máxima” is zijn opgetogen antwoord als hij hoort dat we uit Nederland komen. We vragen ons af hoe vaak we dit zullen horen. Naast het internetcafé zit een supermarkt waar we dagelijks knapperig brood kunnen kopen. Biefstuk is in Argentinië spotgoedkoop, voor een kilo betalen we 2,80 Euro. Maar zoiets eenvoudigs als gehakt kan ik nergens vinden. Als ik een vrouw in een supermarkt met een zak gehakt zie lopen, weet ik niet hoe snel ik bij die slagersafdeling hetzelfde moet bestellen door naar haar te wijzen. De slager gooit een paar biefstukken in de molen en dan heb ik een kilo gehakt! Niet zo verwonderlijk dat dit bijna net zo duur is als een biefstuk.

Harde muziek draaien vinden de Argentijnen prachtig. Zo krijgen we op een dag een Argentijnse buren - een groep mannen - die rijden in een oude verroeste pick-up truck. Ik denk eerst dat ze het vuilnis op komen halen, maar als de barbecue aangestoken wordt, literflessen bier tevoorschijn gehaald worden en even later de stukken biefstuk liggen te sudderen, begrijpen we dat ze wat langer blijven. De volumeknop van de autoradio gaat voluit en de mannen hebben reuze pret. Naarmate de stapel lege flessen bier hoger wordt, worden de mannen vrolijker. Met hun blote blubberende bierbuiken staan ze met onzichtbare partners de tango te dansen. Ik moet er wel om lachen en zeker als ze om een uur of zes de camping weer afrijden.

Op zaterdagavond is de Miss Salta verkiezing in het lege zwembad en de geluidsinstallatie overtreft alle decibellen. Tot 2 uur ’s nachts liggen we met oordoppen in mee te vibreren in ons bed. Muziek hoort nu eenmaal bij de Argentijnse cultuur. 

   

Salta is een gezellige stad met prachtige gerestaureerde gebouwen. ’s Avonds worden ze subtiel verlicht en komen de suikerzoete kleuren nog beter uit. Een taxi naar het centrum kost maar 28 eurocent per persoon, in Nederland is het aanzetten van de meter al het tienvoudige! De taxichauffeur vraagt waar we vandaan komen.
Holanda”, roepen wij in koor.
“Ah, is dat niet waar de popgroep ABBA vandaan komt?”
“Nee, dat is Zweden”, en hopen dat hij nu wat beroemdheden - die echt uit Nederland komen - zal gaan noemen, maar dat blijft uit.

Af en toe komt er een invasie van schoolkinderen op de camping. Het lijkt een schoolreisje, alleen jammer voor de kinderen dat er geen water in het zwembad zit. Als ze vertrekken laten ze afgekloven boterhammen en lege blikjes en chipszakjes achter op de grond en op de picknicktafels. Het is toch onbegrijpelijk dat de leerkrachten hier niets van zeggen. Maar blijkbaar hoort dit ook bij de Argentijnse cultuur.
Na zes dagen camping, met warme douches, elektriciteit en stromend water moeten we 12,50 Euro afrekenen. Heerlijk, wat een goedkoop land.

We gaan de auto uittesten met een rit naar het noorden. De tank zit nog vol met Shell diesel en de auto komt goed door de test. Via een maar vier meter brede geasfalteerde weg, die kronkelt door een droge jungle, rijden we naar de Quebrada de Humahuaca, een canyon met prachtig gekleurde rotsen. Het doet ons denken aan Death Valley in California.

 

Daarna nog verder noordelijk naar Laguna de los Pozuelos, waar volgens de reisgids drie soorten flamingo’s leven. We moeten hiervoor 75 kilometer onverharde weg rijden (en weer terug), maar helaas staat er geen water in de lagune en zijn de flamingo’s ook gevlogen. Wel zien we veel tamme en wilde lama’s en zelfs een paar rhea’s, familie van de struisvogel. Teleurgesteld hobbelen we de 75 kilometer weer terug. Nu moet er nodig getankt worden, maar er is geen Shell pomp in de buurt. Dus tanken we een ander merk. Na een halve dag rijden op weg naar een volgend nationaal park, begint de motor weer te stotteren! PJ wordt hier dood nerveus van en krijgt zichtbaar meer grijze haren. We parkeren de camper op een gemeentecamping, gratis maar zonder werkende faciliteiten en komen de middag door in de schaduw van de bomen. Het is weer een graad of 35 en het windje lijkt meer een hete föhn.
De volgende morgen tanken we weer Shell diesel, al kan er maar 30 liter bij en rijden zonder problemen terug naar Salta. Hier wordt PJ nog nerveuzer van! Waarom hebben we nu geen problemen meer? Het kan toch niet aan die 30 liter Shell diesel liggen?

Op de camping krijgen we nieuwe buren; een 50+ stel uit Vlaanderen. Dirk en Lucet reizen rond in een 4x4 VW bus en zijn allerhartelijkst. Ze nodigen ons uit om Dirk’s verjaardag te vieren met een etentje in de stad. Pas om een uur of half tien begint het restaurant een beetje vol te lopen. Wij zijn dan al lang uitgegeten. Lucet vertelt dat zij uitgenodigd waren bij een Argentijnse voor een dineetje bij haar thuis. Ze werden om half tien verwacht en gingen pas om een uur of half 11 dineren. Dan liggen wij al lang op 1 oor…

 

Na weer een weekje op de camping in Salta zijn we toe aan een tweede proefrit met de auto. We tanken de verplichte Shell diesel en gaan op weg. We rijden naar het nationaal park Finca El Rey, een vochtig subtropisch bos waar volgens de reisgids veel toekans leven. Het is hemelsbreed maar 80 kilometer van de camping in Salta, maar we moeten 200 kilometer rijden om er te komen. Het eerste stuk gaat over asfaltweg, daarna 50 kilometer onverharde weg en de laatste 50 kilometer gaat over een bospad. De laatste week in Salta hebben we stralend weer gehad, maar vanochtend begon het te miezeren. Het bospad is af en toe een beetje glibberig, we hopen maar dat de motregen snel ophoudt. In gedachten moedig ik de auto aan. PJ weet dat ik mijn zinnen op dit park gezet heb en rijdt door, ondanks dat hij er een hard hoofd in heeft of de terugweg geen grote problemen zullen opleveren. We moeten tot zeven keer toe door een smal riviertje rijden met steile kanten, maar de auto laat ons niet in de steek. Onderweg zien een glimp van een tapir, een groot zoogdier dat leeft van waterplanten. In het park parkeren we op de camping en een knul komt langs.
“Zijn hier toekans?”, vraag ik.
Si, si”.
“Schijnt morgen de zon?”, vraagt PJ, wat natuurlijk een veel belangrijkere vraag is.
“Nee, waarschijnlijk niet”.
We maken een wandeling langs de rivier en zien de pootafdrukken van een tapir. Op de camping lopen veel guan’s, een kalkoenachtige vogel en een echtpaar seriema’s, een soort ooievaar met een grappige kuif die hun nest in een boom naast de camper hebben. Maar we zien geen toekans. De videocamera heeft kuren en doet het vaker niet dan wel. ’s Avonds ontdek ik een teek op mijn been (ondanks rubberen kaplaarzen en mijn broek ingestopt). Getver. Later op de avond vind ik er nog drie.

   
                   Red-legged Seriema

De volgende morgen worden we wakker van de regendruppels op het camperdak. Dat belooft niet veel goeds. Ik maak ondanks de motregen nog een paar wandelingen. Tijdens een van die wandelingen komen er twee grote donkerbruine beesten op mij af rennen. Ze hebben lieve snoetjes, korte poten en een lange staart en ik denk dat het otters zijn. Als ze mij op het laatste moment in de gaten krijgen, rennen ze het bos in. Aan het eind van de dag stopt het met miezeren, maar dat is natuurlijk lang niet genoeg om de modderige weg droog te krijgen. ’s Avonds ontdek ik weer een paar teken, die natuurlijk onmiddellijk verwijderd worden. Het zijn maar piepkleine beestjes, dus PJ moet nauwgezet elke sproet of moedervlekje op mijn lichaam nader onderzoeken.  

“Eenenveertig!” is het eerste wat PJ zegt, als ik ’s morgens mijn ogen open doe. Ik ben vandaag jarig. Het is nog steeds droog en we besluiten vandaag terug naar Salta te rijden. Liever zouden we nog een dag of wat wachten, zodat de weg droger is, maar we weten de weersvoorspelling niet en misschien gaat het straks weer regenen. We maken eerst nog een lange wandeling door het bos, maar zien weer geen toekans. Wel steken er een stuk of tien wilde zwijntjes de weg over. 

  

De weg terug is inderdaad erg slecht. De rode modder is op sommige plaatsen kniediep met diepe vorens van een vrachtwagen. De pick-up begint te schuiven. PJ blijft vaart houden en we glijden haaks op de weg richting een greppel. Toch ziet PJ kans het vijf ton wegende gevaarte weer recht te krijgen en we glibberen verder. Mijn hart klopt in mijn keel. Ik onthoud de boerderijen langs de weg die een tractor op hun terrein hebben staan. We maken tot drie keer toe zo’n slipper! Het overhangende gedeelte van de camper knalt twee keer keihard op het dak van de pick-up.
“Ik vind reizen in Zuid-Amerika niet leuk”, zegt PJ hartgrondig.
Ik tel de kilometers af. Twintig…tien… acht…vijf… Tot op de laatste kilometer blijven de banden glijden. Als we eindelijk op de onverharde grindweg komen, zuchten we van verlichting.

We snellen naar de camping in Salta en nemen de schade op. Waar we al die tijd bang voor waren, is nu gebeurd: het houten frame van de camper is diep van binnen gebroken! Het gasfornuis staat hierdoor helemaal scheef, de lamellen waarmee de buitenkant van de camper bedekt zijn, zijn losgeschoten en ook de houten tafel is doormidden gebroken. Een verjaardag om niet snel te vergeten…Onze Vlaamse buren, Dirk en Lucet zijn er nog steeds en is het fijn om dit avontuur van ons af te kunnen praten. Om de camper te repareren moet hij van de pick-up af en dat willen we niet hier op de camping doen. De volgende dag repareert PJ de camper zo goed mogelijk.

Op 2 november rijden we in drie dagen zuidwaarts naar Chili. We rijden een route ver van de Andes vandaan, zodat we geen passen over hoeven, geen onverharde wegen en langs een paar grote steden rijden. De auto heeft zich tijdens de moeizame rit uit park El Rey goed gehouden, maar we willen toch geen risico nemen. Bovendien staat de camper op instorten en willen we voorkomen dat hij op het dak van de auto beland. Een keer hapert de auto, PJ drukt het gaspedaal in, maar er gebeurt niets. Door de snelheid blijven we wel doorrijden, maar de motor heeft geen power meer. Het probleem is dus nog steeds niet opgelost. Als PJ opmerkt dat hij de route maar saai vindt, schiet dat bij mij in het verkeerde keelgat. Ik heb een zo vlak mogelijk route uitgezocht, waardoor we alle mooie parken en bezienswaardigheden mislopen en dan maakt hij zo’n opmerking!
Het enige wat mooie aan deze weg, zijn de bloeiende cactussen. We rijden door een saaie woestijn en het is dertig graden. We zien de grote nesten van de monniks-parkiet, een dwergpapegaai met een witte kop. ’s Nachts koelt het niet meer af dan 26 graden Celsius. De enige bezienswaardigheid waar we langskomen, is de bedevaartsoord van Difunta Correa.

 

De legende vertelt dat tijdens de burgeroorlog van 1840 mevrouw Correa haar mans bataljon te voet volgde. Zij komt in de woestijn om van de dorst, maar als zij later gevonden wordt (hoeveel later is niet bekend), leeft haar baby nog wel. Het jongentje heeft zich vastgezogen aan haar borst en kon zelfs na haar dood haar melk nog drinken. De kerk wil haar niet heilig verklaren, maar daar trekken de Argentijnen zich niets van aan. Ze beschouwen haar als een Heilige en geloven dat mevrouw Correa wonderen kan verrichten. Op de plaats waar ze zogezegd gestorven is, werd op een heuvel een kruis neergezet. Naast de trap ernaartoe zien we honderden nagebouwde huizen en winkels met daarop een dankwoord aan de Difunta Correa. Maar ook een stuk of 15 kapelletjes, waar dankbare mensen spullen achterlaten in ruil voor bovennatuurlijke gunsten. Zo is er een kapel met bruidsjurken, die gelukkig getrouwde bruidjes hebben achtergelaten. Een kapel met nagebouwde  auto’s en vrachtauto’s. Er staat zelfs een echte oldtimer, een BMW motor en vele gewonnen wedstrijdbekers. Er hangen honderden foto’s van blije moeders met hun pasgeboren baby’s. Een kapel is volgepropt met antieke meubelen. Fascinerend om te zien hoe devoot de Argentijnen zijn. We zien een stel van een jaar of 16 met hun pasgeboren baby in hun armen de berg oplopen. Een modern geklede vrouw klautert op haar knieën de trap op. We vragen ons stiekem af welke gunst zij de Difunta gaat vragen. De Argentijnen nemen dit namelijk bloedserieus! Vrachtwagenchauffeurs houden het niet bij deze plek alleen. We zien regelmatig gedenkplaatsen langs de weg voor de Difunta Correa, herkenbaar aan de vele rode vlaggen en de honderden flessen water om haar dorst te lessen.

   

Het is al drie dagen mooi weer, maar als wij de pas over de Andes oversteken, trekt het net dicht. Zo gaat de Aconcagua, de hoogste berg van Zuid Amerika aan ons neus voorbij. De grensovergang is streng en een beambte neemt alle tijd om te zoeken of we geen verboden vlees, fruit of groenten Chili in smokkelen. Hij vindt gedroogde pruimen en abrikozen, een flesje honing en wil zelfs gedroogde spliterwten innemen. Die krijg ik later toch weer terug, maar hij ziet een smeerworst, aardappelen en verse knoflook over het hoofd.

Chili (5 november - 30 november 2005)  

 

Als we de grens over zijn, bellen we naar Gerard en Monique en vragen of we welkom zijn.
“Natuurlijk, de wijn staat al klaar”, is het warme antwoord van Gerard. Het is fijn om bij dit hartelijke Nederlandse stel weer op adem te komen. PJ repareert de camper, bouwt een palapa en ik help met het schilderen van de buitenboel. De moeder van Gerard en de moeder van Monique komen over een week voor een maand naar Chili en alles moet natuurlijk pico bello in orde zijn.

   

Het is ook de bedoeling dat we Guido en Brenda hier zullen treffen, maar dan krijgen we een e-mail van hen, dat hun wagen hen in de steek heeft gelaten. Ze waren ergens in het Argentijnse Andesgebergte en moesten hun Toyota Landcruiser 300 km laten slepen naar de dichtstbijzijnde stad: Salta! Het kapotte onderdeel moet uit Nederland overgevlogen worden en dat duurt bij elkaar 2 ˝ week.

Wij brengen onze pick-up naar een Dodge garage in de buurt, zonder de camper, want de ingang van de garage is te laag. De versnellingsbak wordt nagekeken, maar ze kunnen niet ontdekken wat er nu precies mis is met de auto, want de computer die ze eraan hangen, zegt niets. Wel is het dieselfilter verstopt en dat wordt vervangen. We waren er al bang voor dat het probleem niet zichtbaar zou worden op de computer. Het haperen gebeurt meestal als de motor erg warm is en dat is ie nu natuurlijk niet. We moeten maar hopen dat het probleem nu opgelost is.

De tijd vliegt voorbij en al met al blijven we 2 ˝ week bij Gerard en Monique. Monique verrast mij met een taart met kaarsjes en we doen mijn verjaardag nog eens dunnetjes over. Van Gerard zien we niet veel, want er zijn problemen op de turfstekerei in Punta Arenas, de zuidelijkste stad van Chili. Gerard vliegt steeds op en neer voor een paar dagen. Wel hebben we een gezellige tijd met Monique en de twee moeders. Moeder Riet heeft een nieuwe videocamera voor ons uit Nederland meegenomen, die mijn vader bij haar thuisbezorgd had. Een leuke verassing is dat mijn vader de camera heeft ingewijd met de groeten van thuis.

 

Chili heeft een aantal vreemde gebruiken. Zo kan ik er nog steeds niet aan wennen dat ik door wildvreemden gezoend wordt: het buurmeisje, de kapper, een kennis van Monique die we tegenkomen op straat…maar de Chilenen hebben het motto dat jouw vriend ook mijn vriend is.
Laat avondeten is ook zo typisch Zuid Amerikaans. Als we op een doordeweekse avond uitgenodigd worden bij een vriendin van Monique, verwacht je toch niet dat we pas om half elf aan tafel gaan?
In Chili kun je alles op afbetaling kopen. En dan heb ik het niet over grote uitgaven zoals een auto, maar ook kledingstukken of een tas kun je in cuotas (maandelijkse afbetalingstermijnen) betalen. Ik tuin er nogal eens in als ik op het prijskaartje niet naar de totaalprijs kijk, maar naar het maandelijkse termijn. “Oh, lekker goedkoop”,  denk ik dan. Zelfs bij de dagelijkse boodschappen vragen ze bij de kassa of we in termijnen willen betalen. In de supermarkt gebeuren er nog meer rare dingen. Zo wil ik een pakje houdbare light room pakken, staat er een verkoopster bij het schap die de niet light versie aanprijst.
“Nee, dank u, ik wil light!”.
Dan wijst ze een ander merk aan, maar weer geen light versie.
Bij de chocola staat er weer zo’n dame. Als ik een reep pure chocola uit het schap pak, houdt ze een pak truffels gevuld met hazelnootpasta voor mijn neus.  Nee, ik wil pure chocola! PJ had al geklaagd dat er allemaal dames bij het toiletpapier stonden, die hem andere merken willen aansmeren. Het gevolg is dat we spiedend door de supermarkt lopen en zo snel mogelijk onze boodschappen in het winkelwagentje gooien. Ik ben zelfs trots als ik zonder problemen mijn eigen keuze afwasmiddel heb kunnen bemachtigen…

Op 23 november wordt het dan echt tijd om afscheid te nemen van Gerard, Monique en de moeders. We gaan verder zuidwaarts door Chili. Het eerste stuk gaat over de tolweg. Mexico heeft de naam, maar wij vinden de tolwegen in Chili ook erg duur.

We bezoeken de souvenirmarkt in Chillán. Veel artikelen hebben we ook al in Bolivia en Argentinië gezien, maar nu zijn ze helaas een stuk duurder. Ik hoop straks in Zuid Argentinië nog een paar mooie gebreide truien te kopen. Chili maakt zich op voor de presidentsverkiezing van december en het straatbeeld wordt in elk dorp vervuild met grote billboards van de kandidaten. Ik hoop niet dat meneer Lanín de nieuwe president wordt, want die heeft zo’n geniepige grijns…

We overnachten op een camping bij een prachtige waterval, Salto del Laja. Op de camping stikt het van de pauwen, die ’s nachts in koor naar elkaar roepen. PJ komt tot de ontdekking dat de achterlichten van de camper het niet meer doen (hoe lang al niet?). Er is kortsluiting geweest en de bedrading is helemaal gesmolten. We blijven hier dus nog maar een dagje langer, zodat PJ dit kan repareren.

 

De volgende dag rijden we naar nationaal park Conguillio, een park waar de grootste verzameling araucaria bomen staan. Deze boom zie je ook wel in Nederlandse tuinen. Het is een boom met driehoekige naaldschubben op de stam en op de takken. Maar in Nederland heb ik deze boom nog nooit hoger dan een meter of tien gezien; hier zijn de oudere bomen wel 50 meter hoog en kunnen 1000 jaar oud worden. Dit is het leefgebied van een 45 cm grote specht, die we hier hopen te zien. Ondertussen is het bewolkt en het ziet er naar uit dat het elk moment kan gaan regenen. Bij de ingang van het park verandert de onverharde weg in een bospad. De slippartijen in Noord Argentinië zitten nog vers in ons geheugen en ik ben het dit keer die niet verder durf. We overnachten bij een mirador, een uitzichtpunt over uitgestrekte lavavelden en de vulkaan Llaima, waarvan we, vanwege de laaghangende bewolking, alleen de voet kunnen zien. Nog geen uur later begint het te regenen, nee te hozen, zelfs met hagel. Ik kan het niet vaak genoeg herhalen dat ik blij ben dat we dat bospad niet hebben genomen. Ondanks de regen is het hier doodstil, geen auto’s, geen vogels en geen ruisende bomen.

   

De volgende morgen regent het nog steeds. Over een onverharde weg van gemalen lavarotsen rijden we terug naar de bewoonde wereld. De route is prachtig langs oude araucaria bomen en grote struiken bamboe. Bamboe associeer ik altijd met de tropen (onzin natuurlijk, want bamboe gedijd ook goed in Nederland) en de combinatie van die oerbomen met bamboe is heel apart. We besluiten een camping op te zoeken en de hele dag monteren we de video. De regen klettert gezellig op het camperdak.

We rijden door naar Villarica, maar de gelijknamige vulkaan blijft voor ons verborgen in de laaghangende bewolking. Noodgedwongen tanken we diesel bij de Essopomp, want er is geen Shell tankstation in de buurt. Op de camping landen er ineens een stuk of twintig papegaaitjes in een boom. Zo ten zuiden van de evenaar hadden we die niet meer verwacht. Ze zijn groen, zo’n 40 cm groot en hebben een rode staart. Als ik hun naam opzoek in het vogelboek blijken ze toch weer onder de parkieten te vallen. Ondertussen houden we e-mail contact met Guido en Brenda. Vanwege de vertraging door hun autopech, hebben zij besloten in Argentinië te blijven en daar zuidwaarts te reizen. Wij spreken af elkaar weer te treffen in het Argentijnse merengebied, waar wij het Andesgebergte over willen gaan. Zo kunnen met z’n vieren verder naar Vuurland reizen, maar zover zal het helaas niet komen.
               Slender-billed Parakeet

 

Ondertussen is het weer opgeklaard en zien we dan eindelijk de actieve Villarica vulkaan. De magmastand in de krater is zo hoog dat je het vanaf de kraterrand kunt zien bubbelen. Dat bewijs hebben wij niet nodig, de rookpluim die uit de mond van de vulkaan komt, is voor ons genoeg. Het is pas 34 jaar geleden dat de laatste uitbarsting was. Het plaatsje Pucón is aan de voet van de vulkaan gebouwd. Hier vinden we een heerlijke camping, vlak bij het centrum, maar wel met weelderige begroeiing en het snelstromende beekje overstemd de autogeluiden. We maken mooie foto’s van de roof- en watervogels die hier leven. 

   
   Chimango Caracara

   
                                                                                                Plumbeous Rail                             Hawk

Pucon lijkt op een Europees wintersportplaatsje in de zomer. Namen zoals Hotel Interlaken en Hotel Munich versterken dat beeld alleen maar. De bewoners trekken zich schijnbaar niets aan dat ze zo dicht bij een werkende vulkaan wonen, maar dat denken zij misschien ook van de Hollanders, die onder het zeeniveau wonen…Als het pikdonker is, lopen we het dorpje in om te zien of we weerkaatsing van het borrelende magma in de rook kunnen zien. Heel vaag licht de rook af en toe oranje op, maar echt overtuigend is het niet. 

 
   Dit zijn nepbloemen! Niet van echt te onderscheiden hč?

Op 30 november willen we de oversteek over het Andesgebergte maken. We e-mailen Guido en Brenda dat we eraan komen en spreken af op een camping in San Martin. De route gaat halverwege over in een gravelweg. Eerst denken we dat we verkeerd zijn gereden, want onze routekaart geeft niet aan dat de weg onverhard is, maar we zitten toch goed. De weg is soms steil, maar heeft prachtige uitzichten over de Lanín vulkaan. Ook hier groeien weer araucaria bomen, maar nu kunnen we ze fotograferen met een strakblauwe lucht. 

 

We zijn niet meer zo ver van de grens verwijderd, als eerst het controlelampje van de versnellingsbak gaat branden en daarna de motor weer begint te haperen! Is dat probleem nu nog niet opgelost? Nu zijn we al naar twee Dodge garages geweest in twee verschillende landen en nog steeds hebben we hetzelfde probleem. Het zal toch niet aan de Esso diesel liggen? Zuid-Argentinië is een groot, leeg land en we durven niet 2500 kilometer zuidwaarts te reizen met een haperende motor, waarvan we niet weten wat de oorzaak is. We willen niet ergens in het midden van niets stil komen te staan. We besluiten om te draaien en terug te keren naar Pucon. We e-mailen Guido en Brenda onmiddellijk dat we niet komen. We zijn alle vier erg teleurgesteld dat onze trip samen zo abrupt eindigt.  

PJ heeft het op dit continent nog niet vaak naar zijn zin gehad en wil de camper het liefst terug verschepen. Maar dat vind ik toch een beetje te drastisch. We hebben al veel autoproblemen gehad, vaak zijn we ergens voor niets naar toe gereden, maar ik hoop toch nog steeds dat het straks beter wordt. Na een lang gesprek besluiten we voorlopig in Chili te blijven, want hier is veel dichter bevolkt en de eventuele hulp dichtbij. Misschien gebeurt er wel een wonder bij de volgende Dodge dealer en durven we het toch aan verder te reizen... 

We besluiten om te keren en terug naar Pucon te rijden. We zijn nogal somber gesteld. Niet zo verwonderlijk: we rijden al sinds Bolivia met een haperende auto en twee bezoeken aan Dodge garages hebben dat niet kunnen verhelpen. Daarom stellen we het bezoek aan een derde garage een week uit, als deze garage ons niet kan helpen, betekent dit echt het einde van deze trip.

De omgeving is erg mooi dus hebben nu mooi de gelegenheid deze te verkennen. De Salto el Leon is een waterval die 97 meter valt in een met varen bedekte kom van rotsen. Bij Salta La China overnachten we op de primitieve camping. Deze waterval is iets minder hoog, maar niet minder indrukwekkend. Ik vind vooral het wandelpad ernaartoe erg gaaf, met veel bamboe en varens waar we wel erg nat worden. We kunnen nu zelfs de waterval van bovenaf zien.

   

De volgende dag rijden we naar Thermas Los Pozones; hete thermale bronnen waar we heerlijk in hete baden kunnen liggen, gemaakt van ronde keien met een bodem van wit zand. We kunnen kiezen uit wel zes verschillende temperaturen, terwijl er vlak langs de snelstromende ijskoude gletsjerrivier raast. We zijn er zo vroeg dat de busladingen met toeristen nog niet gearriveerd zijn en het sfeertje nog sereen is. Bij Ojos del Caburgua zijn nog meer stroomversnellingen en onderaardse poelen die prachtig groen gekleurd zijn. Het valt ons wel tegen dat we voor elke waterbeweging entreegeld moeten betalen. Zo worden deze toeristische bezoekjes wel een dure bedoeling. Terug in Pucon vliegen zwermen groene papegaaitjes over de stad. Jammer genoeg doen ze dit alleen op bewolkte dagen. Maar als de zon schijnt, staat de actieve Villarica vulkaan te schitteren. Ik kan maar geen genoeg krijgen van dat uitzicht.  

 

Verder naar het zuiden, richting de Dodge dealer in Osorno, maken we een uitstapje naar het kustplaatsje Valdivia. Volgens de reisgids is dit het meest aantrekkelijke stadje van Chili. Het valt ons een beetje tegen, dan is bijvoorbeeld Vińa del Mar een veel mooiere kustplaats. Wel leuk is de visafslag, waar enorme zeeleeuwen met hun bek open liggen te wachten op het visafval. Hier is veel toeristische belangstelling voor en als PJ de zeeleeuwen filmt, voelt hij dat iemand hem probeert te bestelen! Ik zeg dat ik hem wel in de gaten zal houden, terwijl hij filmt. Schuin achter PJ staat een keurige jongeman in een gestreken overhemd, broek met vouw en kortgeknipt haar. Terwijl alle toeristen naar de zeeleeuwen en de vismarkt kijken, zie ik de ogen van de man naar PJ’s open (lege) tas kijken, die aan zijn schouder hangt. Ik wacht op het moment dat ik hem op heterdaad kan betrappen, maar blijkbaar voelt hij mijn ogen in zijn rug. Hij kijkt voorzichtig om en we maken oogcontact. Mijn blik spreekt boekdelen, want hij maakt zich snel uit de voeten.

   

                

Opeens horen we een hoop rumoer op de straat en zien auto’s met vlaggen. In een laadbak van een pick-up staat de presidentskandidate Michelle Bachelet! Ze stapt uit en loopt de straat op. Mannen schreeuwen enthousiast leuzen en begeleiden haar naar de vismarkt. Ze loopt vlak langs ons! Een paar weken later is de verkiezing en ze wordt gekozen tot Presidente van Chili.

 

 

Op 9 december rijden met lood in onze schoenen naar de Dodge garage in Osorno. Gelukkig is er een dame, Paola, die redelijk Engels spreekt en alles voor ons vertaald. Een monteur plugt meteen de computer in de auto en ook hier komt er weer uit de injector van de dieselpomp nagekeken moet worden. De monteur gaat aan de slag en heeft na een halve dag sleutelen de oplossing: de dieselinjector moet vervangen worden en dan zijn al onze autoproblemen voorbij! Helaas is dit onderdeel niet in Chili verkrijgbaar en moet besteld worden in de Verenigde Staten. Dat gaat ongeveer twee weken duren. Wel krijgen we op ons hart gedrukt dat we niet te ver weg mogen te rijden en dat we voorzichtig aan moeten doen. Via de e-mail krijgen we bericht wanneer het onderdeel is aangekomen. We zijn allebei hoopvol dat dit onze reis zal redden en maken al plannen voor de verdere trip. Oud en Nieuw vieren in de meest zuidelijke stad van de wereld zal niet meer lukken, maar we denken toch wel in januari in Zuid Argentinië aan te komen.  

We gaan op een camping staan 60 kilometer ten oosten van Osorno en tien kilometer buiten het dorp Entre Lagos. De camping wordt gerund door de Duitse Helga. We hebben een mooie plek aan het meer en de sleutel van een privé badkamer. Op deze camping brengen we uiteindelijk meer dan een maand door. Het is een grote camping, maar het is er erg rustig. We hebben dus weinig aanspraak.
Het dorpje Entre Lagos heeft wel een paar supermarkten, maar het aanbod is karig. Ik denk dat de meeste inwoners een moestuin hebben, want veel keuze in groenten en fruit is er niet. Na een paar weken komen de eeuwige komkommers, tomaten, aardappelen en wortels ons de neus uit. We kunnen alleen verse witte broodjes kopen, geen gezond bruin brood. Vlees is wel te krijgen, maar vaak ligt er een half beest in de koeling. En wij weten niet waar het beste stukje vlees van een koe of een varken zit! Steeds als ik biefstuk probeer te bestellen, zit er of een grote rand vet aan of een bot in. 

   

Op de camping zien we vaak chimango caracara’s, kleine roofvogels die leven van dode dieren. We leggen de stukken vet en bot van de biefstukken voor hen neer. Deze vogels ruiken dit meteen en meestal is het tien minuten later al weg.
Elke dag zitten ze in de boom te wachten of er nog meer komt. Als PJ zijn gereedschapkist open op de picknicktafel heeft staan, landt er een caracara in en gaat er vandoor met een zakje boutjes! Ik lig helemaal in een deuk! Op een dag volg ik de vogels naar hun nest en verwacht een grote stapel botjes onder de boom. Dit valt tegen, want het gras eromheen is hoog. Ik had het ook wel leuk gevonden om PJ’s boutjes terug te vinden…

De auto krijgt steeds meer moeite met rijden en komt zelfs vrijwel elke keer het dorpje niet uit zonder dat de motor eerst protesteert en weigert te rijden. Dus zijn we verplicht zoveel mogelijk op de camping door te brengen en deze alleen een paar keer per week voor boodschappen en internet te verlaten. Deze camping zit ook vol met 40 cm grote papegaaitjes, officieel parkieten genaamd. We genieten van hun geschreeuw dat vooral ’s avonds aanzwelt tot mega herrie.
We hebben geluk met de temperatuur, vaak wordt het ’s middags een graad of twintig, maar ’s morgens blijft het lang mistig. Toch liggen we bijna elke namiddag in de zon en worden poepiebruin.
We gaan nu veel te snel door onze boekvoorraad heen. Ik lees gemiddeld drie Engelse boeken per week, PJ doet het iets zuiniger aan. Ik lees zelfs voor het eerst van mijn leven Anne Frank’s Achterhuis, nota bene in het Engels.

Een andere tijdverdrijf is het archiveren van onze digitale foto’s (10.000) in de laptop. Met een speciaal programma kunnen we de foto’s van meerdere labels voorzien, zodat we met één druk op de knop bijvoorbeeld alle grizzlybeerfoto’s kunnen oproepen, maar ook bijvoorbeeld onderscheidt kunnen maken in de foto’s genomen in Yellowstone of in Fish Creek. Een tijdrovende klus, zeker omdat onze laptop alleen maar loopt op stroom, met een verfrissend koelelement eronder en een ventilator ernaast! We denken al maanden dat onze laptop het gaat begeven, maar voorlopig werkt hij op deze manier nog steeds.

Het wordt Kerst en wij zitten nog steeds in Entre Lagos. Een uitgebreid kerstmaal kan ik niet bij elkaar vinden, maar om het toch nog een beetje feestelijk te maken, maak ik een Tiramisutaart. Met de ingrediënten moet ik even schipperen, maar hij smaakt goed. De camping loopt eindelijk vol met dagjesbezoekers die op het zwarte vulkaanzandstrand liggen te zonnen. We zien dat het kerstmaal van de Chilenen, een schaap of twee, drie aan het spit en een salade is.
Op Tweede Kerstdag luisteren we naar de wereldomroep waar met een herdenkingsdienst de Tsunami slachtoffers worden herdacht. Wij denken aan twee slachtoffers in het bijzonder. 

Na twee weken wachten komt dan eindelijk het verlossende telefoontje. Het bestelde auto-onderdeel in aangekomen in Osorna, maar het is een ander onderdeel dan ze verwacht hadden! Paola zegt dat dit niet zo’n probleem is. Ze kunnen dit onderdeel wel plaatsen, maar het is gecompliceerder en gaat twee dagen duren. Helaas hebben ze in de garage daar pas volgende week tijd voor. We maken een afspraak voor maandag 4 januari. Je kunt je misschien voorstellen dat wij er iets minder vertrouwen in hebben dat het nu allemaal goed gaat komen. Hoe moeten onze autoproblemen verholpen worden met een ander onderdeel? We moeten het dus maar afwachten. Het meest irritante van het telefoongesprek is dat Paola vraagt waar we dan maandagnacht gaan slapen.
“Nou gewoon in een hotel in Osorno op loopafstand van de garage”.
Zij wist nog een leuk hotelletje ergens bij een meer. “Ik ga er zelf dit weekend naar toe”.
Ja, Paola, wrijf het er nog maar eens in dat jij Oud en Nieuw gezellig met familie of vrienden in een hotel gaat vieren en dat wij straks al dik drie weken op dezelfde camping vastzitten 10 kilometer buiten een 3000 inwoners tellend dorpje!
Het loopt tegen de jaarwisseling en ik besluit oliebollen te bakken. Vorig jaar deed ik dit met kant-en-klare oliebollenmix, maar die heb ik nu niet. Ik e-mail naar mijn vader, die toevallig on-line is en zo heb ik even later het recept voor oliebollen, compleet met alle Spaanse namen voor de ingrediënten! Maar de camping is nog steeds leeg en we eten alle goedgelukte oliebollen alleen op. We vinden het niet de moeite om tot twaalf uur op te blijven en vieren het nieuwe jaar om 8 uur, gelijk met de Nederlanders.

 

We hadden nu in Ushuaia willen zijn, de meest zuidelijke stad ter wereld, waar wereldreizigers rond deze tijd samenkomen. Later horen we van reizigers dat er zo’n 100 buitenlandse voertuigen zich verzamelt hebben in Vuurland! Guido en Brenda zijn twee van die wereldreizigers waar we het nieuwe jaar mee hadden willen inluiden, maar dat zit er dus niet in.  

                 

Op 4 januari brengen we de camper naar de garage. Binnen vijf uur zijn ze klaar, dat is inclusief een testrit van drie kwartier. Gelukkig hadden we dit al ingeschat en geen hotel gereserveerd (en zeker geen cabaňa bij een meer, Paola) en kunnen we dezelfde avond op een stadscamping in Osorno overnachten.
De volgende dag maken we een testrit naar het zuiden. De 2680 meter hoge Osorno vulkaan is een plaatje en sinds vier weken hebben een ander uitzicht vanuit onze camper.

De invloeden van de Duitse immigranten is hier duidelijk te zien aan de huizenbouw. Maar wij vinden het iets te ver gaan om je hotel Hause Alleman zur Wassermũhle te noemen. Dat kunnen de Chilenen toch niet uitspreken!
De auto blijkt nog steeds niet goed te lopen, dus gaan we terug naar de garage. Dit keer moet er een onderdeel uitgehaald en schoongemaakt worden. Dit schoonmaken gaat een paar dagen duren, dus krijgen we deze service op de camping. Nu kunnen we echt niet meer rijden en we voelen ons erg opgesloten. Als de auto weer gerepareerd is, maken we een proefrit naar Pucon. Deze plaats ligt 250 km noordelijker, zodat we een lang stuk autosnelweg kunnen rijden om de motor te testen. De auto rijdt wel goed, maar we zijn het vertouwen in de auto wel een beetje kwijt.

Zo kom ik met knallende koppijn in Pucon aan en PJ met een verkrapte nek en rug. Op de camping staan veel reizigers en we maken leuk contact met een de Nederlandse Sarah en haar Ierse vriend. We vieren de reparatie met een Schwarzwalderkirchtorte, onder lekkere invloed van de Duitse immigranten. De Chilenen noemen deze taart eenvoudig: Torta Especial.

Nu zijn we klaar om de grens met Argentinië over te gaan. Nog een laatste nacht op de camping bij Helga, die we niet hoeven te betalen. Vol goede moed gaan we op weg, maar dan begint de motor weer te haperen! De moed zakt ons in de schoenen. Toch rijden we door, want ons visum voor Chili loopt bijna af en we moeten dus wel de grens over. We kunnen altijd besluiten over een paar dagen weer terug naar Chili te gaan en dan weer een visum voor 90 dagen aanvragen.

lees verder

of terug naar journals

© Potgieser 2006 Claudia en PJ